KOINONIA BIJBELSTUDIE – ROMEINEN 9

This entry is part 72 of 73 in the series BROADCAST

Eerste deel: Rom. 9:6-8.

6 ουχ οιον δε οτι εκπεπτωκεν ο λογος του θεου ου γαρ παντες οι εξ ισραηλ ουτοι ισραηλ
6 Doch [ik zeg dit] niet, alsof het woord Gods ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn

7 ουδ οτι εισι σπερμα αβρααμ παντες τεκνα αλλ εν ισαακ κληθησεται σοι σπερμα.
7 Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Izaäk zal u het zaad genoemd worden.

8 τουτεστιν ου τα τεκνα της σαρκος ταυτα τεκνα του θεου αλλα τα τεκνα της επαγγελιας λογιζεται εις σπερμα (TR)
8 Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.

Tweede deel: Rom. 9:9-13

9 επαγγελιας γαρ ο λογος ουτος κατα τον καιρον τουτον ελευσομαι και εσται τη σαρρα υιος
9 Want dit is het woord der beloftenis: Omtrent dezen tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben.

10 ου μονον δε αλλα και ρεβεκκα εξ ενος κοιτην εχουσα ισαακ του πατρος ημων
10 En niet alleenlijk deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit een bevrucht was, namelijk Izaäk, onzen vader.

11 μηπω γαρ γεννηθεντων μηδε πραξαντων τι αγαθον η κακον ( ινα η κατ εκλογην του θεου προθεσις μενη ) ουκ εξ εργων αλλ εκ του καλουντος
11 Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende;

12 ερρηθη αυτη οτι ο μειζων δουλευσει τω ελασσονι
Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen.

13 καθως γεγραπται τον ιακωβ ηγαπησα τον δε ησαυ εμισησα
13 Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.

Bespreking van Romeinen 9 vers 1 tot en met 5 – tekst bij de opname van KOINONIA LIVE!

This entry is part 7 of 9 in the series Exegese

BIJBELBESPREKING ROMEINEN

Robbert Veen © 2017

Romeinen 9 – 11

Hoofdstuk 9 tot en met 11 vormen een zelfstandige eenheid binnen de brief. Vanwege het ongeloof van Israël kan de vraag opkomen, of het vertrouwen in Gods gerechtigheid gefundeerd is. Uiteindelijk wordt Gods gerechtigheid zichtbaar in de rechtvaardiging van degenen die zijn uitverkoren. Maar ook Israël is het uitverkoren volk. Het lijkt zo te zijn dat Gods uitverkiezing van Israël niet heeft geleid tot hun rechtvaardiging. Maar mogen wij dan wel vertrouwen dat onze uitverkiezing leidt tot onze rechtvaardiging?

Met andere woorden, als nu blijkt dat joden en heidenen op gelijke wijze het evangelie nodig hebben, terwijl juist de joden aan wie het woord van God was toevertrouwd op grote schaal het evangelie verworpen hebben, hoe moeten we dan begrijpen wat Gods bedoelingen zijn? Paulus heeft immers duidelijk gemaakt dat bij de verkondiging van het evangelie aan de joden een positie van voorrang toekomt (1:16) . Bovendien is er zoiets als “het voordeel van de jood; de nuttigheid der besnijdenis.” Paulus stelt in het derde hoofdstuk al dat er vele voordelen zijn op allerlei manieren; het eerste daarvan is “dat hun de Woorden Gods zijn toevertrouwd.”

Ondanks het grote voordeel dat ligt in het jodendom, dat eeuwen lang werd voorbereid op de komst van de Messias, heeft Israël zijn Messias niet aangenomen. Had het evangelie dan te weinig kracht? Heeft Paulus dan onvoldoende getuigd van het evangelie tegenover zijn volk? Paulus geeft in deze drie hoofdstukken, door de Heilige Geest geleid, het antwoord op deze vragen vanuit het gezichtspunt van Gods wegen.

In de brief wordt in de eerste drie hoofdstukken een scherp onderscheid gemaakt tussen joden en heidenen. In het vierde hoofdstuk wordt dit onderscheid vooral uitgedrukt als het verschil tussen besnijdenis en onbesneden zijn. In het vijfde tot en met het achtste hoofdstuk wordt over het onderscheid nauwelijks gesproken. Het verschil tussen jood en niet jood komt terug in het negende tot en met het 11e hoofdstuk maar met een andere terminologie. 12 keer gebruikt Paulus het woord Israël in deze hoofdstukken; slechts zeven keer wordt Christus genoemd en 23 keer wordt naar God verwezen. De Heilige Geest, die zo’n prominente plaats had in hoofdstuk acht, komt alleen maar in het eerste vers van het negende hoofdstuk voor.

Het negende hoofdstuk spreekt opnieuw over de uitverkiezing waarmee het achtste hoofdstuk eindigde. Dat hoofdstuk spreekt over de uitverkiezing op individuele basis, maar nu spreken we over de uitverkiezing vanuit het nationale perspectief van Israël. Beide hoofdstukken spreken over adoptie; beide hoofdstukken gebruiken het begrip roeping.

Deze drie hoofdstukken behandelen eigenlijk de vraag, die al in het derde hoofdstuk gesteld werd, namelijk of het ongeloof van sommigen de gerechtigheid van God teniet doet. Het negende hoofdstuk benadrukt dat God soeverein is in alles wat Hij doet. Het 10e hoofdstuk legt uit, waarom er ongeloof is in Israël: de poging om een eigen gerechtigheid tegenover God tot stand te brengen als een gehoorzaamheid aan voorschriften van de wet die leidt tot verdienste en roem bij God, komt in de plaats van wat het evangelie (en de Thora!) vraagt, namelijk een geloof en vertrouwen in God, en in het heden van Paulus, in de gekruisigde Messias. Israël heeft de mogelijkheid gehad om dit evangelie te horen en te gehoorzamen zodat het terzijde schuiven van Israël geen willekeurige daad van God is. De verwerping van Israël is een uitvoering van Gods gerechtigheid. God leidt de geschiedenis echter zo, dat Israël niet gestraft wordt voor dit ongeloof, maar op een nevenspoor van de geschiedenis is geplaatst totdat de Messias zal terugkeren.

Het 11e hoofdstuk maakt duidelijk dat de verwerping van Israël niet volledig is, omdat er een gelovig overblijfsel is in de tijd van Paulus. Bovendien is de verwerping van Israël maar tijdelijk, want er zal een massale bekering in Israël plaatsvinden. Tenslotte maakt Paulus duidelijk, dat in Gods voorzienigheid de verwerping van Israël het middel is om een menigte van heidenen te redden van het oordeel. Uiteindelijk zal blijken dat God volledig trouw blijft aan de beloften van het verbond met Israël, ondanks hun ongeloof. Het 11e hoofdstuk eindigt daarom met een dankzegging en lofzang aan God die in Zijn goddelijke wijsheid Zijn barmhartigheid uiteindelijk kan uitstrekken over joden en heidenen beide.

Vanaf het 12e hoofdstuk zal duidelijk zijn, hoe deze inzichten van praktisch nut zijn voor de kerk in Rome met de grote spanningen die daar waren tussen heidense en joodse gelovigen.

Paulus maakt in heel zijn brief duidelijk dat de rituele en de gehoor-zaamheid aan de wet nooit en te nimmer het middel zijn geweest voor de zaligheid, voor het behoud. De wet en de tempeldienst waren een symbool van de gehoorzaamheid aan God. Niemand kon echter de gerechtigheid van God verdienen, zelfs Abraham niet, op een andere grondslag dan de genade van God die effectief wordt door een persoonlijk geloof. Wanneer dan het evangelie het behoud ook aanbiedt aan alle heidenen, houdt dat niet in dat God Zijn volk Israël heeft verlaten. Vele joden in Rome zullen gedacht hebben, dat de leer van de rechtvaardiging door geloof een nieuwe religie behelst die misschien voor heidenen wel geldig kon zijn, maar voor joden geen betekenis had. Zij waren ervan overtuigd dat het toebehoren aan het joodse volk al voldoende was om een plaats in te nemen in Gods plan voor het behoud. Zo leerden bijvoorbeeld de rabbijnen, zoals we lezen in de Misjna Sanhedrin 10:1, “heel Israël heeft deel aan de komende wereld.” Vanuit dat gezichtspunt is de enige relevante vraag, of je tot Israël behoort of niet. Het toegezegde behoud aan elke Israëliet kan wel worden verloren door grove zonde en afvalligheid, zoals afgodendienst. Maar het komt aan elke Israëliet als zodanig toe. Daarmee wordt dit beginsel waarover Paulus spreekt, namelijk dat een waarach-tig persoonlijk geloof in de God van Israël de grondslag is – en dat dus elke ongelovige Israëliet het heil verloren heeft – tegengesproken.

Er was nog een tweede probleem dat blijkbaar op de achtergrond van zijn brief een grote rol heeft gespeeld. Als het behoud dan uit Isra-el tevoorschijn komt en in de eerste plaats aan heel Israël wordt aangeboden, waarom heeft het volk dan Jezus verworpen als Messias? Het evangelie is immers een kracht van God tot behoud van een ieder die gelooft, eerst voor de jood en dan ook (pas) voor de Griek. En als God dan heerlijkheid en eer en vrede toezegt aan iedereen die het goede doet, eerst voor de jood en dan ook voor de Griek (2:10), waarom zijn de joden dan nog steeds ongelovig? Hoe kan het zo zijn dat dit unieke volk, dat is uitverkorenen en door God in het bijzonder is gezegend, die de Wet hebben en de Profeten kennen, niet alleen het evangelie van Jezus Christus verwerpen maar ook nog iedereen vervolgen die er wel in geloven?

Het antwoord zal Paulus geven vanaf vers 30 van hoofdstuk 9. “De heidenen, die de rechtvaardigheid niet zochten, [hebben] de recht-vaardigheid verkrijgen, maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is.” Die rechtvaardigheid of gerechtigheid is echter de enige die God ooit heeft geëist. De besnijdenis van het hart en niet de besnijdenis van het vlees. Het vertrouwen in God als de Enige die aanbidding en verering en gehoorzaamheid vragen mag. Israël heeft in plaats van het geloof het leven uit de werken van de wet gesteld. Dat verklaart hun ongeloof. Of beter gezegd: het is hun ongeloof dat hen ertoe bracht om de werken van de wet als de toegang tot het heil op te vatten. Het evangelie is duidelijk: joden en heidenen worden gered door geloof. Daarom zullen de joden hun vertrouwen in hun eigen religieuze prestaties moeten opgeven en de traditie moeten verwerpen die hen steeds leidt naar het volbrengen van de werken van de wet. En opnieuw, dat was geen nieuwe gedachte. Paulus zegt in het derde hoofdstuk al, dat de gerechtigheid van God is openbaar geworden zonder wet, terwijl het wel in de wet en de profeten te vinden is. “Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden zonder de wet, hebben de getuigenis van de wet en de profeten” (3:21).

De derde vraag die Paulus hier wilde beantwoorden is deze: joden kunnen dus gered worden door persoonlijk geloof, maar hoe zit het dan met het volk van Israël als geheel? Heeft God dan Zijn uitverkoren volk in de steek gelaten? Paulus geeft als antwoord dat Israël als een natie altijd een bijzondere status zal hebben voor God. Dat vinden we vooral in vers 4 en 5 van hoofdstuk 9. Maar deze geprivilegieerde positie en deze bijzondere zegen heeft God er niet van weerhouden om Zijn volk tijdelijk terzijde te schuiven totdat “de volheid van de heidenen is binnen gegaan” (Romeinen 11:25). De Messias zal terugkomen en zij zullen Hem zien die zij hebben doorboord, en ze zullen over Hem rouwbedrijven, zoals men rouw bedrijft voor een enige zoon, en zij zullen bitter wenen vanwege Hem, zoals iemand die bitter weent over een eerstgeborene – Zacharia 12:10.

Paulus zal duidelijk maken dat het hier gaat om een overblijfsel van het volk, die uiteindelijk in waarachtig geloof de Messias zou aannemen. Zo vinden we dat ook in Jesaja 11: “Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere voor de tweede keer Zijn hand zal uitstrekken om weer te verwerven het overblijfsel van Zijn volk” (Jes. 11:11).

Romeinen 9

A. De persoonlijke inleiding: Paulus’ verdriet over de toestand van Israël. (9:1-5)

Parafrase:
Hoewel niets mij kan scheiden van de liefde van God, kan ik niet alleen maar vreugde voelen. Laat niemand denken dat ik, Paulus, mijn eigen volk Israël vergeten ben. De Heilige Geest is mijn getuige als ik nu zeg, dat ik zeer bedroefd ben en een groot verdriet voel in mijn hart, zozeer zelfs, dat ik het ervoor over zou hebben zelf uit de gemeenschap met Christus verbonden te zijn – als dat mogelijk zou zijn – als ik daarmee iets tot stand kon brengen voor het heil van mijn broeders. Want dat zijn ze, mijn verwanten naar het bloed.

Vergeet niet dat zij werkelijk kinderen van Israël, van Jacob zijn. Zij hebben de adoptie meegemaakt en zijn als kinderen door de Vader aangenomen. God heeft Zichzelf in Zijn heerlijkheid aan hen laten zien. Steeds opnieuw sloot Hij een verbond met hen: met Abraham, Isaak en Jakob, bij de Sinaï, op de vlakte van Moab, in de terugkeer uit de ballingschap. En in de toekomst zal Hij ook het nieuwe verbond van Jeremia met Zijn volk sluiten.

God heeft door middel van Mozes Zijn wil aan hem geopenbaard door hen de Thora te geven. Hij leerde hen de ware eredienst. Kostba-re beloften zijn aan het volk gegeven, zoals de belofte van het land en de Messias. Zij zijn de nakomelingen van de aartsvaders en uiteindelijk is uit hen naar het vlees de beloofde Messias voortgekomen. De Messias die niemand anders is dan God die boven iedereen uit verheven is.

Commentaar:

1 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet en mijn geweten getuigt mee door de Heilige Geest,
1 αλήθειαν λέγω εν χριστώ ου ψεύδομαι συμμαρτυρούσης μοι της συνειδήσεώς μου εν πνεύματι αγίω

2 dat het een grote bron van droefheid voor mij is, en een voortdurende smart voor mijn hart.
2 ότι λύπη μοι εστί μεγάλη και αδιάλειπτος οδύνη τη καρδία μου

1-2. Paulus roept twee getuigen aan om duidelijk te maken dat hij een waarachtig verdriet voelt over het ongeloof van Israël. Blijkbaar zou een lezer kunnen denken, dat hij in de vorige acht hoofdstukken het jodendom volledig heeft afgebroken. Paulus roept daarom eerst Christus zelf op als getuige, Hij is immers de waarheid zelf. De tweede getuige is zijn geweten zoals dat door de Heilige Geest wordt ondersteund.

3 Want ik zou zelf wel wensen vervloekt te zijn, weg van Christus, ten gunste van mijn broeders, mijn verwanten wat het vlees betreft.
3 ηυχόμην γαρ αυτός εγώ ανάθεμα είναι από του χριστού υπέρ των αδελφών μου των συγγενών μου κατά σάρκα

3. Paulus gaat zelfs nog verder en verklaart dat hij zou willen accep-teren – maar niets kan hem scheiden van de liefde van God zegt vers 39 van het vorige hoofdstuk, dus dit is een retorische wens – dat hij van God gescheiden zou zijn als hij daarmee zijn volk bij zijn Messias zou kunnen brengen. Het is een onmogelijke wens, maar als het moge-lijk was zou hij dit offer willen brengen. Paulus zegt elders (Fil. 3:8): “ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.” Hier zegt hij dat hij dat alles weer zou willen opgeven voor zijn volk. Een grotere betuiging van Paulus’ liefde voor zijn volk Israël nauwelijks denkbaar.

4 Zij zijn immers Israëlieten; voor hen geldt de aanneming tot kinderen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften.
4 οίτινές εισιν Ισραηλίται ων η υιοθεσία και η δόξα και αι διαθήκαι και η νομοθεσία και η λατρεία και αι επαγγελίαι

4. In dit vers spreekt Paulus over Israëlieten. Met deze benaming in plaats van de term “joden” benadrukt Paulus dat zij het volk van het verbond zijn, en daarmee verschillend van elk ander volk op aarde.

Het is opvallend dat Paulus de term Israël vermijdt als hij spreekt over de kerk. Wat hij schrijft in Galaten 6:16 blijft daarom enigszins raadselachtig: “en zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, over hen zal zijn: vrede en barmhartigheid, én over het Israël Gods.” Wordt hier Israël als natie bedoeld? Gaat het hier om het gelovig overblijfsel waar Paulus straks nog over spreken zou? Of is dit een andere aanduiding voor de kerk als geheel?

In ieder geval is het woord “Israël” passend gebruikt bij de nu volgende opsomming van alles wat God als bijzondere zegen aan Zijn volk gegeven heeft, waardoor dat volk een volkomen verschillende positie inneemt in de geschiedenis.

Adoptie (aanneming) als zonen. Israël heeft de status van “zonen van God” op grond van Gods genadige verkiezing. Het woord komt niet in de Griekse vertaling van het Oude Testament voor, maar wel de gedachte. Denk maar aan Deuteronomium 14:1-2, waar we lezen “U bent kinderen van de Heere, uw God.” Of in Exodus 4:22, “zo zegt de Heere: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.” En dan ook in het boek Hosea: “Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen” (11:1).

De heerlijkheid – de adoptie tot kinderen van de Heere verklaart ook het feit dat God Zijn heerlijkheid aan Zijn volk heeft laten zien. Zijn heerlijkheid werd zichtbaar in de rookkolom die boven de tabernakel hing in de woestijn en ook de tempel vulde bij de inwijding. Zijn heerlijkheid werd ook getoond aan de profeten die de Heere tot Zijn volk gezonden heeft, zoals in het zesde hoofdstuk van Jesaja.

De verbonden – hier zou je kunnen denken aan het verbond met Abraham, de Sinaï en het verbond met David. Of ook aan dat met de aartsvaders te beginnen met Abraham (Genesis 15), en dan vernieuwd met Isaak (Genesis 17) en uiteindelijk met Jacob (Genesis 28). Het woordverbond heeft uiteraard vooral betrekking op een goddelijk initiatief en niet een wederkerige overeenstemming tussen gelijkwaardige partners.

De wetgeving – dit betekent natuurlijk de Thora, gegeven door Mozes. In de tijd van Paulus is de Thora het belangrijkste deel van Gods openbaring in het Oude Testament. Volgens Romeinen 2:17 is het de wetgeving waarop Israël zich beroemen wil. Zoals hij schrijft: “zie, jij wordt een joods genoemd en je rust op de wet, en je roemt op God, en je weet Zijn wil en beproeft de dingen die daarvan verschillen, omdat je bent onderwezen uit de wet (d.i. de Thora.”

De dienst van God – d.w.z. de eredienst op grond van de Thora. Het hele systeem van de offers dat werd onderhouden door de priesters was vastgelegd in de thora.

De beloften – daarbij moeten we denken aan al datgene wat in de verschillende verbonden door God beloofd werd ten aanzien van zegen en verlossing. Tot die belofte hoorde dan natuurlijk ook de belofte van de Messias. Heidenen waren immers: “vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld” (Efeze 2:12). De komst van Jezus maakte de toegang van de heidenen tot deze belofte mogelijk.

5 Tot hen behoren de vaderen, en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus voortgekomen, Die God is, boven alles, te prijzen tot in eeuwigheid. Amen!
5 ων οι πατέρες και εξ ων ο χριστός το κατά σάρκα ο ων επί πάντων θεός ευλογητός εις τους αιώνας αμήν

5. De vaders – dat wil zeggen de patriarchen. Paulus zegt in 11:28, wanneer hij spreekt over het nieuwe verbond, dat zij “wel vijanden zijn wat betreft het evangelie, ter wille van u, maar wat de verkiezing betreft zijn geliefden omwille van de vaderen.” Daarom zijn de aartsvaders zo belangrijk, vooral omdat de belofte aan hen werd gegeven voordat de Thora aan Mozes werd geopenbaard. Wanneer God Zichzelf introduceert bij Mozes, noemt Hij zichzelf dan ook de God van Abraham, Isaak en Jakob (Exodus 3:15).

Uit hen is de Messias naar het vlees – en laten we maar niet vergeten, zoals op tragische wijze in de geschiedenis van de kerk is gebeurd, dat Jezus een Jood is, geboren onder de wet, die zich nooit van Zijn volk heeft gedistantieerd. Zelfs niet toen Zijn volk Hem niet heeft aangenomen. Maar uiteraard is Christus veel meer dan de aartsvaders. Alleen “wat het vlees betreft”, dus naar zijn aardse herkomst, behoort Hij tot het volk van Israël. Maar Christus heeft een hemelse herkomst en missie. Israël kan Hem niet claimen voor zichzelf aangezien Hij “God is boven allen”, zoals het einde van dit vers zegt.

Hier kun je de vraag stellen of dit vers werkelijk verwijst naar Jezus als God. Is dit wel ook de juiste vertaling? Er zijn veel vertalingen waarin het einde van het vijfde vers als een zelfstandige uitspraak wordt genomen. Zo bijvoorbeeld de NBV en de NBG, waar we lezen: “God is boven allen te prijzen in eeuwigheid.” In de meeste evangelische of orthodoxe vertalingen lezen we echter, “die God is boven allen, te prijzen in eeuwigheid.” Paulus zou daarmee Jezus rechtstreeks met God identificeren.

Met een beroep op de tekst kan deze vraag niet worden beantwoord. Het gaat namelijk niet om de tekst, maar om de interpunctie. Moeten we nu een punt plaatsen na “vlees” , of een komma plaatsen, zodat het laatste deel van het vers rechtstreeks op Christus slaat? De Griekse syntaxis maakt het waarschijnlijker, dat het woord “God” naar Christus terug verwijst. Er is in de eerste plaats een grammaticale overeenstemming tussen Christus en de uitdrukking “hij die is”, een participium dat in het Grieks als bijstelling fungeert. Zou het niet terugslaan op Christus, dan zou Paulus hier abrupt van onderwerp veranderen en het participium niet kunnen terugverwijzen maar vooruit moeten verwijzen. Een dergelijke breuk in de gedachtegang heet een asyndeton, en komt bij Paulus wel eens voor maar het is niet vanzelfsprekend.

Bovendien als het dan wordt opgevat als een asyndeton, hebben we het probleem dat het participium (vertaald als: hij die is) overbodig is. “Hij die God is boven allen” kan eenvoudig worden weergegeven zonder dat participium. Het lijkt er dus op dat de uitdrukking “zijnde” (hij die is) alleen maar zin heeft, als het de naam Christus verbindt met het predicaat “God”.

Wat Paulus hier zegt, betekent niet dat hij God met Christus vervangt. Het is volkomen in overeenstemming met het eerste vers van het evangelie van Johannes. Zeggen dat het Woord God was, verwijst naar de waardigheid en de rangorde van God. (De beste vertaling is dan ook: Godgelijk – of: Godheid – was het Woord. Zeker niet “een” god. Het ontbreken van het bepaald lidwoord maakt niet onmiddelijk het onbepaald lidwoord noodzakelijk.) Jezus deelt in de naam van God en Zijn karakter, oefent alle goddelijke functies uit en is het voorwerp van menselijk geloof en verering.

De conclusie kan dan niet anders zijn, dat Paulus volledig bewust en terecht Jezus met de titel “God” aanduidt, ondanks het feit dat Jezus ook deel heeft aan de menselijke natuur, wat vlak daarvoor ook nadrukkelijk gezegd is, namelijk dat Hij is voortgekomen uit Israël naar het vlees.

De gerechtigheid die de Geest in ons werkt: parafrase van Romeinen 8

PARAFRASE ROMEINEN 8

GEEN VERDOEMENIS

Ik kan hier nu alvast een conclusie trekken en dat is deze: voor hen die in Christus Jezus zijn, met Hem verbonden zijn, gelijk geworden zijn in Zijn dood en opstanding, voor die mensen is er geen verdoemenis meer. Het rechtvaardig oordeel van God over hen leidt niet tot de straf die daarmee verbonden is. “Verdoemenis” is namelijk niet alleen het oordeel dat God velt, maar juist ook het vonnis dat Hij voltrekt. Het is oordeel en strafuitvoering inéén.
Natuurlijk zijn we nog niet geheel en al bevrijd van de macht van de dood en de zonde, dat blijkt ook steeds weer. De zonde is een macht die nog steeds ons zijn wil oplegt in het dagelijks leven. Ons doen en laten wordt er telkens mee besmet. Toch komen we om die reden niet alsnog in het oordeel terecht en hoeven we daar geen angst voor te hebben.
De Geest van Christus heeft ons daarvan vrij gemaakt. De Geest heeft ons onder een ander regime geplaatst en daardoor zullen wij leven. Dat wil ik jullie nu uitleggen.

GODS REDDENDE WERK

Het volgende is gebeurd:
God heeft gedaan, wat de Wet op zichzelf niet bij machte was te doen. Oorspronkelijk heeft God de Wet gegeven als een weg naar het leven. Maar langs de weg van de Wet werd het heil niet bereikt. Dat kwam door de verdorvenheid van de mens. Tegenover de zonde in het menselijk leven stond de Wet machteloos. God heeft daarom een andere weg gekozen. Toen duidelijk gebleken was dat op grond van de werken van de Wet niemand het zou redden om voor God rechtvaardig te zijn.
Toen heeft God Zijn Zoon gezonden. Waarom? Vanwege de Wet en vanwege de zonde. De zonde moest worden veroordeeld en de Wet moest in het gelijk worden gesteld.
Daarom is de Zoon van God volkomen aan ons mensen gelijk geworden. Hij is vlees geworden, hetzelfde vlees dat in ons de zonde dient; hetzelfde vlees dat weigert de eis van de Wet te vervullen. Maar Christus heeft ondanks het feit dat hij vlees was, net zoals wij, juist niet gezondigd zoals wij. Hij heeft in het vlees de eis van de Wet volkomen vervuld. Daarmee is aangetoond dat de Wet volmaakt en heilig en goed is en dat we de Wet geen verwijt kunnen maken. Dat er verdoemenis is, dat ligt aan ons. Het grote obstakel voor Gods liefde is onze schuld en onze zonde. Daarmee heeft God ook een begin gemaakt met het wegnemen van de zonde.

GODS DOEL MET ONS: VERANDERING

Het is dan ook duidelijk dat Christus gekomen is vanwege de zonde, om de zonde als macht op te heffen. Niet alleen om ons te bevrijden van het oordeel, maar ook om ons te veranderen. God laat Zijn Wet uiteindelijk niet vallen. Zijn wil moet worden gedaan. God is daarin ook geslaagd. De rechtvaardige eis van de Wet wordt wél vervuld, eerst in Jezus Chrisuts, Zijn Zoon en dat gebeurt nu in ons, door het geloof, omdat we Christus door Zijn Geest onze handel en wandel laten bepalen. De zonde heerst niet meer over ons, door te bepalen hoe we in het leven staan, maar Gods Geest heerst over ons, omdat we in Christus zijn en niet langer alleen leven in het vlees, d.i. geleid worden door de driften en gedachten die uit ons natuurlijke bestaan voortkomen. We hebben een geheel andere levenshouding gekregen. We leven nu in de Geest van Christus.

MENSEN VAN HET VLEES EN MENSEN VAN DE GEEST

We moeten namelijk een nauwkeurig onderscheid maken tussen twee groepen mensen. Er zijn mensen bij wie geheel het leven en heel hun denken wordt bepaald door hun natuurlijke neigingen, door hun vlees. Van de werken van het vlees is hun leven dan ook vol. Maar dan zijn er ook andere mensen, die verlangen naar de vrucht van de Geest.
Hierin ligt dan het scherpe onderscheid: de mensen van het vlees streven naar een leven dat geheel en al in de macht van het verderf ligt, terwijl het leven uit de Geest geheel en al vervuld is van leven met God en vrede bij God.
Ga maar na: wat voortkomt uit het leven in het vlees is per definitie opstand tegen God. We zijn immers allen kinderen van Adam. Het vlees is “naar het beeld van Adam” en daarom is het rebellie in plaats van gehoorzaamheid aan de Wet. Het natuurlijke leven in het vlees is niet in staat iets anders te doen dan tegen Gods wil in te gaan. Het is immers een manier van leven waarin de zonde – de begeerte van het vlees, de lust van de ogen en de hoogmoed van het leven –  domineert en niet de Geest. Opnieuw: dat komt omdat het vlees met zijn natuurlijke neigingen in dat geval een mens volkomen in de greep heeft en daaraan kan de zonde zijn macht uitoefenen.

GELOVIGEN IN DE GEEST

Na wat ik eerder gezegd heb in hoofdstuk 5 en 6 kan het geen verrassing voor jullie zijn als ik zeg dat jullie, als gelovigen, niet “in het vlees” zijn. Jullie zijn niet langer “natuurlijke” mensen, want er is iets beslissends bij jullie gebeurd. Wat jullie waarderen, hoe jullie leven, waarop jullie gericht zijn en waarnaar jullie streven, dat alles wordt nu door de Geest van God bepaald. De zonde heeft zijn macht over jullie verloren. En dat komt omdat de Geest van God niet als eis aan het vlees wordt opgelegd, maar van binnenuit in jullie werkt – de Geest woont in jullie. Jullie leven is van Hem. Wie dat niet zeggen kan en de Geest niet in zich heeft, kan zich ook geen Christen noemen. Als je een gelovige bent, dan woont de Geest van Christus in je; dat is Zijn belofte. We zeggen dat trouwens omdat we vertrouwen op Zijn Woord en niet omdat onze persoonlijke ervaring ons dat leert.

HET LICHAAM NOG NIET VERLOST

Als we dat hebben vastgesteld, dat de Geest van Christus in jullie woont, wil dat niet zeggen dat ons lichaam niet langer te maken heeft met de macht van de zonde en daarom ook met de macht van de dood. We zijn nog niet geheel en al bevrijd. Toch doen wij wel degelijk de gerechtigheid van God en voldoen we aan de rechtvaardige eis van de Wet. Dat laat zien dat we waarachtig het leven van Christus hebben ontvangen. Uiteindelijk zal echter de bevrijding volledig zijn en zal ook ons lichaam worden bevrijd van de macht van de zonde en de dood. Ons lichaam komt niet in Gods rechtvaardige oordeel terecht, want de Geest van Christus woont nu al in ons. Dat is de Geest van Hem die Christus uit de doden heeft opgewekt, die dus volledige macht heeft over de dood. Die Geest is het die in ons hart werkt. Door die Geest van de opstanding en het leven zal God ook onze lichamen uiteindelijk tot leven wekken en ons volledig bevrijden van de macht van de zonde en de dood. Dan is er ook geen strijd meer, zoals we die nu wel hebben, tussen ons geestelijk verlangen om Gods wil te doen en het feit dat we maar al te vaak toch uiteindelijk iets anders doen, namelijk de zonde. Daaraan zien we juist, dat de zonde nog macht heeft, zoals ik heb uitgelegd in hoofdstuk 7. Die strijd zal eenmaal voorbij zijn, en dan doen we volkomen Gods wil omdat de Geest van Christus zowel onze geest als ons lichaam zal beheersen.
Het is daarom wel duidelijk dat je van ons niets zult horen wat lijkt op de gedachte van sommigen, dat we maar raak kunnen leven omdat we toch niet meer in de verdoemenis zullen komen. Dat zou geheel en al in strijd zijn met het nieuwe leven dat we ontvangen hebben. Zoiets kunnen we gewoon niet eens denken. Gelukkig kunnen we ook niet werkelijk meer teruggaan naar een leven onder de zonde. Wanneer we zondigen is dat onopzettelijk; en het is niet onvermijdelijk meer, zoals toen we nog wel onder die tiran zuchtten. Als dat wel zo was, dan zouden onze heerlijke toekomst en de genade van God kunnen verspelen. Dan zouden we opnieuw komen te staan op de weg naar de verdoemenis.
Maar ik zei al, dat er voor hen die in Christus Jezus zijn, geen verdoemenis is. Ook niet wanneer we af en toe toch zondigen door onoplettendheid of door de zwakte van het vlees. Desondanks is wel duidelijk dat het onze verantwoordelijkheid is om niet toe te geven aan de verleiding van het vlees zodat de zonde bij ons geen kans meer krijgt. De zonde heeft weliswaar geen macht meer over ons, maar wanneer we niet opletten, grijpt hij zijn kans en brengt ons er toch toe om te doen wat niet behoort. Laten we ons maar beter concentreren op de weg van het leven. Dat is: dat we de Geest van Christus in ons leven laten regeren en dat we in de kracht van die Geest alle verkeerde handelingen staken en verkeerde neigingen laten sterven.

ZONEN EN KINDEREN VAN GOD

Wie dat doen, wie zich zó onder de macht van de Geest plaatsen, die mensen zijn werkelijk “zonen van God” omdat ze hun karakter door Hem laten vormen.  Wie zich door Gods Geest laat leiden, is pas echt een kind van God. (“Zoon” slaat op verantwoordelijke positie en gevormd karakter; “kind” wijst op het feit dat we door adoptie in Gods zorg en levenskring – familie – zijn opgenomen en van Hem afhankelijk zijn.)
Overweeg het maar eens: God wilde dat wij zouden leven als Zijn kinderen. Hij wilde niet dat wij slaven van de zonde zouden zijn, maar evenmin dat we slaven onder de Wet zouden zijn. Ook al zijn we alleen maar “slaaf” omdat de Wet ons vlees onderwerpen moet. Als we niet aan de macht van de zonde waren onderworpen zouden we de Wet vrijwillig en met vreugde hebben vervuld.
Dat ligt, zoals ik zei, niet aan de volmaaktheid van de Wet. God wilde in ieder geval niet dat we zouden leven in angst, zouden gehoorzamen omdat we bang waren voor het oordeel. Dat is niet de Geest waarover ik gepredikt heb. Het evangelie dat jullie hebben gehoord hield in, dat God jullie tot Zijn geliefde kinderen, ja tot erfgenamen wilde maken. Dat is wat de Heilige Geest zelf aan jullie harten gepredikt heeft. Dat blijkt uit het feit, dat het juist de Heilige Geest is die jullie de vrijmoedigheid heeft geschonken God als jullie Vader aan te roepen.
Het is immers de Heilige Geest die getuigenis aflegt tegenover onze geest dat wij kinderen van God zijn. Gelukkig maar, want uit onszelf zouden we dat nooit hebben aangenomen. Op grond van het evangelie geloof en weet ik dat, niet op grond van mijn eigen ervaring. Vanwege dit getuigenis van de Geest aan mij, kan ik me dan nu ook laten leiden door die Geest en mijn levenshouding, gedrag, strevingen, heel mijn leven baseren op het feit dat ik een kind van God ben. Op die manier komen de Geest en mijn geest dan met elkaar overeen, doordat ik me buig voor het getuigenis dat de Geest in mijn hart legt. Wat jullie toch merken elke keer weer als je God mag aanspreken met “Vader” en dan beseft dat Hij dat werkelijk is!

DE RIJKDOM VAN DE ERFENIS

Wat een rijkdom is het intussen een kind van God te mogen zijn. Erfgenamen zelfs! Wat betekent dat eigenlijk, dat we erfgenamen van God zijn? Wie is de echte erfgenaam? Dat is Christus, de Zoon van God. Maar nu wij zijn “geadopteerd” zijn we in volle zin ook kinderen van God geworden, zoals Christus Jezus het ook is. Wij delen dus in alles wat de Vader geven kan en wil met Christus. Heel concreet: wij zullen straks ook delen in de heerlijkheid van de Zoon. Dat is de erfenis die God Hem geschonken heeft, en die Hij ook aan ons schenken zal omdat wij mede-erfgenamen van Christus zijn geworden.
Denk er wel aan, dat wij nu al mede-erfgenamen geworden zijn, en dat is voordat de heerlijkheid van de Zoon over de aarde zichtbaar is. In deze tijd en in deze wereld lijdt de Zoon van God alleen maar smaad en hoon. Dat is dan, als mede-erfgenamen, ook ons deel in dit huidige bestel. Wij delen in Zijn smaad. Wij worden vervolgd vanwege Zijn Naam. Dat is trouwens helemaal niet erg, want dat hoort erbij. Straks zullen wij delen in Zijn verheerlijking net zozeer als dat we nu deelhebben aan Zijn vernedering. In ieder geval geldt voor ons dit beginsel: dat wij niet leven alsof ons leven ons toebehoort, maar dat we leven in het besef dat we Hem toebehoren. We moeten een leven leiden dat waardig is voor een erfgenaam met Christus.
Dat brengt lijden met zich mee, zoals ik al zei, maar dat lijden is nauwelijks te vergelijken met de heerlijkheid die ooit aan ons geopenbaard zal worden. Het ene weegt niet op tegen het andere. Het lijden valt in vergelijking met de heerlijkheid in het niet. Vanwege dat lijden verlangen we ook zozeer naar de dag dat die heerlijkheid geopenbaard zal worden en het duidelijk zal zijn voor iedereen dat wij waarachtig kinderen van God geworden zijn. Dat is immers ook de dag dat Christus in Zijn volle heerlijkheid openbaar zal worden en Zijn Koninkrijk zal aanbreken. Dat verlangen is niet beperkt tot ons trouwens.

HET ZUCHTEN VAN DE SCHEPPING

Ga maar na als je naar de schepping kijkt. Is het niet zo dat de hele wereld zucht en kreunt en verlangt naar de dag dat ook zij bevrijd zal zijn van de vloek? Wanneer de kinderen van God verheerlijkt zullen worden, dan zal dat ook gebeuren met Gods schepping. In de heerlijkheid van de zonen van God zal de schepping zelf delen. Nu is dat nog helemaal niet zo. In de schepping is er groei, een kortstondige bloei en dan sterven. Een zinloze cyclus van opkomen en vergaan. We weten dat de schepping is onderworpen aan een vergeefsheid en een doelloosheid die oorspronkelijk niet bij haar hoorde. “IJdelheid” noemt de Prediker dat.
Die ijdelheid is niet de schuld van de schepping. God heeft haar moeten onderwerpen aan die ijdelheid vanwege ons. Het aardrijk is vervloekt vanwege onze zonde!
Toch is er hoop. De schepping is nu weliswaar aan verderf en dood onderworpen, maar er komt een dag dat zij daarvan bevrijd zal worden. Wanneer God Zijn kinderen bevrijdt, zal Hij ook de schepping zelf bevrijden. Daarom is er een diep zuchten dat je door de schepping heen voelt gaan en daarom is er die zware worsteling om het leven. Het lijkt op de geboorte van een kind. Wat de schepping ervaart is niet de pijn van een hopeloze ondergang, maar de voorbode van een nieuwe tijd die komen zal.

HET ZUCHTEN VAN DE GELOVIGEN

Wijzelf zuchten net zo goed, ondanks het feit dat wij weet hebben van onze verlossing. Ook wij verlangen naar een toekomstige heerlijkheid. Daar hebben we zelfs nog meer reden toe. Wij ontvingen immers de Geest van Christus. Die Geest is al begonnen met de vernieuwing en verheerlijking. Daaraan zien we dat het absoluut zeker is, dat die heerlijkheid er ook in de toekomst komen zal. De veranderingen die we nu ondergaan zijn een zeker teken van de uiteindelijke totale verlossing. Nu onze ziel, maar straks ook het lichaam. Denk maar aan de oogst: eerst zijn er de “eerstelingen”, daarna de volle oogst. Ook Gods verlossing doorloopt verschillende fasen. Daarom is er ook voor ons nog iets om naar uit te kijken met een diep verlangen en dat is dat ons lichaam straks ook verlost zal zijn van de macht van de zonde en de dood.
We kunnen dus zeggen dat we verlost zijn in en met hoop. We zien die volmaaktheid nog niet, want als je het zou kunnen zien is het geen hoop meer, dat spreekt vanzelf. Onze redding heeft tot doel, dat we op de toekomstige verlossing gaan hopen. Toch helpt deze hoop ons nu al. Want de zekerheid van Gods toekomstige verlossing geeft ons in het heden de kracht om vol te houden en spoort ons aan om geduldig af te wachten. Daarom klagen wij niet zoals zovele anderen omdat we menen dat we recht hebben op een beter leven. Maar omdat we weten wat de toekomst zal brengen, zuchten wij wel van verlangen.

HET ZUCHTEN VAN DE GEEST

Zuchten, dat doet de Geest Zelf ook. Het is Gods Geest die ons de kracht geeft om te hopen en geduldig te zijn. Als wij bidden, weten we vaak niet hoe we moeten omgaan met onze status in het heden en de belofte van de toekomstige verlossing. Zo horen we immers te bidden. Als zonen van God die zeker zijn van hun erfenis. Vaak is ons gebed een gebed vanuit het kortzichtige verlangen van het vlees, en vaak is ons gebed onwaardig tegenover onze status als zonen van God. We bidden vaak vanuit het vlees. De Geest neemt het gelukkig van ons over. Hij bidt in onze plaats, op de achtergrond van onze vaak zo armelijke gebeden. De Geest bidt met een zuchten en kermen dat onze menselijke taal te boven gaat en dat we daarom niet kunnen horen. God als kenner van de harten van mensen, begrijpt uiteraard wat in het hart van de Geest is. Het gebed van de Geest – en bij gevolg ons gebed dat door de Geest gedragen wordt – is dus een volmaakte communicatie met God.
Het gebed van Gods Geest wordt daarom ook altijd verhoord. De Geest bidt immers – anders dan wij – in volkomen overeenstemming met Gods karakter en met een volkomen inzicht in Gods wil. En dat niet alleen, maar de Geest bidt ook vóór ons in de zin dat Hij het voor ons opneemt, dat Hij pleit voor ons bij God. De Geest kent bovendien onze eigen werkelijke behoeften. Veel beter dan wij dat zelf weten, kan de Geest dus bidden voor wat we werkelijk nodig hebben. Dat geeft ons de zekerheid dat alles wat de Geest namens ons bidt, door de Vader ook zal worden verhoord. Wat niet geldt voor ons gebrekkige bidden met een beperkt inzicht in wat we zullen bidden naar behoren.

VAN VOORKENNIS TOT VERHEERLIJKING

Voor gelovigen is er dus een leven van lijden en bidden; ondanks de redding uit het oordeel en ondanks de gave van de heilige Geest, zijn we er nog niet. Maar we weten dat alles wat ons overkomt toch in dienst staat van onze uiteindelijke verheerlijking. We zijn immers niet zomaar en willekeurig geroepen en uiteindelijk hing het niet af van ons initiatief. God heeft in de eeuwigheid een voornemen opgevat. En in dat voornemen heeft Hij ons in liefde gekend. Op grond van die liefde heeft Hij ons een bestemming gegeven, namelijk dat we gelijk zouden zijn aan Zijn Zoon in heerlijkheid. En dat voornemen voert God dan ook uit door ons te roepen en te rechtvaardigen – vrij te spreken van het oordeel – en ons uiteindelijk ook te verheerlijken. Dat is de gouden ketting van Gods werk aan ons: voorkennis, voorbestemming, roeping, rechtvaardiging en verheerlijking. De kern daarvan is dat Hij ons gelijkvormig wilde maken aan Zijn Zoon. Waarom? Opdat die Zoon te midden van velen de Eerstgeborene zou kunnen zijn. In ons als degenen die door Christus gered zijn, straalt de heerlijkheid af van de Zoon van God.
Die verheerlijking is zeker en vast. Die zal plaatsvinden. Dat is een eeuwig raadsbesluit van God. Daarom zijn we tot geloof geroepen en gerechtvaardigd, om ons aan Christus’ heerlijkheid deel te laten hebben. Het is zeker en vast, omdat God het besloot vanwege Zijn Zoon!

GEEN ANGST MEER, MAAR OVERWINNING

Komen we dan tot een conclusie, dan moet het deze zijn: we hebben niets meer te vrezen. Het is duidelijk dat God Zelf aan onze kant staat in de strijd van het leven. Wie of wat kan ons dan hinderen om onze eindbestemming te bereiken?
Ga maar na: God heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem om ons te redden in de dood overgegeven. Als God ons Zijn Zoon schenkt, is er dan nog iets dat ons niet geschonken wordt? Als straks die Zoon Zijn erfenis ontvangt, zal God ons dan minder geven dan het ons beloofde erfdeel? Kan er dan iets ontbreken aan de gave van Gods genade die ons is toegezegd? Zullen we dan toch nog in het oordeel staan en dus in de verdoemenis komen? Zal er straks een aanklager zijn die het God verhinderen zal om ons de volkomen verlossing te schenken? Als het God Zelf is die deze grootse dingen aan ons doen wil, wie zal dat dan kunnen tegenhouden? Is er dan iemand die met succes een beschuldiging kan inbrengen tegen mensen die God juist heeft uitgekozen om niet in het oordeel te staan? Wie zal kunnen veroordelen, wanneer God vrijspreekt? Het enige antwoord op al deze vragen is: nee, niets en niemand!

GODS LIEFDE IS VAST EN ZEKER

Laten we dit feit maar als houvast nemen. Christus Jezus is voor onze zonden gestorven en heeft volkomen genoegdoening bewerkt voor al onze zonden. En nu Hij verhoogd is en aan Gods rechterhand gezeten is, neemt Hij het in Gods hemelse rechtszaal voortdurend voor ons op. Dat is het kenmerk van de liefde die Christus voor ons heeft: dat Hij voortdurend met ons bezig is, ons ten goede. Wie kan die liefdesband verbreken? Wat kan die relatie met Hem verstoren? Als iemand ons berooft van voedsel of kleding, is Zijn liefde voor ons dan onzeker geworden? Als we bedreigd worden met gevaren, zelfs voor ons leven, is de liefde van Christus daarom minder geworden? Want die situatie waarin we ons als gelovigen bevinden is een realiteit van alle eeuwen, hoor maar: “O God, omdat we Uw volk zijn, staat men ons voortdurend naar het leven. Men houdt ons voor vee, dat moet worden afgeslacht.”
Als dat zo is, en als benauwdheid en lijden dus een vanzelfsprekende realiteit zijn voor gelovigen in deze wereld, die nog moeten wachten op de dag van de bevrijding, dan zijn dit geen ervaringen die ons van onze zekerheid kunnen beroven en ons laten twijfelen aan de liefde van Christus. Wij overwinnen. Altijd en met glans. Christus zelf zorgt er voor dat we er altijd als overwinnar uit komen, in wat voor omstandigheden we ons ook bevinden. Hij heeft ons liefgehad en heeft ons lief en die liefde wijkt voor niets. Al komt er onheil van de aarde, al daalt het af van de hemel; of er nu engelen zijn die ons naar het leven staan of andere machten, of dat nú gebeurt of in de toekomst die nu al dreigt; al zijn er krachten in het werk van boven of uit de afgrond, welk schepsel het ook maar kan zijn die ons bedreigt, niets en niemand kan ons losmaken uit de band van de liefde die God heeft geopenbaard voor ons in Christus Jezus. Hij is het in wie en met wie wij veilig zijn. Hij is onze Heer en Meester!