De vijf kenmerken van een goed gemeentelijk lied – KOINONIA LIVE! #14

This entry is part 15 of 73 in the series BROADCAST

Vandaag over het artikel van Matt Boswell over de kenmerken van een goed kerklied. Besproken worden ook Psalm 96, Kol. 3:16 en 1 Kron. 16.
En heel kort ook nog Lied 812 uit de Nieuwe Liedbundel, van Huub Oosterhuis.

Een goed kerklied moet:
1. Gericht zijn tot God en over God gaan.
2. Bijbels zijn, verzadigd van Gods Woord.
3. Wijzen naar het evangelie, dus: de heilige God, de menselijke zonde, Christus’ tussenkomst en ons gelovig antwoord bevatten.
4. Werkelijk gemeentelijk zijn: een collectief zingt, niet een individu.
5. Evangeliserend zijn: het evangelie proclameren tegenover een ongelovige wereld.

Het gezag van de Schrift in de prediking

“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)

Het overkomt vaak studenten uit een christelijk gezin, die op de middelbare school of op de universiteit geconfronteerd worden met harde kritiek op de Bijbel. Ze beginnen te twijfelen. De antwoorden van vader en moeder zijn niet langer voldoende, en meestal weet de predikant er ook geen raad mee. Bovendien is het gezag van de gemeente gering in vergelijking met het gezag van de leraren waarmee een jonge student geconfronteerd wordt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel jonge mensen afhaken, aan de Bijbel hooguit de status van interessante verhalen toekennen, en op die wijze het vertrouwen verliezen in de Bijbel als Gods Woord.

Dat is echter niet mijn onderwerp. Waar ik vandaag over schrijven wil, is over het verschijnsel dat volwassen christenen, die nog kerkelijk actief zijn, net als vele predikanten, subtiele manieren hebben gevonden om aan het gezag van de Bijbel te ontkomen. Ze belijden de waarheid van de Schrift nog wel, maar in de praktijk speelt dat gezag geen rol. Veel predikanten zijn in hun opleiding bedolven onder een stortvloed van argumenten voor de liberale Schriftkritiek. Dat begint bij twijfels aan het auteurschap en de ouderdom van sommige teksten. Bijvoorbeeld: is er een profeet geweest die het boek Jesaja heeft geschreven? Ook als het antwoord is dat het boek van deze profeet in meerdere fasen van de geschiedenis tot stand is gekomen, kun je het gezag van die tekst nog wel handhaven. Het ligt moeilijker wanneer we bijvoorbeeld moeten nadenken over het auteurschap van het evangelie naar Johannes. Als het is geschreven door de apostel voor het einde van de eerste eeuw, dan berust het zeker ook op het geheugen van de apostel die getuige was van deze gebeurtenissen. Als het echter geschreven zou zijn door zijn leerlingen meer dan 30 jaar na de dood van de apostel, die hun geschrift op naam van Johannes hebben gesteld, dan moeten we het gaan rekenen tot de kerkgeschiedenis en niet tot de schriftelijke openbaring. Maar het gaat nog verder wanneer ze in de opleiding leren dat het Nieuwe Testament vol zit met culturele veronderstellingen, met een verouderd wereldbeeld dat niet meer te handhaven is, en dat alles in de Bijbel van haar mythische vorm moet worden beroofd. Wat we dan overhouden is een kern die ons in ons persoonlijk leven nog als troost en bemoediging en oproep tot “authenticiteit” kan aanspreken.

Natuurlijk, predikanten komen in hun opleiding ook de gedachte tegen, dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God zou zijn. Maar de universiteit is doordrongen van de liberale Schriftkritiek, dat wil zeggen dat een dergelijke opvatting als een rariteit uit het verleden wordt bijgezet in het museum. Alleen nog geschikt om mee bezig te zijn vanwege naïeve gelovigen in de gemeente.

Als predikanten dus geleerd hebben om het gezag van de Bijbel te negeren of zelfs in een poging om eerlijk te zijn tegen te spreken, wat moet de gemeente dan nog denken? Bij het lezen van de Bijbel kunnen gemeenteleden allerlei twijfels hebben. Vooral de passages uit het Oude Testament zijn ons welbekend, die steeds tot diepgaande zorgen aanleiding geven. Hoe zit het dan met de intocht in Kanaän. Met de overduidelijke genocide die daar gepleegd wordt. Gelukkig is dat dan het Oude Testament dat wij als christenen toch naast ons neer kunnen leggen – met uitzondering van de psalmen en het boek Genesis. Maar die vragen kunnen zich ook gaan uitbreiden in de richting van het Nieuwe Testament. Is het verhaal van de opstanding van Jezus een uiting van geloof zonder realiteit? Of is het een betrouwbaar ooggetuigenverslag – juist vanwege de inconsistenties tussen de evangelisten – dat ons een betrouwbare en historische grondslag geeft voor ons geloof?

Het gaat mij dus om mensen – gemeenteleden en predikanten – die de hele kwestie van het gezag van de Bijbel uit de weg willen gaan. Het gaat mij om christenen die eigenlijk niet langer het reformatorische beginsel van Sola Scriptura – alleen de Schrift – hanteren. Laat staan de toespitsing daarvan op het afgeleide beginsel van Tota Scriptura – heel de Schrift. Nog niet zolang geleden was in onze Hervormde Kerk het vanzelfsprekend dat de Bijbel gezag had omdat het de schriftelijke vorm was van Gods Woord. Respect voor Jezus als de hoogste autoriteit in de kerk was ondenkbaar zonder respect voor de Bijbel die Jezus als gezaghebbend citeerde en in Johannes 17 gelijkstelde aan de waarheid. Zonder de Schrift die door de Geest van Christus geïnspireerd was, hadden we ook geen enkel besef van wie Jezus was en is. Zo was het ook ondenkbaar om te tornen aan het idee, dat de Bijbel gezaghebbend was in alles wat zij leerde. Niet alleen maar inzake van geloof en leven, maar ook in haar weergave van historische realiteiten – hoewel het zeker noodzakelijk was om goed te letten op het genre zodat we de Bijbel niet gingen lezen als een handboek voor kosmologie of biologie.

Aan het gezag van de Bijbel was ons dus ooit veel gelegen. Daarom waren wij een kerk van de Reformatie. Wij hebben in onze traditie daarom altijd ook de noodzakelijkheid van de Schrift bevestigd. Al is het bij ons nooit zover gekomen dat wij ons letterlijk het beginsel van Calvijn hebben eigen gemaakt, dat de Schrift ook de enige norm en bron moest zijn van de inrichting van de eredienst. De grote waaier van rooms-katholieke invloeden op de inrichting van onze eredienst in de huidige tijd is daarvan het duidelijke bewijs. Maar toch, het was ons fundament. Zonder de schrift kon je Christus niet kennen. Als je Hem niet kende, kon je Hem niet eren. Waar zou de kerk echter toe dienen als zij haar Heer en Heiland niet zou kunnen eren?

Wat zijn nu “subtiele manieren” om je aan het gezag van de Bijbel te onttrekken?

1. Selectief zwijgen
Predikanten hebben zo hun lievelingspassages. Daarover kun je steeds weer opnieuw preken zodat de gemeente steeds een positieve en bemoedigende preek te horen krijgt. Het is zelden dat gepreekt wordt over een tekst die lijden en pijn als thema heeft. Het is zelden dat gepreekt wordt over Gods gerechtigheid, vooral als die in de vorm van oordeel en macht naar voren komt zoals vaak in het Oude Testament. Begrippen als straf en tucht zijn niet langer in de mode en daarom worden ook passages vermeden waarin dat naar voren komt. Wie van de predikanten durft nog te preken over de hel? Dat is een begrip dat zowel door Jezus als door de apostelen uitvoerig gebruikt wordt en vanzelfsprekend bij hun gedachtewereld hoort. Maar in onze preken wordt het zorgvuldig verwijderd om niet het predikaat “donder- en bliksempreek” op te roepen. Daarom wordt er ook niet gepreekt over zonde in het algemeen, over overspel, of over het homohuwelijk. Daarom wordt er ook niet gepreekt over de rolverdeling van mannen en vrouwen, of de rol van de vrouw in het ambt van predikant. Dat zijn zaken waar de gemeente immers verdeeld over is en omdat je niet wilt dat de ene helft van de gemeente wegloopt terwijl de andere applaudisseert, vermijd je dat soort onderwerpen maar.

In dit selectieve zwijgen is het duidelijk, dat de Bijbel haar gezag verliest omdat alleen die teksten nog aan de orde kunnen komen, die jouw eigen standpunt ondersteunen. (Of het algemeen gevoel van de gemeente ondersteunen.) Wanneer er passages in de Bijbel staan waarover wij niet kunnen preken, impliceert dat dat die passages niet Gods Woord zijn. Wanneer er passages zijn in de Bijbel waarover de gemeente alleen maar een negatief oordeel wil horen, zo in de trant van: wat jammer dat dat erin staat, of: ik begrijp dat u daar moeite mee hebt en ik ook, wordt zelfs nadrukkelijk het gezag van Gods Woord ondermijnd.

Ik heb het nu nog uitsluitend over de preken gehad, maar dit zet zich voort ook in andere verbale uitingen zoals in de catechese of de Bijbelkring. Wij dienen als predikanten ook te zwijgen over de waarde van het Nieuwe Liedboek om maar een ander pijnpunt te noemen – de toorn van kerkenraad, gemeente en organisten komt over je heen. We mogen als predikanten alleen maar zwijgen wanneer gastpredikanten het evangelie vervalsen, ook al is dat voor ieder mens die er aandacht aan geeft volstrekt helder te maken. Selectief zwijgen is een noodzakelijke overlevingsstrategie geworden voor een predikant die beseft, dat zijn baanzekerheid mede afhangt van het goede gevoel van de gemeente over zijn vriendelijkheid en inschikkelijkheid. De gemeente is niet geneigd om te begrijpen dat het Gods Woord is die een bepaalde prediking noodzakelijk maakt, en niet de vrije keuze van de predikant. Wanneer het Woord als negatief wordt beoordeeld, moet de schuld wel liggen bij de predikant die de verkeerde selectie maakte. Want waarom zou je de gemeente iets voorleggen, dat die gemeente onaangenaam in de oren moet klinken? Waarom zou je geen tekst kiezen voor de prediking, die het gehoor streelt? Of aansluit bij verwachtingen? Dat moet dan aan de recalcitrantie van de predikant liggen.

Onderbelichten en overbelichten

Een mooi voorbeeld van dit zwijgen is ook het verschijnsel van het onderbelichten van een passage of term. Ik geef als voorbeeld de prediking in de kersttijd over het evangelie naar Mattheus. Stel dat we voor kerstavond gekozen hebben voor een lezing uit Mattheus 1. De kerkenraad heeft al uitdrukkelijk gevraagd om de prediking op die avond toegankelijk te maken voor die buitenstaanders die maar één keer per jaar naar de kerk komen. Bij de uitleg van het geboorteverhaal komen we aan vers 20. “Terwijl hij deze dingen overwoog, zie, een engel van de Heere verscheen hem in een droom.” En even later: “wat in haar ontvangen is, is uit de Heilige Geest.” Wat moeten moderne mensen met deze “engel”, met deze “droom”, en met de “ontvangenis uit de Heilige Geest”? De gebruikelijke tactiek is het onderbelichten van dergelijke bewoordingen. We zeggen: “Jozef kwam vanuit zijn geloof en trouw, en vanuit zijn liefde tot Maria tot een beslissing haar niet te verstoten”. We zeggen: “omdat Jezus een bijzonder mens was, hebben de eerste christenen geloofd dat ook zijn geboorte bijzonder moest zijn, net als bij de keizer.”

Ziet u wat hier gebeurt? Door het op een andere manier te willen zeggen, verminderen we de realiteit waarnaar de tekst verwijst. Gods ingrijpen in het leven van Jozef, wordt een persoonlijke beslissing. De bovennatuurlijke geboorte van Jezus – het Woord dat vlees is geworden! – wordt een onderdeel van de mythe waarin uitsluitend de eerste christenen geloofd hebben. Zodat wij moderne mensen kunnen menen daar ver boven verheven te zijn, want wij hebben dergelijke sprookjes niet meer nodig.

Selectief zwijgen over de passages uit de Bijbel die aanstoot kunnen geven voor het moderne levensgevoel; selectief spreken over wat het moderne levensgevoel ondersteunt en het gehoor streelt; en het onderbelichten van alles in de Bijbel waar we van aannemen dat moderne mensen er toch niet meer in kunnen geloven, en ook niet meer in hoeven te geloven. Omdat tegelijkertijd de tekst van de Bijbel toch wordt naverteld lijkt het net alsof alles in orde is. Een gemiddeld kerklid hoeft het niet eens in de gaten te hebben dat er van dit zwijgen en selecteren en onderbelichten sprake is. Maar in werkelijkheid, voor iedereen die een dergelijke preek rustig nog eens naleest en vergelijkt met de strekking van de gebruikte passage uit de Bijbel, kan er geen twijfel zijn dat op subtiele wijze het gezag van de Schrift is omzeild.

2. Schaamte tegenover de tekst
Veel predikanten lezen een tekst, met name uit het Oude Testament, waarvoor ze in de preek verontschuldigingen aanreiken. Soms gebeurt dat rechtstreeks, door het nare gevoel te verwoorden dat iedereen in eerste instantie wel zal hebben, maar om het daar bij dan ook te laten. Soms gebeurt het indirect, door een Oudtestamentische tekst te contrasteren met een tekst uit het Nieuwe Testament.

We lezen bijvoorbeeld uit 2 Koningen 1 de geschiedenis van Elia. Dan komen we bij vers 10: “Toen kwam er vuur uit de hemel neer en dat verteerde hem en zijn vijftigtal.” God neemt het hier tegenover de gezalfdekoning van Israël Ahazia, op voor Zijn eigen eer. De koning heeft een afgod geraadpleegd vanwege zijn ziekte. Als de profeet hem het oordeel van de Heere aankondigt, stuurt de koning soldaten naar Elia om Hem daarvoor te straffen. Het wordt een strijd om de soevereiniteit. Wie is de waarachtige koning in Israël? De afgodendienaar Ahazia of de Heere God die spreekt door Zijn profeet?

Stel nu eens dat in de uitleg van deze passage de inzet van de strijd niet wordt vermeld. Er wordt alleen maar gezegd dat de koning ziek is, zoekt naar een genezing, en dan een woord van de profeet te horen krijgt, en dat die profeet met bovenmatige geweld onschuldige soldaten neerslaat met vuur uit de hemel. Opnieuw dus een voorbeeld van de onderbelichting van de strekking van een tekst. Daardoor wordt het heel makkelijk om de tekst te contrasteren met wat we lezen in Lukas 9. Wanneer de Samaritanen Jezus niet in hun dorp willen ontvangen, vragen Jacobus en Johannes: “Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook Elia gedaan heeft?” De discipelen maken dus een connectie met het verhaal van Elia, niet Jezus. Maar na de uitleg van het verhaal van Elia kan de predikant op een bijzondere wijze voortredeneren. Dat leidt tot deze schijnbaar fraaie conclusie. Jezus keurt hier af wat Elia gedaan heeft. Immers, “de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden.” De implicatie in de preek waarin deze beide passages met elkaar verbonden worden, is duidelijk. Elia heeft de zielen van mensen te gronde willen richten, maar Jezus daarentegen wil ze behouden. De Oudtestamentische tekst wordt dus alleen maar gebruikt om de houding van Jezus in scherp contrast te plaatsen. En de gemeente heeft het goed begrepen: het Oude Testament, het heilige boek van de Joden, staat vol met geweld, maar Jezus kwam die nare visie corrigeren. Hij zou hebben gewild dat de soldaten in leven waren gebleven.

Niets is echter verder van de waarheid. Dat is wat het selectieve zwijgen dan bewerkstelligt. Voor het gemak wordt vergeten, dat deze Jezus ook kon zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.” Zeker, Jezus is gekomen om zielen te behouden, maar dat impliceert dat sommigen “zullen gaan in de eeuwige straf” (Mat. 25:46). En Hij kon zeggen: “wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem” (Joh. 3:36).

Ziet u wat er gebeurt? Door de Oudtestamentische tekst te onderbelichten, en te contrasteren met een Nieuwtestamentische tekst, ontstaat er een overbelichting van de laatste. De reden van de strijd met de soldaten van de koning wordt weggelaten, en er wordt gesuggereerd dat Jezus’ weigering om vuur van de hemel te laten neerdalen, een bewijs is van Zijn allesomvattende vriendelijkheid. (Is het dan niet van belang dat beide teksten een geheel andere context hebben?) Maar in de eerste plaats zou Jezus het getuigenis van het Oude Testament nooit op die wijze verworpen hebben. In de tweede plaats is ook in het Nieuwe Testament de realiteit van Gods oordeel een belangrijke waarheid. In de derde plaats breng je, door die teksten op deze wijze met elkaar in verband te brengen, in feite alleen je eigen theologische mening naar voren. Terwijl de gemeente denkt dat de predikant bevestigt dat ze zich onrustig mag voelen door de teksten over Elia, en dat de predikant toch nauwkeurig de Bijbel heeft uitgelegd die duidelijk maakt dat Jezus een en al vriendelijkheid en liefde is. Ik noem dat een vervalsing van de Schrift in de preek. De schaamte over de tekst regeert en het inzicht in de diepte ervan ontbreekt. Wat overblijft is een tendentieuze prediking waarin de predikant meer zichzelf dan de waarheid heeft verkondigd.

Besluit
“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)
Wat zijn nu deze “schandelijke, verborgen praktijken”? In ieder geval is het de praktijk van het onderbelichten van een tekst, een eigen geheime agenda te hebben bij de uitleg van die tekst. Paulus verwijst met deze woorden het gedrag van een koopman op de markt. Een te hoge prijs rekenen, bijvoorbeeld voor wijn die je verkoopt als onvermengd maar intussen ruimschoots met water het aangelengd. Dat is een schandelijke praktijk.

Het onderbelichten van een tekst is als het aanlengen van de wijn met water, terwijl je doet alsof je het Woord van God zuiver uitlegt. Daarom is het bedrog. 

Wat is dan dit “vervalsen van het Woord van God”? Is het niet dit, dat we een tekst uitleggen volgens onze eigen intentie, en niet volgens de intentie van de schrijver zoals die blijkt uit de tekst? Het is om die reden dat de apostel Petrus zo nadrukkelijk stelt, dat “geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat.” Eigenmachtig wil zeggen dat we de tekst laten buikspreken om de boodschap te ondersteunen die wij zelf bedacht hebben.

In vers 5 vinden we de kern van de zaak. Het onderwerp van de prediking is niet wat wij zelf denken, ook niet onze eigen theologie, ook niet onze eigen hoogverheven of diepzinnige gedachten. Prediking is alleen maar het openbaar maken van de waarheid. En omdat die waarheid schriftelijk is vastgelegd in de Bijbel, is prediking niets anders wat Paulus aan Timotheüs schrijft: “predik het Woord.”

KOINONIA LIVE! #7 – Biddag voor gewas, arbeid en visserij – 8 maart 2017

This entry is part 8 of 73 in the series BROADCAST

Deze aflevering is geheel gewijd aan de preek van de Biddag voor gewas, arbeid en visserij.

De tekst voor deze avonddienst kwam uit Mattheus 20:1-16. De verkondiging ging over het falen van onze samenleving. Als de Heere ons niet door Zijn genade bewaart, zal onze afgoderij (Nationalisme, de Economie, het Populisme) grote schade blijven aanrichten. Maar Gods Geest houdt nog tegen, wat anders absoluut verderf zou brengen. Dat is de reden dat we een biddag hebben: omdat het slecht gaat, niet omdat we reden hebben om tevreden te zijn.

Goed om daaraan te denken als volgende week gekozen moet worden.

De kleine waarheid

Toen Zarathustra alleen was, sprak hij tot zijn hart:
‘Zou het dan mogelijk zijn.
Deze oude heilige heeft in zijn woud
nog niet gehoord dat God dood is!

 

Toen Zarathustra die laatste dag weer op pad ging en de zon al was ondergegaan kwam hij een oude man tegen die als volgt tot hem sprak:

‘U praat veel, Zarathustra, over het christelijk geloof, maar u praat nooit met ons gelovigen.’

En Zarathustra antwoordde hem: ‘Over het geloof moet men alleen met ongelovigen spreken want het is een ziekte die men in beschaafd gezelschap alleen fluisterend kan noemen als men niemand beschamen wil.’

‘Praat toch eens met mij over het geloof,’ hield de man aan, ‘want ik ben wel een gelovige, maar ik wil ook een gesel voor alle gelovigen zijn.’

En Zarathustra kwam de gelovige tegemoet en sprak tot hem aldus:

‘Het geloof is een zwakte en een ziekte, dat zeggen de gelovigen over zichzelf en ze zijn trots op hun scherpe woorden. Waarover zijn de gelovigen het eens, behalve over dit ene, dat ze niet sterk genoeg zijn om het van zich af te schudden en dat ze lijden om wat op hun schouders rust? Kamelen zijn het, die niet durven genieten van de kracht waarmee ze vreemde lasten dragen. Wat bedoelt de gelovige als hij het over god heeft? Staart hij dan naar de horizon en noemt de einder de Oneindige? Of tuurt hij in de diepte van zijn ziel langs alle onreinheid en vuil dat zich heeft opgehoopt en wat voor zijn blik verborgen blijft, noemt hij de Al-Goede? Want het is allemaal zwakte en een gebrek aan geduld.

‘Zwakte is voor een gelovige niet alleen een gebrek aan kracht voelen, maar veeleer de behoefte om de kracht van een ander te ondergaan. Daarom, als men tot een gelovige gaat, vergete men de zweep niet! De gelovige zoekt echter naar welwillende kracht en wil gedragen worden. Hij zoekt de anderen die hem dragen aan de horizon van zijn bestaan en ziet over alles heen dat voor zijn voeten om aandacht vraagt. Het geloof maakt zich aldus illusies, evenredig aan zijn zwakte.

‘Dat is in werkelijkheid de staat waarin gelovige mensen verkeren en niet alleen met betrekking tot anderen, maar in alle zaken van godsdienst en moraal. De gelovige gelooft niet – en dat is zijn noodlot – gelooft niet in zijn mogelijkheid om te blijven staan zonder steun en daarom reikt zijn verlangen verder dan zijn vermoedens.

‘De zwakste gelovige zal daarom van alles een god maken, elke morele wet en godsdienstige oprisping maakt hij tot iets heiligs en onaantastbaars.’

De man knikte instemmend en zei:

‘Hoe wonderbaarlijk is het dat een man die zo vijandig staat tegenover het geloof en zo weinig omgang met gelovigen heeft, zulke ware woorden spreekt over hen. Maar weet je dan niet dat de geschiedenis intussen een komedie is geworden en het geloof ongeloofwaardig? De gelovige meet zijn kracht nu af aan de ongelovige en beeldt zich in dat hij op eigen kracht zijn geloof in stand houdt en zijn strijd met het ongeloof is bitter geworden als een doodsstrijd. Gelovigen van vroeger hielden zich vast aan hun zwakte en zochten troost en geborgenheid aan de horizon en stelden hun vertrouwen op de Kerk en de Staat als de pilaren van hun godsdienst. En zeker, lange tijd hebben de gelovigen zich gekoesterd in de veilige wereld die ze voor zichzelf gebouwd hadden te midden van het seculiere leven, maar nu brandt hun verlangen om zonder vrees de wereld in te gaan en zij richten hun pijlen op wat ze maar tegenkomen.

‘Dat is hun goed recht ook en ze leren dat de wereld de uitvinding is van de ongelovigen en dat je geloof moet hebben in de seculiere wereld om erin thuis te kunnen zijn en dat het grote dogma van de dood van God een eenvoudige en platte waarheid is geworden die geen strijd meer vraagt. Het is de harde waarheid dat de ongelovigen van nu hetzelfde zijn als de gelovigen van toen, want ze willen erkenning van het raadsel en vragen respect voor hun blindheid en dwingen die af met hun moraal van het Praktische. Het ongeloof is de overgave aan de macht van het Noodlot geworden en vereert de godin van de Verandering en de Vooruitgang en de Mode want alleen zo kan hun alledaagsheid nog een kleur krijgen. Alleen de gelovigen van nu zijn nu als de leeuw die nee zegt tegen de vermeerdering van de lasten en de morele ijver. Wij zijn ermee opgehouden de god van de Staat te vereren en daarom zijn we nu niet met velen.’

‘Zelden sprak een gelovige tot mij met zulke helderheid en op zo’n toon van moedige ernst,’ antwoordde Zarathustra.‘ Maar het verbaast me dat je de oplossing van dit raadsel niet noemt. Net als vijgen valt u deze leer toe, maar u vergeet haar sap te drinken en haar vruchtvlees te eten. Inderdaad de gelovigen zijn nu niet meer met velen en inderdaad ze aanbidden de Staat niet langer. Maar nog steeds zien ze de overvloed niet die voor hun voeten ligt. Vanuit die overvloed is het wonderbaarlijk om de verre zeeën te schouwen, maar de gelovige zegt nog steeds ‘God!’ als hij naar de horizon kijkt. De ongelovige noemt het raadsel en geheim en blijft daarmee dichter bij zichzelf. Maar we hebben de heilige Naam niet nodig om onze diepte en hoogte en breedte te benoemen want wat we denken moet niet verder reiken dan waar we staan kunnen. De gelovige wil een kind zijn en de moedermelk proeven lang nadat hij gespeend is, maar hij vergeet de pijn. Als hij door een godin wil worden gevoed dan zal hij die godin eerst zelf moeten baren en in die scheppende wil is de gelovige aan zijn god gelijk.

‘Het is een vergissing en ijdel te denken dat de gelovige sterker wordt wanneer hij de cultuur in zich opneemt en de wereld binnengaat. Daardoor ontneemt hij aan zijn god de kracht en geen respect is meer mogelijk. Wat is een god zonder vreze des Heeren? Alles waarmee het geloof respect leerde en levensheiliging, schaft de gelovige nu af. De heiligheid van God en zijn presentie, zijn onontkoombaarheid, de hinderlaag die hij legt op de legerstede waarin de psalmen worden geboren, dat alles wil de gelovige wegdoen om maar te lijken op de ongelovige die macht heeft en voor zichzelf respect afdwingt en de moraal bepaalt. ‘Een grandioze domheid is dat, een domheid van Christelijk-vrome proporties, waarvoor de verstandige gelovige zich moet schamen.’

‘Dat doe ik inderdaad,’ antwoordde de gelovige, ‘maar u spreekt over het ongeloof, en niet over het geloof. Het is een treurig feit dat gelovigen zich hebben laten misleiden en een bron van diepe schaamte. Ze hebben hun nek eerst gebogen voor de keizer en toen voor de Staat en nu denken ze dat de kerk een voorportaal is van het volk waar ze deel van willen uitmaken.

‘Toen kregen ze te horen dat ze in hun kerkjes kinderen waren die speelden met goede en mooie woorden en dat God wiens Naam ze nog noemden een raadsel was van de psyche waarvoor ze zich moesten schamen. Wie gelovig is, is ziek door de sociale genen van een vroegere tijd.

‘Of men zei dat allemaal om macht ging en heerschappij over elkaars geweten terwijl dat een betrouwbaar teken is van het meest verderfelijke ongeloof. Ook ikzelf heb daaraan geleden, en wilde van mijn geloof genezen, maar met de jaren heb ik geleerd dat een gelovige, zelfs met buitengewone wilskracht, niet aan zijn natuurlijke geaardheid ontkomen kan.

‘Je zou denken dat een mens als ik ben, die jarenlang met grote ijver filosofie en recht, psychologie en medicijnen heeft gestudeerd, slimmer is geworden en het geloof kon doorzien als een ongrijpbare begeerte, als een atavisme van de primitieve geest. Maar zoals het ooit een aanpassing was en een gemakzucht om gelovige te zijn, is het nu een taak gelijk aan een bergbeklimmer zich stelt die zonder hulpmiddelen de hoogste berg bestijgen wil alleen maar omdat ze er is. Geloof is een strijd en een grote crisis. Geloof is een luidruchtig verzet en een vlammend protest en de perverse deemoed en de gemakzucht zijn al  lang daaruit verdwenen.

Alles wat de gelovige zei, gaf Zarathustra het gevoel van een grote zielsverwantschap. Hier was een man die nog over al zijn natuurlijke instincten beschikte, die een zintuig had voor de ondoorgrondelijke diepte van de zee, die zich tegenover een ongelovige niet met nederige excuses wilde staande houden en zich niet gedroeg als een invalide die zijn recht claimde op een bijzondere behandeling. Dit was een gelovige die wist van het gevaar en de crisis. En Zarathustra dacht aan de enkele gelovigen die hij voorheen op zijn pad gevonden had, de purperen bisschoppen met hun arrogante gebaren of die zich pijnigden door hun rug af te ranselen met doornentakken of luidkeels op straat hun waren aanprezen of met de collectebussen rondgingen om kapitaal te verwerven.

De gelovige vervolgde: ‘Het geloof is het gevaarlijkste speelgoed, omdat het de keizer niet meer wil geven dan hem toekomt en zich in de Staat wel schikt maar haar geen verering geeft. Het geheim van de gelovige, waarmee hij de ongelovige verbijstert, is een diepte die ook voor hem vaak verborgen blijft. Die diepte is het verzet en de kritiek en het protest van hen die weten dat ze het leven niet in zichzelf hebben, maar steeds opnieuw ontvangen. Daarom ook is deze diepte voor de keizer onverdraaglijk, want hij weet dat hij daar stuit op de grenzen van zijn macht en dat hij nooit kan beheersen wat daarin verborgen is en dat hij daarom nooit voor zichzelf verering zal kunnen ontvangen. Niet voor niets vervult de geloofsdaad de ongelovige met haat en minachting, want daarmee onttrekt de gelovige zich aan de macht van het ongeloof.’

Lang, heel lang sprak de gelovige over het geloof. Maar hoe langer hij sprak, des te vreemder werd het Zarathustra te moede. Hem bekroop het gevoel dat de wijsheid die hij met de gelovige deelde hem ontstolen werd en zonder dankbaarheid voor een geheel ander doel werd benut.

Zarathustra onderbrak de gelovige en zei: ‘Uw welbespraaktheid en uw krachtige woorden staan u wel goed, maar de vrijheid waarmee u spreekt, staat op het punt zich tegen uw god te keren. U zegt dat u gelovig bent en toch bent u in rebellie tegen de keizer en u spreekt van het verzet tegen de machten en van strijd en grote crisis? Dat is de taal van mijn hart en een grote, voedende waarheid. Maar dat is geen barenspijn waarmee u goden schept. Ik hoor u de naam van uw goden niet uitroepen in de richting van de horizon waarheen u wegkijkt van uzelf om meer dan uzelf te zijn. De naam van uw god is geen oppervlakte en verleiding waarmee u uw diepste en onverzoenlijkste ongelooflaat groeien tot het alles omvat. Ik bespeur bij u toch de ziekte van de deemoed en de nederigheid van de kleine dood, van het sterven en van de zwakte van het lijf. Wilt u me dan nu zeggen hoe uw goden heten? Want dan alleen kan ik weten wie u bent.’

En de gelovige antwoordde en zei: ‘Mijn God heet Jezus Christus en niet ik, maar Maria heeft hem gebaard en hij is zwak bevonden aan het kruis en het is die Gekruisigde die ik dien en vereer.’

En Zarathustra fronste zijn wenkbrauwen toen hij die naam hoorde en hij dacht bij zichzelf: ‘Weet ook deze oude man dan niet, dat God dood is?’

En de gelovige dacht bij zichzelf: ‘Maar weet Zarathustra dan niet, dat mijn Heer  uit de dood is opgestaan?’

Maar ze spraken die woorden niet uit. Zarathustra wilde zich omdraaien om zijn tocht voort te zetten, toen zijn blik werd getroffen door iets merkwaardigs. Hij sprak tot de oude man: ‘Wat draagt u daar onder uw mantel? Is het een schat die iemand u geschonken heeft? Of is het uw God die zich klein heeft gemaakt om met u mee te reizen? Of is het een boek, waarin u de geheimen van de wereld gevonden hebt? ‘

‘Ach, weet u dat niet, Zarathustra? sprak de gelovige. ‘Het is een kleine waarheid die mij ooit is geschonken.’

‘Welke waarheid?’ drong Zarathustra aan, ‘Geef mij dan van die waarheid.’

‘Ach, het is maar een kleine waarheid,’ zei de gelovige, en hij zweeg.

 

Waarom ik wél een Christen ben…

Ik ben uitgenodigd om te discussiëren op een site die freethinker.nl heet. Ging toevallig via Internet, Facebook. Ik was aan het lezen op de CJP site, vond daar een tekst over evangelisatie tijdens de 4-daagse, reageerde spontaan met een uitroep: Mooi gedaan, moeten we meer durven. Freethinker.nl vindt evangerlisatie overbodig en irritant. Discussies dus, zoals heel lang geleden, toen ik nog student filosofie en theologie was. Even wennen.

Rereformed heet hij op het Internet, maar misschien mag ik Albert zeggen. Zijn tekst vind je hier.

http://www.kolumbus.fi/volwassengeloof/waaromgeenchristen.htm

Albert, dit is teveel om in één keer op te reageren, want het gaat uiteindelijk om de details. Ik neem er dus maar een stukje uit.

Daar lezen we bij voorbeeld:

Christenen baseren hun geloof op een heel dik boek, om precies te zijn op 66 boeken. Maar iedereen die met christenen praat zal opmerken dat je ze nooit moet aanspreken op het merendeel van al die boeken, namelijk de boeken van het Oude Testament. […]
Kortom, een christen uit onze tijd is iemand die zit opgescheept met het Oude Testament, maar die gelooft in het Nieuwe Testament, of om het in de woorden van een vrome christen op het internet te zeggen “Christenen zijn geraakt door Jezus, en omdat hij het OT zo hoog acht, zit je er als christen ook aan vast”. (Maar ik geef deze raad: mocht je ooit een voorbeeldige christen tegenkomen die geen enkele onoverkomelijke hindernis tegenkomt bij het lezen van het Oude Testament, pas dan maar op!)

We moeten ergens een begin maken, en waarom dan niet hier. Albert, jij schrijft een lange tekst die voornamelijk gaat over de film van Mel Gibson, The Passion, waar ik ooit eens lovende woorden aan heb gewijd, dus de tegenstelling is al meteen duidelijk.
Maar eerst maar even dit stukje. Ik begrijp hieruit dat je constateert dat christenen in verlegenheid zijn met het Oude Testament terwijl ze het toch als openbaring accepteren. Alles wat onaangenaam is in het Oude Testament wordt wegverklaard of genegeerd. Dat is inderdaad in strijd met de christelijke overtuiging dat de gehele Bijbel het Woord van God is.
Welnu, ik ben een christen die in het geheel geen verlegenheid voelt bij het Oude Testament. Maar dat komt misschien omdat ik die verzameling boeken heb leren lezen – bij de meeste christenen kom je niet verder dan het niveau van laten we zeggen de kleuterschool: de verhalen van Genesis. En ook daar zullen ze zich vaak geen raad mee weet. En hoewel de Psalmen nog wel gezongen worden, vraag ik me af of ze echt worden begrepen. Het eerste wat we moeten doen is dus de ruimte van deze conversatie afbakenen. Word ik geacht te verdedigen wat de gemiddelde christen van de Bijbel verstaat? Dan ga ik onmiddellijk en definitief met verlof. Daar begin ik al helemaal niet aan.
Maar mag ik verdedigen hoe ik zelf het Oude Testament versta? En hoe ik het aan mijn Gemeente onderwijs en hoe ik er over predik? Daar heb ik geen bezwaar tegen. Die uitdaging vind ik zinvol.

In ieder geval kun je mij zonder problemen aanspreken op de boeken van het Oude Testament. Maar ik lees die boeken niet als een fundamentalist, of literalist, en ik hou rekening met het genre, de historische context, de intentie van de schrijver, de nuanceringen in de taal, de plaats van elk boek in het canonieke geheel, en de voor mijn geloof beslissende openbaring in Jezus Christus. Ik heb dus een bepaalde “bril” die het mij mogelijk maakt deze teksten te lezen als Gods woord.
Je moet ook verschil maken tussen een gegeven tekst, die historisch kunt lezen en verstaan, en een tekst zoals hij steeds weer opnieuw als uitgangspunt van het geleverde leven en de prediking in de kerk gebruikt wordt.
Ik denk dat je wel begrijpt wat ik bedoel, maar ik geef toch maar even een illustratie. Als ik een studie doe naar scheppingsmythen uit het verleden, dan lees ik Genesis 1 heel anders, dan wanneer ik die tekst leest alsof die mij rechtstreeks iets te zeggen heeft en op mij van toepassing is. Bij de eerste manier van lezen is de tekst een object dat ik moet verklaren, bij de tweede manier van lezen is de tekst een “aanspraak” die ik moet verstaan. Er zijn teksten die ik eigenlijk alleen maar als object kan nemen, zoals bijvoorbeeld de Ilias of de Odyssee. Ik ben daar hooguit als sympathiserende lezer in betrokken. In de kerk wordt de Bijbel gelezen als een boek, een verhaal, een verzameling aanwijzingen en onderwijzingen, die mij als lezer en de gemeente als collectief van lezers rechtstreeks aangaan. (Dus niet als bron van historische, biologische of kosmologische kennis.)

Essentieel bij de verklaring en het verstaan van de boeken van het Oude Testament, is dat je de samenhang begrijpt, en de relatieve plaats van elk boek in het geheel. Er is eindeloos veel literatuur van de hand van christelijke theologen die dat kan toelichten, (mooi is nog altijd “Met de Torah is het begonnen”van J. Hanegraaff uit 1988) dus het heeft voor mij weinig zin omdat nu allemaal aan je voor te leggen.
Wat ik bedoel te zeggen is dit: de meeste christenen hebben op een slechte manier catechisatie gekregen, en weten dus inderdaad niet wat ze met het grootste deel van de Bijbel moeten beginnen. Maar daaruit volgt geenszins dat je de Bijbel niet correct kunt lezen en verstaan. Mijn hele leven draait om de correcte uitleg van de Bijbel. En er moet toch ook in jouw ogen verschil kunnen zijn, tussen goedwillende amateurs die elkaar nababbelen zonder kritische vragen te stellen, en het resultaat van nauwgezette studie van een tekst vanuit het Hebreeuws en Grieks met gebruikmaking van alle middelen die de moderne literatuurwetenschap te bieden heeft.
Als we het daarover eens zijn, kunnen we verder.