Hoe oud zijn de evangeliën? – een conferentie in Opheusden (deel 2)

This entry is part 1 of 1 in the series discussie

Na de lezing van drs. G. van der Veen – een aanvulling op de lezing van Thomson, een verdediging dus van de betrouwbaarheid van de Byzantijnse teksttraditie – was er aan het eind van de dag nog een lezing van dr. P.J. Lalleman (Londen) over het ontstaan van de evangeliën. Ik was er zeer benieuwd naar, omdat ik verwachtte dat hier de moderne historische kritiek zou worden tegengesproken en wellicht zelfs weerlegd. Maar dat liep anders…

codex_alexandrinus_johannes_1

Na te hebben gesteld dat elk van de evangeliën “los van elkaar” werden geschreven – dat heb ik werkelijk gehoord en genoteerd! – kwam het gebruikelijke verhaal over de redactionele afhankelijkheid van de evangeliën. Markus is dan het oudste evangelie, dat als bron werd gebruikt door Mattheus en Lukas, daarnaast is er dan nog een bron Q die kan verklaren wat er wel in Lukas en Mattheus, maar niet in Markus staat, dan hebben we het materiaal dat Mattheus eigen is, en niet bij de anderen voorkomt (M) en hetzelfde bij Lukas (L) en uiteindelijk nog Johannes die relatief zelfstandig is t.o.v. de andere, zogenaamde Synoptische evangeliën. Dat was en is de gebruikelijke historisch-kritische opvatting en consensus over de ontstaansgeschiedenis van de evangeliën.

DE DATERING VAN MARKUS

Hoe werkt dan de datering voor Markus? De inleiding in de NBV geeft aan Markus een datum van publicatie rond het jaar 70. De verwijzing naar de verwoesting van de Tempel moet immers in Markus zijn opgenomen ná die gebeurtenissen en de evangelist legt dan een voorspelling van die gebeurtenis in de mond van Jezus. Terecht merkte Lalleman hier op, dat de verwijzingen naar de verwoesting van de Tempel in Markus dusdanig vaag zijn, dat het eigenlijk ondenkbaar is dat Markus werkelijk kennis van deze gebeurtenis kan hebben gehad. Bovendien is de a priori ontkenning van de mogelijkheid dat Jezus Christus als profeet kon spreken een rationalistische aanname die in gedegen Christelijke Bijbelwetenschappen geen plaats heeft. Wikipedia houdt blijkbaar een slag om de arm en spreekt over de periode van 66 tot 73 na Christus als het tijdvak van het ontstaan van dit evangelie. Een door Lalleman geciteerde auteur Becker meent zelfs dat Markus ná 73 geschreven moet zijn.

Een van de argumenten bij het vaststellen van deze datering is de interpretatie van Markus 13:14

Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover door de profeet Daniël gesproken is, zult zien staan waar het niet behoort – laat hij die het leest, daarop letten! – laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.

Wat is die “gruwel van de verwoesting”? Zou het kunnen dat dit verwijst naar de plaatsing van een standbeeld van de keizer Caligula in de Tempel van Jeruzalem in het jaar 40 n. Chr.? Op grond van dezelfde redenering dat er geen sprake kan zijn van een voorspelling moet het evangelie geschreven zijn ná het jaar 40. Of zou dit kunnen slaan op het begin van de Joodse oorlog? Dan zitten rond het jaar 70. Of het begin van de tweede Joodse oorlog? Dan spreken we over het begin van de 2e eeuw! In ieder geval moeten Mattheus en Lukas láter zijn geschreven dan Markus op grond van de veronderstelling dat de onderlinge overeenkomsten wel moeten berusten op redactionele afhankelijkheid en niet kunnen worden toegeschreven aan de betrouwbare en gemeenschappelijke overlevering van het evangelie in een orale fase. 

DE DATERING VAN JOHANNES

We moeten voorzichtig zijn, met dergelijke dateringen, stelde Lalleman. Het is maar al te vaak gebeurd dat stellige uitspraken over de ouderdom van bij voorbeeld het evangelie naar Johannes moesten worden teruggenomen op grond van nieuw bewijsmateriaal. Zo werd lange tijd aangenomen dat het evangelie geschreven moest zijn in het midden of zelfs het einde van de tweede eeuw. De vondst in Egypte van een fragment van de tekst die gedateerd kon worden rond het jaar 100 – 125 maakte aan die hypothese een eind. Als het evangelie rond die tijd in die omgeving gevonden kan worden moet het al een behoorlijke tijd in omloop zijn geweest om van Efeze in Klein-Azië daar te belanden,  zodat de traditionele datering rond het jaar 80 zo vreemd nog niet is. Het evangelie naar Johannes is dan aan het eind van de eerste eeuw gepubliceerd.

MARKUS’ RELATIE MET PETRUS

Over Markus is nog meer te vertellen. Ook Lalleman ondersteunt het sterke vermoeden dat Markus in wezen de notities van de apostel Petrus uitwerkt. Het gaat om diens herinneringen en de inhoud van zijn verkondiging. Markus moet dat rond het jaar 65 zeker van Petrus gehoord hebben, met enige regelmaat zelfs. Er zou aanleiding kunnen zijn om de titel van het evangelie te wijzigen in: “Het evangelie volgens Petrus.” Ook Clemens, de bisschop van Rome die leefde als jongere tijdgenoot van Petrus, bevestigt deze gedachte. Evenals Irenaeus dat doet maar dan ná de dood van Petrus. Tenslotte kan in ieder geval worden gewezen op de invloed van het latijn in het Grieks dat Markus hanteert. Of dat impliceert dat het evangelie door iemand geschreven is die goed Latijn sprak of dat het in Rome vervaardigd moet zijn – ter versterking van de Petrus-hypothese – is niet duidelijk.

Vreemd genoeg is het oudste fragment van Markus een deel van de Chester Beatty collectie aangeduid als P-45, rond het jaar 200 geschreven. Het jongere evangelie naar Johannes heeft dus een oudere tekstgetuige!

Lalleman benadrukte dat de betrouwbaarheid van een evangelie in het geheel niet afhangt van de datering ervan. Het gaat er ook om of de schrijver een betrouwbare bron is en door de gemeente al vroeg werd geaccepteerd. In Johannes 21:20 en 24 vinden we een aanwijzing hoe die gemeentelijke ondersteuning een rol heeft gespeeld:

24 Dit is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen beschreven heeft; en wij weten dat zijn getuigenis waar is.

Wie zij die “wij” anders dan de gemeenten van Johannes die bij het rondgaan van deze brief deze woorden aan de tekst hebben toegevoegd?

HET EVANGELIE NAAR LUKAS

Bij Lukas zien we weer iets anders naar voren komen. Nadrukkelijk verklaart deze in Luk. 1:1-4 dat hij onderzoek gedaan heeft bij de ooggetuigen en inzage heeft gehad in de overleveringen – geschreven en mondeling.

1 Aangezien velen ter hand genomen hebben een verslag op te stellen van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben,
2 zoals zij die van het begin af ooggetuigen en dienaren van het Woord zijn geweest, aan ons overgeleverd hebben,
3 heeft het ook mij goedgedacht, na alles van voren af aan nauwkeurig onderzocht te hebben, het geordend voor u te beschrijven, hooggeachte Theofilus,
4 opdat u de zekerheid kent van de dingen waarin u onderwezen bent.

Het evangelie van Lukas – maar dat geldt ook voor de andere –  is nadrukkelijk niet alleen maar een preek of een verkondiging. Lukas wilde in zijn evangelie zelfs nadrukkelijk als historicus te werk gaan – zij het dan zonder de naturalistische aannames van de moderne geschiedwetenschap, en zonder het axioma dat alleen herhaalbare gebeurtenissen historisch beschreven kunnen worden. (De stelling dus dat het unieke zoals de opstanding, geen deel kan uitmaken van een historische relaas.)

  • Lukas wilde een verslag schrijven – dus een historisch relaas over de feiten.

  • Lukas wilde vast stellen hoe de “dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben” door de ooggetuigen en dienaren van het Woord beschreven zijn.

  • Lukas wilde dat “nauwkeurig” onderzoeken zodat er geen twijfel kon bestaan over de juistheid van zijn verslag en alle feitelijke mededelingen daarin.

  • Lukas wilde dit verslag een ordelijke indeling geven, die niet per se chronologisch maar wel thematisch kon zijn. (Zoals bij voorbeeld de gedeeltelijk geografische ordening van een verkondiging in Galilea (4:14-9:50) via het verweer in Judea (9:51-13:21) naar het bijzondere onderwijs in Perea (13:22-19:27).)

  • Lukas had niet tot doel mensen te bekeren, maar wel de bekeerden “zekerheid” te geven, d.w.z. dat deze ‘dingen” van het geloof in de verkondiging als vastgesteld konden gelden.

HISTORISCHE BETROUWBAARHEID

Lalleman had het al gezegd en hij herinnerde ons eraan: hoe oud een evangelie is, zegt niets over de betrouwbaarheid ervan. De betrouwbaarheid van de evangeliën krijgt wel ondersteuning van een aantal feiten. Bij voorbeeld dat het redelijk zeker is dat Markus een getuige als Petrus kon raadplegen. En dat Mattheus en Lukas zich op het verslag van Markus gebaseerd hebben. En het feit dat Lukas nadrukkelijk bronnenonderzoek gedaan heeft en dus “sceptisch” gekeken zal hebben naar zijn materiaal en bij tegenspraak en onzekerheid en falende geheugens zijn eigen conclusies heeft moeten trekken.

Een belangrijk punt voor Lalleman was het idee dat het bestaan van vier evangeliën juist als een vier-voudig getuigenis kan worden opgevat. De verschillende getuigen ondersteunen elkaar. Dat was in overeenstemming met zijn gedachte aan het begin van de lezing, dat de evangeliën “los” van elkaar geschreven zouden zijn. Op dit moment dacht ik echter: maar als literair en redactioneel van elkaar afhankelijk zijn, dan valt dit argument weg, omdat het dan geen zelfstandige getuigen zijn. Getuigen die van elkaar iets overnemen zijn onbetrouwbaar. Trouwens, als ze dan literair afhankelijk zouden zijn, zijn ze dan ook niet concurrenten van elkaar waar ze van elkaar verschillen? Alleen als ze gezamenlijk teruggaan op een gemeenschappelijke traditie kunnen ze als zelfstandige en verschillende getuigen elkaar aanvullen en bevestigen.

Staan we er wel eens bij stil dat wanneer een evangelist iets niet opneemt dat wel bij anderen voorkomt, dat niet een theologisch oordeel hoeft te zijn en zeker geen vergissing, maar simpel ligt aan het feit dat iets niet met voldoende zekerheid is bevestigd door de getuigen en schriftelijke bronnen? Denk maar aan de eerste Tempelreiniging die Johannes vermeldt in aanvulling op de tweede tempelreiniging waar de andere evangeliën over spreken. Laten zij het weg omdat zij er in hun bronnen te vage aanwijzingen voor hebben gehad? De apostelen bij voorbeeld bij voorkeur over deze tweede Tempelreiniging hebben gesproken?

Behalve deze interne aanwijzingen zijn er ook nog de externe. Het feit dat geschiedschrijvers buiten de kerk, vooral de joods geschiedschrijver Flavius Josephus, in hoofdlijnen de gebeurtenissen van het Nieuwe Testament bevestigen. Veel joodse bronnen die over deze tijd spreken ontkennen de feiten niet, maar wijken uiteraard af in hun oordeel. Voor wat betreft de vroege datering van Markus is het van belang dat de evangelie-boodschap van Paulus tussen 36 (bekering) en 62 (vermoedelijke martelaarsdood) dezelfde inhoud heeft gehad.

Wanneer de evangeliën geschreven zijn binnen tien of twintig jaar na de dood van Jezus is ook het aanwezig zijn van zovele getuigen van vele gebeurtenissen een rem op de fantasie. Wanneer evangelië in die periode sterk zouden afwijken van wat door de getuigen was gezien en doorgegeven, dan zou zo’n evangelie niet zijn aangenomen door de gemeente.

Tenslotte: de verschillen tussen de evangeliën demonstreren juist het feit dat het werkelijk om ooggetuigenverslagen gaat. Juist en volstrekt identiek verhaal zou de argwaan moeten wekken.

En dat brengt ons weer terug bij de notie van de literaire of redactionele afhankelijkheid. Ik stelde daar nog een vraag over – want ik heb de werken van F. David Farnell en Robert L.Thomas gelezen.

Mijn vraag was deze:

U stelde aan het begin van uw lezing dat de evangeliën los van elkaar geschreven zijn, maar u lijkt bij alles uit te gaan van de historisch-kritische aanname van de literaire afhankelijkheid van de evangeliën en u onderschrijft zelfs de hypothese van een bron Q. Is dat echter in overeenstemming t brengen met het feit dat u juist de aanwezigheid van ooggetuigen als belangrijk naar voren hebt geschoven? Zowel als bron van de teksten als ook als een rem op de fantasie, dus als argument voor de betrouwbaarheid? Wat is er tegen bij voorbeeld om te zeggen dat het Mattheus evangelie het oudste evangelie is en dat Markus een samenvatting geeft van dat evangelie – en hier en daar een langere versie gebruikt – voor een publiek in Rome?

Mattheus zou immers ook het getuigenis van Petrus hebben kunnen horen in Antiochië in Syrië waar Petrus lange tijd geweest is – en Markus kon met zijn evangelie én met de hulp van Paulus in Rome dan later – rond het jaar 60 – zijn evangelie hebben opgesteld.

Het leek Lalleman niet waar te zijn, maar alles was mogelijk. Hij meende van niet omdat je regelmatig kon zien waarom Mattheus anders was dan Markus, daar was dan steeds een reden voor te geven. Dus was er sprake van een bewuste overname en aanpassing van Markus binnen het Mattheus-evangelie. Het standaard argument dus van de historisch-kritische school.

Met dit enigszins teleurstellende slot was voor ons de conferentie afgelopen.

Een conferentie in Opheusden: de waarde van de Byzantijnse bijbelhandschriften

This entry is part 2 of 2 in the series NT-Grieks

Afgelopen zaterdag zijn Henneke en ik naar een conferentie gegaan in Opheusden, georganiseerd door het LOGOS-instituut. Wij wilden wel eens weten wat er gezegd zou worden over de twee grote onderwerpen van de conferentie. In de eerste plaats de betekenis van de schepping voor de moderne wetenschap – met name de biologie en de evolutietheorie. In de tweede plaats de kritiek op de moderne bijbelwetenschap (op het gebied van de handschriften, tekstkritiek, en de historische betrouwbaarheid van de Bijbel.

In een aantal bijdragen wil ik proberen onze indruk van deze conferentie weer te geven.

In deze eerste bijdrage een verslag van de lezing van A. Thomson: “Hoe komt het dat Bijbelhandschriften verschillen?”

2017-10-11_1030

Thomson begon met de stelling, dat voor het begrijpen van de Bijbelse tekst een aantal zaken nodig zijn. In de eerste plaats: levenservaring. De Bijbel wordt gelezen vanuit de optiek van je kennis, met name uiteraard van je geloofskennis. Zonder die geloofservaring is het onmogelijk in de betekenis van de tekst door te dringen, een factor die vaak over het hoofd wordt gezien. Bijbelstudie is geen “neutrale” aangelegenheid.

In de tweede plaats is er de zogenaamde “trifecta”, een benadering van de tekst met het gezonde verstand, die ongeveer omvat wat in de middeleeuwen werd gezien als de juiste voorbereiding op alle wetenschappelijke kennis: grammatica, logica en retoriek. Juist redeneren, begrijpen van de taal op een dieper niveau dan het alledaagse en inzicht in de verschillende taalvormen die gebezigd kunnen worden zoals allegorie, voorbeeld en vergelijking etc. is essentieel ook voor het begrijpen van de Schrift.

Naast deze elementen die iedereen kan verwerven zijn er de vormen van kennis die alleen bereikbaar zijn voor specialisten: de taalwetenschap bij voorbeeld, uiteraard van de Bijbelse grondtalen, maar ook de exacte vakken en de geschiedenis. Paleografie bij voorbeeld en inzicht in de geschiedenis van de volkeren van het Midden-Oosten is uiteindelijk de basis van het rechte verstaan van de Schrift.

Rond 1880, stelde Thomson, zie je een verschuiving optreden. Door de tekstkritiek en de Schriftkritiek die toen opkwamen wordt het onmogelijk om de Bijbel te lezen met het “gezonde verstand.” Factoren als geloofservaring en grammatica komen op de achtergrond en specialismen zoals paleografie en historische kennis worden dominant. Veelal is deze vakkennis echter in handen van seculiere wetenschappers die geen boodschap hebben aan de strekking van de Bijbel.

2017-10-11_1139

DE HANDSCHRIFTEN

De Bijbel is ons overgeleverd in de vorm van apografen, d.w.z. in kopieën van de oorspronkelijke teksten die “autografen” worden genoemd. Die laatste zijn verloren gegaan en toch kunnen we zeker weten dat in de apografen de tekst correct is doorgegeven.

Bij de beoordeling van de waarde van deze apografen is het van groot belang om te weten hoeveel malen een tekst is overgeschreven. Hier ligt een belangrijk knelpunt. Sommigen zullen zeggen dat, net als bij de fluisterketen, bij elke volgende kopie weer iets verloren zal gaan. Hoe meer kopieën, hoe meer kans op fouten.  Dat zou betekenen in de eerste plaats dat het oudste handschrift altijd het meest betrouwbaar is, en bovendien dat het minst overgeschreven exemplaar vermoedelijk dichterbij de autograaf zit. Maar het oudste handschrift zou weleens 4 of 5 stappen verwijderd kunnen zijn van het origineel, terwijl een veel jonger handschrift rechtstreeks teruggaat op een kopie van de eerste generatie. Het staat geenszins vast dat “oudste” altijd gelijkstaat aan “dichterbij het origineel, dat hangt af van het aantal schakels tussen de autograaf en de versie die we willen beoordelen. 

Toch brachten dergelijke redeneringen Westcott en Hort, twee Engelse linguïsten aan het eind van de 19e eeuw, ertoe om zich te baseren op net ontdekte manuscripten van de Bijbel. Met name de Codex Sinaïticus, ontdekt in een bibliotheek van een klooster in de Sinaï door Tischendorf en de Codex Vaticanus – bewaard in de Vaticaanse bibliotheek en geraadpleegd door Tregelles, leken hen betrouwbaarder toe dan de zogenaamde Textus Receptus die door Erasmus in de 16e eeuw was samengesteld.

Waarom deze beoordeling? In de eerste plaats: Sinaïticus en Vaticanus leken veel ouder te zijn dan de handschriften waarop de Textus Receptus was gebaseerd. (We hebben het hier over de handschriften van het Nieuwe Testament, want de overlevering van het Oude Testament is een geheel andere zaak.) In de tweede plaats: de handschriften van de Alexandrijnse traditie – de familie van handschriften ontdekt in Egypte, waartoe de Sinaïticus en de Vaticanus behoren – waren veel korter dan de zogenaamde Byzantijnse familie van handschriften waarop de Textus Receptus (vanaf nu: TR) behoorden. De theorie daarachter was dat een kopiist altijd de neiging zou hebben om toe te voegen. Een langer manuscript  – in de zin van meer woorden – suggereerde dus een groter aantal kopieën, en daarmee dus een groter aantal toevoegingen en vergissingen.

Is hier toch iets tegen in te brengen? Mocht het toch zo zijn dat de TR betere “papieren” heeft dan de kritische editie, dan zal er veel moeten schuiven, ook in de theologie. De kritische editie – van de UPS of van Nestle-Aland, tegenwoordig standaard in de theologische wereld – is immers gebaseerd voornamelijk op de handschriften uit de westerse of Alexandrijnse traditie. (De zogenaamde Alexandrinus is dus een Byzantijnse tekst, de Alexandrijnse tekst is vertegenwoordigd door Sinaïticus en Vaticanus.) Westcott en Hort zijn een traditie gestart waarin de Byzantijnse overlevering krachtig wordt bestreden. De King James vertaling net als de Nederlandse Statenvertaling zijn echter mede gebaseerd op de edities van Erasmus – door uitgever Elzevir later betiteld als de “textus receptus ab omnibus”, de door iedereen aanvaarde tekst. De belangrijkste tekstgetuige was hier de Codex Alexandrinus en de daaraan berwante Codex Bezae. Het Nieuwe Testament in die vertalingen is dus gebaseerd op het Byzantijnse teksttype. Iedereen die snel de NBV of de NBG-51 naast de Statenvertaling legt, ziet dan meteen hoeveel verschillen er zijn: uiteindelijk meer dan 8000!

Thomson wees op een aantal ongefundeerde aannames in deze kritische benadering. Ten eerste: de kans dat afgekeurde handschriften zou overleven is groter in de droge woestijngebieden dan in het veel nattere klimaat van Byzantium. In de tweede plaats: een grotere hoeveelheid kopieën kan óók betekenen dat men juist deze familie van handschriften van groter waarde achtte. Het is dus om die reden van groot belang dat de monniken in de Sinaï bezig waren met de bladzijden van de Sinaïticus een vuurtje te stoken. In hun ogen had dit afgekeurde manuscript juist geen enkele waarde. Dat was dan ook vermoedelijk de reden dat de Sinaïticus zelf niet overgeschreven werd, d.w.z. niet als standaard gehanteerd werd. Ten derde: de Byzantijnse tekstfamilie is ook te zien als de “majoritaire” tekst, d.w.z. de meerderheid van de handschriften komt min of meer overeen met de Byzantijnse tekst. Als er geen argument is, om aan het aantal kopieën het gebrek aan waarde af te lezen, is dit dus juist een argument in het voordeel van de Byzantijnse tekst.

Er is nog een argument en dat heeft een theologische en historische achtergrond. Wie waren het dan, die in Egypte handschriften van de Bijbel vervaardigden? In Egypte leefden maar weinig Christenen als een min of meer getolereerde minderheid. De Christelijke gemeenten daar hadden het moeilijk, ook om hun Christelijke leer zuiver te houden van allerlei ongewenste invloeden van buitenaf. Allerlei ketterijen konden daar floreren. Het is niet uit te sluiten dat in een dergelijk intellectueel klimaat allerlei kopieën werden vervaardigd door leken, in haast, met het oogmerk om de eigen theologische positie met een beroep op de handschriften te verdedigen. Dat was geheel anders in Byzantium waar een meerderheidskerk professionele kopiisten in dienst had, die met grote kennis van het Grieks – nog steeds hun moedertaal – nauwkeurig kopieën vervaardigden die werden getoetst aan oudere handschriften uit dezelfde familie. Bij hun werk waren vermoedelijk de Alexandrijnse tradities wel degelijk beschikbaar, maar deze westerse “lezingen” – de afwijkende versies van de tekst – werden in Byzantium als onjuist verworpen.

Toen Charles Lightfoot aan Westcott en Hort de opdracht gaf een revisie te maken van het engels van de King James vertaling, was hij er niet op voorbereid dat beide heren in plaats daarvan een editie van het Nieuwe Testament lieten verschijnen met de ondertitel: “in the original Greek”. Met de claim dus, dat hun, uitsluitend op de Sinaïticus en de Vaticanus gebaseerde traditie de enige juist was. Twee codices dus, die hun gezag pas hebben verworven aan het eind van de 19e eeuw! (Don Carson schijnt ooit gezegd te hebben dat dit een bijzonder werk van de voorzienigheid geweest moet zijn, namelijk dat God pas aan het eind van de 19e eeuw de tekst van de Bijbel weer hersteld heeft!)

HIJ DIE? OF “GOD” IN 1 TIM. 3:16? (Zie ook HIER.)

In zijn lezing gaf Thomson nog een aantal voorbeelden. De verwarring bij voorbeeld over 1 Tim. 3:16. Staat daar nu: “Hij die geopenbaard is in het vlees”  of staat daar “God, geopenbaard in het vlees”? In het Griekse handschrift is dat het verschil tussen een O zonder een middenstreep in het woord hOS (Hij die) of met middenstreep als afkorting van THEOS, d.i. God. In 1716 stelde Wettstein vast, dat de middenstreep in de Codex Alexandrinus – de zogenaamde “macron” – wel was bijgewerkt, maar dat de oude inkt van de oorspronkelijk middenstreep nog zichtbaar was. Er had dus THEOS gestaan. Maar in 1850 meent Tregelles dat de inkt van de macron als geheel van recente datum moest zijn. “hOS” was dus veel later bijgewerkt tot THEOS. De Alexandrinus kon zo in overeenstemming worden gebracht met de Sinaïticus die hOS had staan. En iedereen volgde daarna het oordeel van Tregelles. Wanneer we de dia’s zien die Thomson toonde van de Alexandrinus, kan er echter ook voor leken geen twijfel over zijn dat naast het bijgewerkte midden van de macron aan beide zijden nog een deel zichtbaar is van de oorspronkelijke middenstreep zodat Wettstein gelijk heeft gehad.

Opvallend is, dat in deze foto van de Sinaïticus 1 Tim. 3:16, genomen vanaf de website van de Sinaïticus, de macron inderdaad ontbreekt, maar wel de correctie (TH-E) van een latere kopiist. 

Hieronder 1 Tim. 3:16 in de Alexandrinus. Duidelijk is te zien dat de macron aanwezig was en de Alexandrinus dus oorspronkelijk THEOS gelezen had.

Interessant was ook de opmerking dat het verschuiven van Johannes 8 – het verhaal van de overspelige vrouw – in de verschillende teksten, niet betekent dat het niet oorspronkelijk tot de Bijbel behoord heeft zoals de moderne consensus luidt. Er zijn idd oudere handschriften gevonden waarin Johannes 8 ontbreekt. Maar de reden kan zijn, dat men het niet passend vond een verhaal over een overspelige voor te lezen in de kerkdienst en dat om die reden het gehele hoofdstuk aan het eind van Johannes werd geplaatst. Dat Johannes 8 dus niet in elke handschrift keurig tussen hoofdstuk 7 en 9 geplaatst is, zegt dus in het geheel niet, dat het hoofdstuk niet oorspronkelijk is. (Ondanks de opmerkingen van Dan Wallace daarover in de uitgave van de New English Translation.)

Waarom wordt tegenwoordig toch vastgehouden aan de kritische editie?

Hier kwamen een aantal opmerkingen van Thomson die we ons mogen aantrekken. In de eerste plaats sprak hij over de “verloedering in de taalwetenschap.” Nog maar weinigen konden vloeiend Grieks lezen, nog minder zijn daarnaast in staat andere talen te lezen die van betekenis zijn voor de kennis van het Nieuwe Testamentisch Grieks zoals Syrisch en Aramees. De tekstkritiek is bovendien vastgelopen in een overmatig technisch jargon en lijkt een sport te zijn geworden voor enkele ingewijden. Onder deze gesloten kring van experts wordt het steeds belangrijker de rijen gesloten te houden en geen inmenging van buiten meer te dulden. Een fraai voorbeeld is te vinden wanneer je de verschillende edities van Nestle-Aland met elkaar vergelijkt. In oudere edities wordt nog weleens bescheiden de opmerking “videtur” bij een lezing geplaatst. Het schijnt zo gelezen te kunnen worden, betekent dat. In latere edities is dit “vid.” dan echter verdwenen. Zonder reden, behalve dan met deze reden, dat de indruk gewekt moet worden dat de gegeven lezing boven alle twijfel verheven is. Juist bij 1 Tim. 3:16 kon worden aangetoond dat dat geenszins het geval is.

De conclusie kan niet uitblijven dat de meeste vertalingen die nu in het Nederlands beschikbaar zijn, op de verkeerde grondtekst teruggaan. Niet alleen dat, maar ook de vertaaltechnieken zijn gecorrumpeerd – gebrek aan kennis van het Grieks, gebrek aan gezond verstand en geloofsachtergrond, gebrek aan eerbied voor Gods Woord, hebben van de vertalingen een onbekwame chaos gemaakt.

Geldt dat ook voor de Herziene Statenvertaling? Jazeker! Thomson stelde vast, dat het hier om een “hobby-vertaling” ging, door iemand thuis gemaakt met Statenvertaling in de hand, om de SV voor jongeren wat toegankelijker te maken. Het monumentale werk van de SV die de Nederlandse taal gevormd heeft, die probeerde dichtbij de grondtekst te blijven, zonder de doeltaal, het Nederlands daarbij als maatstaf te gebruiken, is de enige mogelijke vertaaltechniek voor een boek als de Bijbel. We willen de Bijbelse tekst horen in onze eigen taal, zonder verlies van de oorspronkelijke betekenis, idioom en grammatica in de mate waarin dat mogelijk is. Uiteindelijk was het dus een hartstochtelijk pleidooi voor de Statenvertaling, en voor de oorspronkelijk Engelse Thomson, voor de King James-vertaling.

Tekstfamilies
De handschriften van het Nieuwe Testament zijn in te delen in de volgende tekstfamilies of teksttypen:
  • Byzantijnse tekst: ook wel: Koine of meerderheidstekst, een teksttype dat nogal laat (vanaf ca. 450) ontstond en duizend jaar lang liefdevol werd gekopieerd binnen de Byzantijnse kerk. Deels (Evangeliën) vertegenwoordigd in de Codex Alexandrinus (A02), verder vooral in de minuskels.
De grondtekst van de Statenvertaling, de vertaling van Luther en de King Jamesvertaling wordt (textus receptus) genoemd. Deze textus receptus is gebaseerd op een versie van de Byzantijnse meerderheidstekst, al zijn er verschillen.[12].

*) Minder zeker van zijn zaak was J. van Bruggen die ooit een artikel schreef over de waarde van de Byzantijnse teksttraditie.

Het gezag van de Schrift in de prediking

“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)

Het overkomt vaak studenten uit een christelijk gezin, die op de middelbare school of op de universiteit geconfronteerd worden met harde kritiek op de Bijbel. Ze beginnen te twijfelen. De antwoorden van vader en moeder zijn niet langer voldoende, en meestal weet de predikant er ook geen raad mee. Bovendien is het gezag van de gemeente gering in vergelijking met het gezag van de leraren waarmee een jonge student geconfronteerd wordt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel jonge mensen afhaken, aan de Bijbel hooguit de status van interessante verhalen toekennen, en op die wijze het vertrouwen verliezen in de Bijbel als Gods Woord.

Dat is echter niet mijn onderwerp. Waar ik vandaag over schrijven wil, is over het verschijnsel dat volwassen christenen, die nog kerkelijk actief zijn, net als vele predikanten, subtiele manieren hebben gevonden om aan het gezag van de Bijbel te ontkomen. Ze belijden de waarheid van de Schrift nog wel, maar in de praktijk speelt dat gezag geen rol. Veel predikanten zijn in hun opleiding bedolven onder een stortvloed van argumenten voor de liberale Schriftkritiek. Dat begint bij twijfels aan het auteurschap en de ouderdom van sommige teksten. Bijvoorbeeld: is er een profeet geweest die het boek Jesaja heeft geschreven? Ook als het antwoord is dat het boek van deze profeet in meerdere fasen van de geschiedenis tot stand is gekomen, kun je het gezag van die tekst nog wel handhaven. Het ligt moeilijker wanneer we bijvoorbeeld moeten nadenken over het auteurschap van het evangelie naar Johannes. Als het is geschreven door de apostel voor het einde van de eerste eeuw, dan berust het zeker ook op het geheugen van de apostel die getuige was van deze gebeurtenissen. Als het echter geschreven zou zijn door zijn leerlingen meer dan 30 jaar na de dood van de apostel, die hun geschrift op naam van Johannes hebben gesteld, dan moeten we het gaan rekenen tot de kerkgeschiedenis en niet tot de schriftelijke openbaring. Maar het gaat nog verder wanneer ze in de opleiding leren dat het Nieuwe Testament vol zit met culturele veronderstellingen, met een verouderd wereldbeeld dat niet meer te handhaven is, en dat alles in de Bijbel van haar mythische vorm moet worden beroofd. Wat we dan overhouden is een kern die ons in ons persoonlijk leven nog als troost en bemoediging en oproep tot “authenticiteit” kan aanspreken.

Natuurlijk, predikanten komen in hun opleiding ook de gedachte tegen, dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God zou zijn. Maar de universiteit is doordrongen van de liberale Schriftkritiek, dat wil zeggen dat een dergelijke opvatting als een rariteit uit het verleden wordt bijgezet in het museum. Alleen nog geschikt om mee bezig te zijn vanwege naïeve gelovigen in de gemeente.

Als predikanten dus geleerd hebben om het gezag van de Bijbel te negeren of zelfs in een poging om eerlijk te zijn tegen te spreken, wat moet de gemeente dan nog denken? Bij het lezen van de Bijbel kunnen gemeenteleden allerlei twijfels hebben. Vooral de passages uit het Oude Testament zijn ons welbekend, die steeds tot diepgaande zorgen aanleiding geven. Hoe zit het dan met de intocht in Kanaän. Met de overduidelijke genocide die daar gepleegd wordt. Gelukkig is dat dan het Oude Testament dat wij als christenen toch naast ons neer kunnen leggen – met uitzondering van de psalmen en het boek Genesis. Maar die vragen kunnen zich ook gaan uitbreiden in de richting van het Nieuwe Testament. Is het verhaal van de opstanding van Jezus een uiting van geloof zonder realiteit? Of is het een betrouwbaar ooggetuigenverslag – juist vanwege de inconsistenties tussen de evangelisten – dat ons een betrouwbare en historische grondslag geeft voor ons geloof?

Het gaat mij dus om mensen – gemeenteleden en predikanten – die de hele kwestie van het gezag van de Bijbel uit de weg willen gaan. Het gaat mij om christenen die eigenlijk niet langer het reformatorische beginsel van Sola Scriptura – alleen de Schrift – hanteren. Laat staan de toespitsing daarvan op het afgeleide beginsel van Tota Scriptura – heel de Schrift. Nog niet zolang geleden was in onze Hervormde Kerk het vanzelfsprekend dat de Bijbel gezag had omdat het de schriftelijke vorm was van Gods Woord. Respect voor Jezus als de hoogste autoriteit in de kerk was ondenkbaar zonder respect voor de Bijbel die Jezus als gezaghebbend citeerde en in Johannes 17 gelijkstelde aan de waarheid. Zonder de Schrift die door de Geest van Christus geïnspireerd was, hadden we ook geen enkel besef van wie Jezus was en is. Zo was het ook ondenkbaar om te tornen aan het idee, dat de Bijbel gezaghebbend was in alles wat zij leerde. Niet alleen maar inzake van geloof en leven, maar ook in haar weergave van historische realiteiten – hoewel het zeker noodzakelijk was om goed te letten op het genre zodat we de Bijbel niet gingen lezen als een handboek voor kosmologie of biologie.

Aan het gezag van de Bijbel was ons dus ooit veel gelegen. Daarom waren wij een kerk van de Reformatie. Wij hebben in onze traditie daarom altijd ook de noodzakelijkheid van de Schrift bevestigd. Al is het bij ons nooit zover gekomen dat wij ons letterlijk het beginsel van Calvijn hebben eigen gemaakt, dat de Schrift ook de enige norm en bron moest zijn van de inrichting van de eredienst. De grote waaier van rooms-katholieke invloeden op de inrichting van onze eredienst in de huidige tijd is daarvan het duidelijke bewijs. Maar toch, het was ons fundament. Zonder de schrift kon je Christus niet kennen. Als je Hem niet kende, kon je Hem niet eren. Waar zou de kerk echter toe dienen als zij haar Heer en Heiland niet zou kunnen eren?

Wat zijn nu “subtiele manieren” om je aan het gezag van de Bijbel te onttrekken?

1. Selectief zwijgen
Predikanten hebben zo hun lievelingspassages. Daarover kun je steeds weer opnieuw preken zodat de gemeente steeds een positieve en bemoedigende preek te horen krijgt. Het is zelden dat gepreekt wordt over een tekst die lijden en pijn als thema heeft. Het is zelden dat gepreekt wordt over Gods gerechtigheid, vooral als die in de vorm van oordeel en macht naar voren komt zoals vaak in het Oude Testament. Begrippen als straf en tucht zijn niet langer in de mode en daarom worden ook passages vermeden waarin dat naar voren komt. Wie van de predikanten durft nog te preken over de hel? Dat is een begrip dat zowel door Jezus als door de apostelen uitvoerig gebruikt wordt en vanzelfsprekend bij hun gedachtewereld hoort. Maar in onze preken wordt het zorgvuldig verwijderd om niet het predikaat “donder- en bliksempreek” op te roepen. Daarom wordt er ook niet gepreekt over zonde in het algemeen, over overspel, of over het homohuwelijk. Daarom wordt er ook niet gepreekt over de rolverdeling van mannen en vrouwen, of de rol van de vrouw in het ambt van predikant. Dat zijn zaken waar de gemeente immers verdeeld over is en omdat je niet wilt dat de ene helft van de gemeente wegloopt terwijl de andere applaudisseert, vermijd je dat soort onderwerpen maar.

In dit selectieve zwijgen is het duidelijk, dat de Bijbel haar gezag verliest omdat alleen die teksten nog aan de orde kunnen komen, die jouw eigen standpunt ondersteunen. (Of het algemeen gevoel van de gemeente ondersteunen.) Wanneer er passages in de Bijbel staan waarover wij niet kunnen preken, impliceert dat dat die passages niet Gods Woord zijn. Wanneer er passages zijn in de Bijbel waarover de gemeente alleen maar een negatief oordeel wil horen, zo in de trant van: wat jammer dat dat erin staat, of: ik begrijp dat u daar moeite mee hebt en ik ook, wordt zelfs nadrukkelijk het gezag van Gods Woord ondermijnd.

Ik heb het nu nog uitsluitend over de preken gehad, maar dit zet zich voort ook in andere verbale uitingen zoals in de catechese of de Bijbelkring. Wij dienen als predikanten ook te zwijgen over de waarde van het Nieuwe Liedboek om maar een ander pijnpunt te noemen – de toorn van kerkenraad, gemeente en organisten komt over je heen. We mogen als predikanten alleen maar zwijgen wanneer gastpredikanten het evangelie vervalsen, ook al is dat voor ieder mens die er aandacht aan geeft volstrekt helder te maken. Selectief zwijgen is een noodzakelijke overlevingsstrategie geworden voor een predikant die beseft, dat zijn baanzekerheid mede afhangt van het goede gevoel van de gemeente over zijn vriendelijkheid en inschikkelijkheid. De gemeente is niet geneigd om te begrijpen dat het Gods Woord is die een bepaalde prediking noodzakelijk maakt, en niet de vrije keuze van de predikant. Wanneer het Woord als negatief wordt beoordeeld, moet de schuld wel liggen bij de predikant die de verkeerde selectie maakte. Want waarom zou je de gemeente iets voorleggen, dat die gemeente onaangenaam in de oren moet klinken? Waarom zou je geen tekst kiezen voor de prediking, die het gehoor streelt? Of aansluit bij verwachtingen? Dat moet dan aan de recalcitrantie van de predikant liggen.

Onderbelichten en overbelichten

Een mooi voorbeeld van dit zwijgen is ook het verschijnsel van het onderbelichten van een passage of term. Ik geef als voorbeeld de prediking in de kersttijd over het evangelie naar Mattheus. Stel dat we voor kerstavond gekozen hebben voor een lezing uit Mattheus 1. De kerkenraad heeft al uitdrukkelijk gevraagd om de prediking op die avond toegankelijk te maken voor die buitenstaanders die maar één keer per jaar naar de kerk komen. Bij de uitleg van het geboorteverhaal komen we aan vers 20. “Terwijl hij deze dingen overwoog, zie, een engel van de Heere verscheen hem in een droom.” En even later: “wat in haar ontvangen is, is uit de Heilige Geest.” Wat moeten moderne mensen met deze “engel”, met deze “droom”, en met de “ontvangenis uit de Heilige Geest”? De gebruikelijke tactiek is het onderbelichten van dergelijke bewoordingen. We zeggen: “Jozef kwam vanuit zijn geloof en trouw, en vanuit zijn liefde tot Maria tot een beslissing haar niet te verstoten”. We zeggen: “omdat Jezus een bijzonder mens was, hebben de eerste christenen geloofd dat ook zijn geboorte bijzonder moest zijn, net als bij de keizer.”

Ziet u wat hier gebeurt? Door het op een andere manier te willen zeggen, verminderen we de realiteit waarnaar de tekst verwijst. Gods ingrijpen in het leven van Jozef, wordt een persoonlijke beslissing. De bovennatuurlijke geboorte van Jezus – het Woord dat vlees is geworden! – wordt een onderdeel van de mythe waarin uitsluitend de eerste christenen geloofd hebben. Zodat wij moderne mensen kunnen menen daar ver boven verheven te zijn, want wij hebben dergelijke sprookjes niet meer nodig.

Selectief zwijgen over de passages uit de Bijbel die aanstoot kunnen geven voor het moderne levensgevoel; selectief spreken over wat het moderne levensgevoel ondersteunt en het gehoor streelt; en het onderbelichten van alles in de Bijbel waar we van aannemen dat moderne mensen er toch niet meer in kunnen geloven, en ook niet meer in hoeven te geloven. Omdat tegelijkertijd de tekst van de Bijbel toch wordt naverteld lijkt het net alsof alles in orde is. Een gemiddeld kerklid hoeft het niet eens in de gaten te hebben dat er van dit zwijgen en selecteren en onderbelichten sprake is. Maar in werkelijkheid, voor iedereen die een dergelijke preek rustig nog eens naleest en vergelijkt met de strekking van de gebruikte passage uit de Bijbel, kan er geen twijfel zijn dat op subtiele wijze het gezag van de Schrift is omzeild.

2. Schaamte tegenover de tekst
Veel predikanten lezen een tekst, met name uit het Oude Testament, waarvoor ze in de preek verontschuldigingen aanreiken. Soms gebeurt dat rechtstreeks, door het nare gevoel te verwoorden dat iedereen in eerste instantie wel zal hebben, maar om het daar bij dan ook te laten. Soms gebeurt het indirect, door een Oudtestamentische tekst te contrasteren met een tekst uit het Nieuwe Testament.

We lezen bijvoorbeeld uit 2 Koningen 1 de geschiedenis van Elia. Dan komen we bij vers 10: “Toen kwam er vuur uit de hemel neer en dat verteerde hem en zijn vijftigtal.” God neemt het hier tegenover de gezalfdekoning van Israël Ahazia, op voor Zijn eigen eer. De koning heeft een afgod geraadpleegd vanwege zijn ziekte. Als de profeet hem het oordeel van de Heere aankondigt, stuurt de koning soldaten naar Elia om Hem daarvoor te straffen. Het wordt een strijd om de soevereiniteit. Wie is de waarachtige koning in Israël? De afgodendienaar Ahazia of de Heere God die spreekt door Zijn profeet?

Stel nu eens dat in de uitleg van deze passage de inzet van de strijd niet wordt vermeld. Er wordt alleen maar gezegd dat de koning ziek is, zoekt naar een genezing, en dan een woord van de profeet te horen krijgt, en dat die profeet met bovenmatige geweld onschuldige soldaten neerslaat met vuur uit de hemel. Opnieuw dus een voorbeeld van de onderbelichting van de strekking van een tekst. Daardoor wordt het heel makkelijk om de tekst te contrasteren met wat we lezen in Lukas 9. Wanneer de Samaritanen Jezus niet in hun dorp willen ontvangen, vragen Jacobus en Johannes: “Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook Elia gedaan heeft?” De discipelen maken dus een connectie met het verhaal van Elia, niet Jezus. Maar na de uitleg van het verhaal van Elia kan de predikant op een bijzondere wijze voortredeneren. Dat leidt tot deze schijnbaar fraaie conclusie. Jezus keurt hier af wat Elia gedaan heeft. Immers, “de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden.” De implicatie in de preek waarin deze beide passages met elkaar verbonden worden, is duidelijk. Elia heeft de zielen van mensen te gronde willen richten, maar Jezus daarentegen wil ze behouden. De Oudtestamentische tekst wordt dus alleen maar gebruikt om de houding van Jezus in scherp contrast te plaatsen. En de gemeente heeft het goed begrepen: het Oude Testament, het heilige boek van de Joden, staat vol met geweld, maar Jezus kwam die nare visie corrigeren. Hij zou hebben gewild dat de soldaten in leven waren gebleven.

Niets is echter verder van de waarheid. Dat is wat het selectieve zwijgen dan bewerkstelligt. Voor het gemak wordt vergeten, dat deze Jezus ook kon zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.” Zeker, Jezus is gekomen om zielen te behouden, maar dat impliceert dat sommigen “zullen gaan in de eeuwige straf” (Mat. 25:46). En Hij kon zeggen: “wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem” (Joh. 3:36).

Ziet u wat er gebeurt? Door de Oudtestamentische tekst te onderbelichten, en te contrasteren met een Nieuwtestamentische tekst, ontstaat er een overbelichting van de laatste. De reden van de strijd met de soldaten van de koning wordt weggelaten, en er wordt gesuggereerd dat Jezus’ weigering om vuur van de hemel te laten neerdalen, een bewijs is van Zijn allesomvattende vriendelijkheid. (Is het dan niet van belang dat beide teksten een geheel andere context hebben?) Maar in de eerste plaats zou Jezus het getuigenis van het Oude Testament nooit op die wijze verworpen hebben. In de tweede plaats is ook in het Nieuwe Testament de realiteit van Gods oordeel een belangrijke waarheid. In de derde plaats breng je, door die teksten op deze wijze met elkaar in verband te brengen, in feite alleen je eigen theologische mening naar voren. Terwijl de gemeente denkt dat de predikant bevestigt dat ze zich onrustig mag voelen door de teksten over Elia, en dat de predikant toch nauwkeurig de Bijbel heeft uitgelegd die duidelijk maakt dat Jezus een en al vriendelijkheid en liefde is. Ik noem dat een vervalsing van de Schrift in de preek. De schaamte over de tekst regeert en het inzicht in de diepte ervan ontbreekt. Wat overblijft is een tendentieuze prediking waarin de predikant meer zichzelf dan de waarheid heeft verkondigd.

Besluit
“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)
Wat zijn nu deze “schandelijke, verborgen praktijken”? In ieder geval is het de praktijk van het onderbelichten van een tekst, een eigen geheime agenda te hebben bij de uitleg van die tekst. Paulus verwijst met deze woorden het gedrag van een koopman op de markt. Een te hoge prijs rekenen, bijvoorbeeld voor wijn die je verkoopt als onvermengd maar intussen ruimschoots met water het aangelengd. Dat is een schandelijke praktijk.

Het onderbelichten van een tekst is als het aanlengen van de wijn met water, terwijl je doet alsof je het Woord van God zuiver uitlegt. Daarom is het bedrog. 

Wat is dan dit “vervalsen van het Woord van God”? Is het niet dit, dat we een tekst uitleggen volgens onze eigen intentie, en niet volgens de intentie van de schrijver zoals die blijkt uit de tekst? Het is om die reden dat de apostel Petrus zo nadrukkelijk stelt, dat “geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat.” Eigenmachtig wil zeggen dat we de tekst laten buikspreken om de boodschap te ondersteunen die wij zelf bedacht hebben.

In vers 5 vinden we de kern van de zaak. Het onderwerp van de prediking is niet wat wij zelf denken, ook niet onze eigen theologie, ook niet onze eigen hoogverheven of diepzinnige gedachten. Prediking is alleen maar het openbaar maken van de waarheid. En omdat die waarheid schriftelijk is vastgelegd in de Bijbel, is prediking niets anders wat Paulus aan Timotheüs schrijft: “predik het Woord.”

Predik het Woord

Predik het Woord, volhard daarin, gelegen of ongelegen, weerleg, bestraf, vermaan en dat met alle geduld en onderricht. (2 Tim. 4:2)

Al maandenlang denk ik na over het karakter van mijn prediking in de gemeente van IJmuiden. Vindt mijn prediking wel aansluiting bij het geloof van de gemeente? Zijn mijn preken niet te onderwijzend of te vermanend? Schenk ik voldoende aandacht aan de normale ervaringen van mijn gemeenteleden, die lang niet allemaal op hetzelfde niveau van geloof leven? Ben ik te zeer gericht op het onderwijs vanuit de Schrift en komt daardoor de bemoediging tekort?

Ik zou niet weten waar ik het antwoord op die vragen anders zou moeten zoeken, dan in het Woord van God zelf. De opdracht om te prediken heb ik bij mijn examen als predikant aanvaard als een opdracht om volgens het Woord te prediken. Ik heb zelfs de belofte afgelegd, dat ik mij zou verzetten tegen alles wat met de leer van het Woord van God in strijd is. Mijn kerkelijke opdracht is dus hetzelfde als de Bijbelse opdracht die Paulus hier verwoordt: “Predik het Woord.” Dat betekent in ieder geval dat ik me moet aansluiten bij de woorden die Paulus elders spreekt: “wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere” (2 Kor. 4:5).

Zonder deze Bijbelse en kerkelijke opdracht zou het leven een stuk eenvoudiger zijn. Als je elke zondag tussen de 20 en 30 minuten mag spreken over een onderwerp dat je zelf wel aardig vindt, en dat je nuttig vindt voor de toehoorders, dan ben je zo klaar. Maar de opdracht van een predikant is helemaal niet gering. Hij is verantwoordelijk voor zijn prediking in de eerste plaats tegenover God zelf. Maar toch is er een gemeente die over zijn prediking ongetwijfeld een oordeel heeft. Het is goed dat de gemeente beseft vanuit welke opdracht een predikant moet spreken. Daarom zal deze tweede brief aan Timotheüs ongetwijfeld in Efeze en op andere plaatsen in de gemeente zijn voorgelezen. Als de gemeente de opdracht aan de predikant niet ondersteunt, wordt zijn leven buitengewoon moeilijk. Laten we daarom eens kijken naar een deel van de tekst die de opdracht aan de predikant definieert.

Paulus en de gemeente van Efeze

Paulus heeft grote zorgen om de gemeente van Christus in Efeze. In de laatste brief die hij geschreven heeft voor zijn dood, roept hij zijn leerling Timotheüs daarom op om vol te houden. Ondanks de moeilijke tijden die in Efeze zijn aangebroken. Deze tweede brief aan Timotheüs laat veel van die zorg zien, en de opdracht van de plaatsvervanger van Paulus in die gemeente is dan ook een behoorlijk zware opdracht.

Veel vooral jonge predikanten vragen zich in onze tijd af met welke strategie ze de gemeente moeten onderwijzen en het evangelie moeten verkondigen. Ze zoeken naar een “strategie” zoals een bedrijf probeert een onpopulair en onbekend product te slijten aan de massa. Daar is een campagne voor nodig, en er moet reclame worden gemaakt en een goede prijsstelling binnen de markt. Het is een manier van denken die ook de kerk is binnengeslopen. Hoe kunnen we het evangelie aanvaardbaar maken voor moderne mensen? Hoe kunnen we onze erediensten aantrekkelijk maken voor jongeren? Hoeveel van de moderne cultuur moeten wij opnemen, zodat er tenminste nog gesproken kan worden over God en Christus? Misschien moet de prijs van het evangelie wel drastisch worden verlaagd, misschien moeten we in ons optreden naar buiten toe – onze reclame – de kerkelijke taal vermijden en aansluiten bij de beleving van moderne mensen. Ondanks al die mooie strategieën worden onze kerken steeds leger.

Al het onderwijs dat ik in mijn opleiding heb ontvangen over het vinden van de juiste strategie, over het rekening houden met het karakter van de gemeente, over de aansluiting van de Bijbel met de ervaringen van de mensen, dat alles zou ik graag hebben ingeruild voor een goede heldere exegese van deze brief van Paulus. Want eigenlijk staat het hier allemaal al. De grondslag van het ambt in de kennis van het Woord van God bijvoorbeeld in het derde hoofdstuk: “Blijft u echter bij wat u geleerd hebt en waarvan u verzekerd bent….” en alles wat daarna volgt over het karakter en het nut van de Schrift. De zware verantwoordelijkheid, niet tegenover de gemeente, maar tegenover “God en de Heere Jezus Christus, die levenden en doden zal oordelen…” aan het begin van hoofdstuk 4. Dan de opdracht zelf die ik hierboven geciteerd heb, en dan de diagnose: “Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen…” (vers 3).

Diagnose: de verdeeldheid van de gemeente

Om met dat laatste te beginnen: hoe is dan de diagnose van onze gemeente? Het zal niet veel verschillen van andere gemeenten binnen onze Protestantse Kerk. Er zijn mensen die naar de kerk gaan omdat ze dat van jongs af aan gewend zijn. Er zijn mensen die gaan omdat ze gesteld zijn op de liederen en elkaar graag willen ontmoeten. Vanwege vriendschappen die soms meer dan een halve eeuw terug gaan. Wat het geloof betreft zijn er ongetwijfeld mensen die uit een gelovig nest komen, en alles met de paplepel hebben meegekregen. De Bijbelse woorden zijn hun vertrouwd en ze geloven die woorden met heel hun hart. Maar tussen deze beide uitersten in, zijn er ongetwijfeld ook mensen die bezig zijn hun geloof en hun betrokkenheid bij de kerk te verliezen. Je ziet ze niet elke zondag meer. Ze staan met één been buiten de kerk en hebben de moderne cultuur meer lief dan het evangelie. Sommigen staan aarzelend op de rand van de bekering, onzeker of ze het evangelie voluit moeten omhelzen of een kritische distantie in acht moeten nemen. En dan zijn er nog de mensen voor wie het geloof een vanzelfsprekendheid is en die in de kerk liever bezig zijn met de praktische vragen waar ze elke dag op stuiten. Hoe heb ik mijn naaste lief? Hoe ver moet ik gaan in mijn zorg voor anderen? Of, als hun bezorgdheid voortkomt uit het krantenbericht van zaterdag, dan willen ze op zondag horen hoe het dan zit met de Islam, of met de zorg voor vreemdelingen, of het geweld in de wereld.

Het is onmogelijk dat een predikant in een preek al deze mensen geven kan wat zij naar hun eigen oordeel nodig hebben. Maar het is de vraag of dat ook de norm kan zijn. De diagnose die Paulus al gaf, lijkt onverkort ook van kracht voor onze tijd. Mensen zullen zoeken wat het gehoor streelt, zegt hij. Wat het gehoor streelt, is altijd wat je al wist. Wat het gehoor streelt, is wat jou een goed gevoel geeft over jezelf. Wat het gehoor streelt, is een troostend woord waardoor je je eigen moeilijkheden even kunt vergeten. Wat veel gemeenteleden verwachten van de preek, wordt door Paulus hier gekarakteriseerd als een uitvloeisel van persoonlijke behoeften en voorkeuren. Het maakt niet uit of mensen de waarheid horen, als het maar hun gehoor streelt en overeenkomstig hun eigen begeerten is. Feilloos wijst Paulus het hart van dit probleem aan: “ze zullen zich van de waarheid afkeren en zich keren tot verzinsels.”

Prediking als zorg om de waarheid

Ongetwijfeld veronderstelt Paulus hier, dat de prediking van het Woord een prediking van de Waarheid is. Een preek is geen suggestie om de wereld eens anders te bekijken. Een preek is geen poging om te entertainen, te coachen, te adviseren, te overtuigen van de vriendelijkheid van de prediker, en het is zeker geen peptalk waardoor iemand zich goed kan gaan voelen. Met de Schrift, zegt Paulus, wordt onderwezen, maar ook weerlegd en verbeterd en opgevoed – 2 Tim. 3:16. Er is een waarheid in het geding, die besloten ligt in het Woord van God, die “de overleggingen en gedachten van het hart” oordeelt. Het Woord van God is “levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard” (Hebr. 4:12).

Waarom moet de gemeente met aandacht luisteren naar het woord van haar predikanten? Omdat deze voorgangers “het Woord van God tot u gesproken hebben”. Waarom wordt de gemeente opgeroepen deze voorgangers werkelijk te gehoorzamen? Omdat “zij waken over uw zielen”. Waarom wordt de gemeente opgeroepen om te bidden juist voor de voorgangers? – “omdat zij rekenschap moeten afleggen”, en een grotere verantwoordelijkheid dragen dan anderen, en “opdat zij dat mogen doen met vreugde en niet al zuchtend” (Hebr. 13:7). Maar de gemeente zal moeten begrijpen, dat de maatstaven die zij aanlegt voor haar predikant geen andere mogen zijn, dan de maatstaven die het Woord van God aan die predikanten oplegt. De gemeente moet beoordelen of de predikant zijn Bijbelse opdracht trouw is. De maatstaf is dus nadrukkelijk niet, of de prediking het gehoor streelt en overeenkomstig de eigen verlangens is.

In zijn prediking spreekt een predikant in zijn eigen gemeente tegen mensen die hij kent, van wie sommigen het allemaal al denken te weten, anderen aarzelend staan tegenover het evangelie, weer anderen afgeleid zijn door hun dagelijkse zorgen, weer anderen met één been buiten de kerk zijn gaan staan en weer anderen die verdwaald zijn en eigenlijk door hun ongeloof in de kerk niets te zoeken hebben, en tenslotte ook nog tegen gelovigen die onderwijs nodig hebben om in hun geloof gesterkt en gevoed te worden.

Prediking volgens de gezonde leer

Paulus zegt niet tegen Timotheüs dat hij een strategie moet ontwikkelen om al deze verschillende groepen op een eigen en passende wijze aan te spreken. De opdracht die Paulus zelf van de Heere ontvangen heeft, geeft hij door aan zijn leerling Timotheüs. In drie Nederlandse woorden: predik het Woord. Wat God zegt tegen de gemeente moet door de predikant worden vertolkt. Het moet onderwijs zijn en dus “gezonde leer.” Die “leer” is de samenvatting van het Bijbelse verhaal, de hoofdpunten van het evangelie, de waarheid die God geopenbaard heeft, dat alles is “leer”. Het ligt voor ons fundamenteel vast in de belijdenis en in de Catechismus, en de predikant – maar niet alleen hij, ook de gemeente – leert het kennen door het bestuderen van de werken van de grote leraren van vroeger. Het Woord van God moet worden gepredikt, zoveel als maar mogelijk is in overeenstemming met de gezonde leer, en dat betekent voor ons: de gereformeerde traditie. De prediking kan dan niet alleen maar troostend en bemoedigend zijn. Het is ook en altijd onderwijs, weerlegging en verbetering. Dat wil zeggen, de prediking probeert onwetendheid over het evangelie in Christus te veranderen in wijsheid en kennis; foutieve gedachten en aannames over Gods waarheid tegen te spreken en ten goede te keren; onzekere en onjuiste overtuigingen over Gods wil te corrigeren en zo alles te doen om de gemeente een opvoeding te geven. Zoals een leraar een klas opvoedt, zoals ouders hun kinderen opvoeden.

Gelegen of ongelegen

Predik het Woord dus. Ik denk dat dat alleen waar wordt, als we de methode van de expositie volgen. De tekst bepaalt het thema, het verloop van de argumenten, roept de illustraties op en niet omgekeerd, loopt uit in een toepassing van de Bijbel op het leven – en niet de toepassing van het leven op de Bijbel. Timotheüs wordt daarbij zelfs opgeroepen om te volharden, om aan te dringen, om ervoor te staan, allemaal betekenissen van dat Griekse woord dat daar gebruikt wordt. Dan staat er ook nog: gelegen of ongelegen. Letterlijk: volgens een goede tijd en tegen de goede tijd in. Het Griekse woord “kairos” is tijd in de zin van het goede en passende moment. Een huwelijksdatum is een “kairos” – de zinvolle tijd –, terwijl de tijd die verstrijkt volgens de klok op het nachtkastje eerder met het woord “chronos” wordt aangeduid – de vergleidende tijd. Gelegen of ongelegen slaat op de situatie waarin de prediker zich bevindt. Het gaat erom dat hij het Woord moet prediken of het hem nu uitkomt en voor hem de passende tijd is, of dat hij zich wat ongelukkig voelt, aarzeling moet overwinnen, en het voor hem helemaal niet een passende tijd is. Overigens, een vers als dit geeft geen legitimatie aan onbeschoftheid. Een woord opdringen aan anderen, die je bijvoorbeeld ontmoet in familiekring, of bij een huwelijksfeest, heeft niets te maken met gelegen of ongelegen, maar wel met gebrek aan beleefdheid.

Het kan heel ongelegen zijn, om het Woord van Christus te prediken volgens de gezonde leer in een tijd waarin mensen zoeken wat het gehoor streelt. Veel predikanten zijn daarbij gesneuveld. Het Woord wordt vervangen door een tekst, de uitleg van die tekst wordt vervangen door een opbeurend praatje, het opbeurende praatje wordt overschaduwd door een anekdote uit het dagelijks leven. Het resultaat is precies volgens de verwachting van veel gemeenteleden: evangelisch nietszeggend, zonder vermaning, troostend vanwege mooie losse woorden, een ruwe en primitieve poëzie die het goede gevoel wil opwekken, maar het hart en het verstand hongerig laat. De alledaagse ervaring domineert het Woord. God spreekt niet tegen ons, wij spreken tenslotte alleen nog tegen elkaar.

Het lot van een Kerk zonder het Woord

In sommige steden zijn de grote kerken leeg. Op de zondag morgen blijft het donker want de gelovigen van Hervormde of Gereformeerde komaf hebben al lang ontdekt dat in hun kerken geen geestelijk voedsel meer wordt aangereikt. Ook in Leeuwarden staan de kerken leeg en zijn sommigen al verkocht om te worden omgebouwd tot appartementen. Maar in een van de wijken van Leeuwarden staat een gemeente met 1800 leden. De leden daarvan hebben de verplichting op zich genomen om elke week een bijbelstudie te volgen. En dat is naast de wekelijkse Bijbelstudie op een dag in de week die ze óók volgen. Op zondagmorgen na de dienst gaan ze elk naar hun eigen lokaal, want ze zijn verdeeld over meerdere klassen of leergangen. Permanente educatie van een gelovige door Bijbelstudie – in die gemeente wordt het als voorwaarde gesteld. De toegang is daardoor moeilijker geworden. Maar in die kerk gaat op zondag het licht aan en de kachel niet uit als niet alleen de lofzang is gezongen uit 1800 kelen, want er wordt in het hele gebouw in groepjes van 40 man aan diepgaande Bijbelstudie gedaan. Zo’n gemeente is in dit opzicht “volmaakt en toegerust tot elk goed werk” (2 Tim. 3:16, 17). Het is Bijbelstudie volgens de leer en gericht op het leven.

Waarom zien we zo vaak in die buiten kerkelijke gemeenten, zoveel mensen die eerder bij de Protestantse kerken zijn afgehaakt? Is het niet eenvoudig hierom: als je als gelovige voeding zoekt vanuit Gods Woord, heb je in verreweg de meeste van onze Protestantse gemeenten niets te zoeken. Wij sukkelen voort op de oude weg, van aanpassing aan de cultuur, van troostende praatjes, en we willen niets weten van een intense studie van Gods Woord. Zolang we ons over alle andere dingen druk maken in de kerk, over financiën, zaalverhuur, de verwarming, de geluidsinstallatie, het lekkende dak, de diaconale doelen, het aantal huisbezoeken per week, kunnen we onszelf als toegewijde christenen zien. De studie van Gods Woord is voor ons een sluitpost geworden. De meesten van ons zien het nut er niet van in. Ik betreur dat zeer.

Gods Woord wijst ons een andere weg.

KOINONIA LIVE! #12 – de vijf “fundamentals”- 18 April 2017

This entry is part 13 of 73 in the series BROADCAST

De “Five Fundamentals” markeren het verschil tussen Bijbelgetrouw Christendom en het modernisme. In deze aflevering bespreek ik die “Fundamentals” vanuit de Gereformeerde Traditie tegenover het modernisme van Harry Kuitert.

De Fundamentals zijn:
1. De volkomenheid van de Schrift
2. De godheid van Jezus (of: de maagdeijke geboorte)
3. Christus’ plaatsvervangend sterven
4. Christus’ lichamelijke opstanding
5. De echtheid van Christus’ wonderen

De overspelige vrouw en Jeremia

Job Borg vroeg:

Ik heb uw college op you tube (over o.a.de overspelige vrouw) volledig bekeken. Interessante video! Deze tekst uit Johannes zou volgens u niet in de oorspronkelijke versie van het NT voorkomen.

-Pint u zich nu niet erg vast op de kopieen uit de 2e eeuw?

-wat doet u met de duidelijke verwijzing in dezeJohannes-tekst naar Jeremia? Nieuwe testament legt hier toch een mooie link naar het Oude Testament?

vr.gr. Job Borg

Mijn antwoord was:

Bruce Metzger zei over deze “pericope adulterae”: “het bewijs voor een herkomst van deze perikoop van de overspelige vrouw buiten Johannes is overweldigend.”
De passage wordt in de belangrijkste handschriften weggelaten, inderdaad vooral in die van het Alexandrijnse teksttype. Maar van de zogenaamde westerse manuscripten heeft alleen codex D (een 9e eeuwse copie van de Claromontanus uit de 6e eeuw) deze passage. Het komt eigenlijk alleen voor in teksten van het Byzantijnse teksttype – en dat is in mijn ogen inderdaad een secundaire tekstgetuige. Ik lees de Byzantijnse tekst als een soort “commentaar” op de tekst, die ik vooral terugvind in de tekstgetuigen van het Alexandrijnse type en de vroege mss.
(Jammer dat de briljante Statenvertalers met een dergelijke slechte tekst (de Textus Receptus) moesten werken.)
Het ligt echter genuanceerder als we naar het interne bewijs kijken.
  • Zo valt de passage keurig in de context.
  • Er zit inderdaad een verwijzing in naar Jesaja 9:1, 2. (De verwijzing naar Jeremia heb ik niet gezien.)
  • Jezus heeft zichzelf beschreven als het licht van de wereld, en nu komt deze vrouw als het ware in dat licht te staan.
Maar er zijn ook argumenten tegen de authenticiteit van de passage.
  • Zo kun je de tekst weglaten zonder dat de voortgang van het evangelie wordt verstoord.
  • En misschien het belangrijkste: de stijl van de passage klopt niet met de rest van het evangelie, in woordkeus maar ook niet met de grammatica. Dat is bijvoorbeeld nog door Wallace betoogd in 1993.
  • De voortgang van de dagen is juist niet helemaal logisch te noemen.
Toch is de tekst heeft vele opzichten en briljante toevoeging, zodat ik het nodig vond om er toch commentaar op te geven in mijn boek over het evangelie naar Johannes. Het enige dat mij stoort is wat we lezen in 8:11, namelijk dat Jezus niet zegt: “ook ik veroordeel u niet, ga, en wees verzekerd van Gods vergeving”, of: “uw zonden zijn u vergeven”, maar veeleer een moralistische uitspraak doet, namelijk: “zondig niet meer”. Ik heb het gevoel dat dat niet helemaal klopt met de strekking van dit evangelie, dat wil laten zien dat alleen het geloof in Jezus als de Zoon van God vergeving van zonden kan schenken.
Mag ik jouw vraag en dit antwoord op de site plaatsen? Ik zou het leuk vinden als ook anderen bij onze kleine discussie betrokken konden raken.
De verwijzing naar Jeremia – die ik niet zag – is zoals Job aangaf te vinden in  Jeremia 17:13, waar we lezen
“13 HEERE, Hoop van Israël,
allen die U verlaten, zullen beschaamd worden.
Wie zich van mij afkeren, zullen in de aarde worden geschreven,
want zij hebben de bron van het levende water, de HEERE, verlaten.”
Dat vind ik wel een mooie vondst, al blijf ik met de vraag zitten hoe we dat hier moeten toepassen.
Mooi toch, zo’n kleine discussie? Ik heb er wat van geleerd!
Daarom: