Het gezag van de Schrift in de prediking

“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)

Het overkomt vaak studenten uit een christelijk gezin, die op de middelbare school of op de universiteit geconfronteerd worden met harde kritiek op de Bijbel. Ze beginnen te twijfelen. De antwoorden van vader en moeder zijn niet langer voldoende, en meestal weet de predikant er ook geen raad mee. Bovendien is het gezag van de gemeente gering in vergelijking met het gezag van de leraren waarmee een jonge student geconfronteerd wordt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel jonge mensen afhaken, aan de Bijbel hooguit de status van interessante verhalen toekennen, en op die wijze het vertrouwen verliezen in de Bijbel als Gods Woord.

Dat is echter niet mijn onderwerp. Waar ik vandaag over schrijven wil, is over het verschijnsel dat volwassen christenen, die nog kerkelijk actief zijn, net als vele predikanten, subtiele manieren hebben gevonden om aan het gezag van de Bijbel te ontkomen. Ze belijden de waarheid van de Schrift nog wel, maar in de praktijk speelt dat gezag geen rol. Veel predikanten zijn in hun opleiding bedolven onder een stortvloed van argumenten voor de liberale Schriftkritiek. Dat begint bij twijfels aan het auteurschap en de ouderdom van sommige teksten. Bijvoorbeeld: is er een profeet geweest die het boek Jesaja heeft geschreven? Ook als het antwoord is dat het boek van deze profeet in meerdere fasen van de geschiedenis tot stand is gekomen, kun je het gezag van die tekst nog wel handhaven. Het ligt moeilijker wanneer we bijvoorbeeld moeten nadenken over het auteurschap van het evangelie naar Johannes. Als het is geschreven door de apostel voor het einde van de eerste eeuw, dan berust het zeker ook op het geheugen van de apostel die getuige was van deze gebeurtenissen. Als het echter geschreven zou zijn door zijn leerlingen meer dan 30 jaar na de dood van de apostel, die hun geschrift op naam van Johannes hebben gesteld, dan moeten we het gaan rekenen tot de kerkgeschiedenis en niet tot de schriftelijke openbaring. Maar het gaat nog verder wanneer ze in de opleiding leren dat het Nieuwe Testament vol zit met culturele veronderstellingen, met een verouderd wereldbeeld dat niet meer te handhaven is, en dat alles in de Bijbel van haar mythische vorm moet worden beroofd. Wat we dan overhouden is een kern die ons in ons persoonlijk leven nog als troost en bemoediging en oproep tot “authenticiteit” kan aanspreken.

Natuurlijk, predikanten komen in hun opleiding ook de gedachte tegen, dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God zou zijn. Maar de universiteit is doordrongen van de liberale Schriftkritiek, dat wil zeggen dat een dergelijke opvatting als een rariteit uit het verleden wordt bijgezet in het museum. Alleen nog geschikt om mee bezig te zijn vanwege naïeve gelovigen in de gemeente.

Als predikanten dus geleerd hebben om het gezag van de Bijbel te negeren of zelfs in een poging om eerlijk te zijn tegen te spreken, wat moet de gemeente dan nog denken? Bij het lezen van de Bijbel kunnen gemeenteleden allerlei twijfels hebben. Vooral de passages uit het Oude Testament zijn ons welbekend, die steeds tot diepgaande zorgen aanleiding geven. Hoe zit het dan met de intocht in Kanaän. Met de overduidelijke genocide die daar gepleegd wordt. Gelukkig is dat dan het Oude Testament dat wij als christenen toch naast ons neer kunnen leggen – met uitzondering van de psalmen en het boek Genesis. Maar die vragen kunnen zich ook gaan uitbreiden in de richting van het Nieuwe Testament. Is het verhaal van de opstanding van Jezus een uiting van geloof zonder realiteit? Of is het een betrouwbaar ooggetuigenverslag – juist vanwege de inconsistenties tussen de evangelisten – dat ons een betrouwbare en historische grondslag geeft voor ons geloof?

Het gaat mij dus om mensen – gemeenteleden en predikanten – die de hele kwestie van het gezag van de Bijbel uit de weg willen gaan. Het gaat mij om christenen die eigenlijk niet langer het reformatorische beginsel van Sola Scriptura – alleen de Schrift – hanteren. Laat staan de toespitsing daarvan op het afgeleide beginsel van Tota Scriptura – heel de Schrift. Nog niet zolang geleden was in onze Hervormde Kerk het vanzelfsprekend dat de Bijbel gezag had omdat het de schriftelijke vorm was van Gods Woord. Respect voor Jezus als de hoogste autoriteit in de kerk was ondenkbaar zonder respect voor de Bijbel die Jezus als gezaghebbend citeerde en in Johannes 17 gelijkstelde aan de waarheid. Zonder de Schrift die door de Geest van Christus geïnspireerd was, hadden we ook geen enkel besef van wie Jezus was en is. Zo was het ook ondenkbaar om te tornen aan het idee, dat de Bijbel gezaghebbend was in alles wat zij leerde. Niet alleen maar inzake van geloof en leven, maar ook in haar weergave van historische realiteiten – hoewel het zeker noodzakelijk was om goed te letten op het genre zodat we de Bijbel niet gingen lezen als een handboek voor kosmologie of biologie.

Aan het gezag van de Bijbel was ons dus ooit veel gelegen. Daarom waren wij een kerk van de Reformatie. Wij hebben in onze traditie daarom altijd ook de noodzakelijkheid van de Schrift bevestigd. Al is het bij ons nooit zover gekomen dat wij ons letterlijk het beginsel van Calvijn hebben eigen gemaakt, dat de Schrift ook de enige norm en bron moest zijn van de inrichting van de eredienst. De grote waaier van rooms-katholieke invloeden op de inrichting van onze eredienst in de huidige tijd is daarvan het duidelijke bewijs. Maar toch, het was ons fundament. Zonder de schrift kon je Christus niet kennen. Als je Hem niet kende, kon je Hem niet eren. Waar zou de kerk echter toe dienen als zij haar Heer en Heiland niet zou kunnen eren?

Wat zijn nu “subtiele manieren” om je aan het gezag van de Bijbel te onttrekken?

1. Selectief zwijgen
Predikanten hebben zo hun lievelingspassages. Daarover kun je steeds weer opnieuw preken zodat de gemeente steeds een positieve en bemoedigende preek te horen krijgt. Het is zelden dat gepreekt wordt over een tekst die lijden en pijn als thema heeft. Het is zelden dat gepreekt wordt over Gods gerechtigheid, vooral als die in de vorm van oordeel en macht naar voren komt zoals vaak in het Oude Testament. Begrippen als straf en tucht zijn niet langer in de mode en daarom worden ook passages vermeden waarin dat naar voren komt. Wie van de predikanten durft nog te preken over de hel? Dat is een begrip dat zowel door Jezus als door de apostelen uitvoerig gebruikt wordt en vanzelfsprekend bij hun gedachtewereld hoort. Maar in onze preken wordt het zorgvuldig verwijderd om niet het predikaat “donder- en bliksempreek” op te roepen. Daarom wordt er ook niet gepreekt over zonde in het algemeen, over overspel, of over het homohuwelijk. Daarom wordt er ook niet gepreekt over de rolverdeling van mannen en vrouwen, of de rol van de vrouw in het ambt van predikant. Dat zijn zaken waar de gemeente immers verdeeld over is en omdat je niet wilt dat de ene helft van de gemeente wegloopt terwijl de andere applaudisseert, vermijd je dat soort onderwerpen maar.

In dit selectieve zwijgen is het duidelijk, dat de Bijbel haar gezag verliest omdat alleen die teksten nog aan de orde kunnen komen, die jouw eigen standpunt ondersteunen. (Of het algemeen gevoel van de gemeente ondersteunen.) Wanneer er passages in de Bijbel staan waarover wij niet kunnen preken, impliceert dat dat die passages niet Gods Woord zijn. Wanneer er passages zijn in de Bijbel waarover de gemeente alleen maar een negatief oordeel wil horen, zo in de trant van: wat jammer dat dat erin staat, of: ik begrijp dat u daar moeite mee hebt en ik ook, wordt zelfs nadrukkelijk het gezag van Gods Woord ondermijnd.

Ik heb het nu nog uitsluitend over de preken gehad, maar dit zet zich voort ook in andere verbale uitingen zoals in de catechese of de Bijbelkring. Wij dienen als predikanten ook te zwijgen over de waarde van het Nieuwe Liedboek om maar een ander pijnpunt te noemen – de toorn van kerkenraad, gemeente en organisten komt over je heen. We mogen als predikanten alleen maar zwijgen wanneer gastpredikanten het evangelie vervalsen, ook al is dat voor ieder mens die er aandacht aan geeft volstrekt helder te maken. Selectief zwijgen is een noodzakelijke overlevingsstrategie geworden voor een predikant die beseft, dat zijn baanzekerheid mede afhangt van het goede gevoel van de gemeente over zijn vriendelijkheid en inschikkelijkheid. De gemeente is niet geneigd om te begrijpen dat het Gods Woord is die een bepaalde prediking noodzakelijk maakt, en niet de vrije keuze van de predikant. Wanneer het Woord als negatief wordt beoordeeld, moet de schuld wel liggen bij de predikant die de verkeerde selectie maakte. Want waarom zou je de gemeente iets voorleggen, dat die gemeente onaangenaam in de oren moet klinken? Waarom zou je geen tekst kiezen voor de prediking, die het gehoor streelt? Of aansluit bij verwachtingen? Dat moet dan aan de recalcitrantie van de predikant liggen.

Onderbelichten en overbelichten

Een mooi voorbeeld van dit zwijgen is ook het verschijnsel van het onderbelichten van een passage of term. Ik geef als voorbeeld de prediking in de kersttijd over het evangelie naar Mattheus. Stel dat we voor kerstavond gekozen hebben voor een lezing uit Mattheus 1. De kerkenraad heeft al uitdrukkelijk gevraagd om de prediking op die avond toegankelijk te maken voor die buitenstaanders die maar één keer per jaar naar de kerk komen. Bij de uitleg van het geboorteverhaal komen we aan vers 20. “Terwijl hij deze dingen overwoog, zie, een engel van de Heere verscheen hem in een droom.” En even later: “wat in haar ontvangen is, is uit de Heilige Geest.” Wat moeten moderne mensen met deze “engel”, met deze “droom”, en met de “ontvangenis uit de Heilige Geest”? De gebruikelijke tactiek is het onderbelichten van dergelijke bewoordingen. We zeggen: “Jozef kwam vanuit zijn geloof en trouw, en vanuit zijn liefde tot Maria tot een beslissing haar niet te verstoten”. We zeggen: “omdat Jezus een bijzonder mens was, hebben de eerste christenen geloofd dat ook zijn geboorte bijzonder moest zijn, net als bij de keizer.”

Ziet u wat hier gebeurt? Door het op een andere manier te willen zeggen, verminderen we de realiteit waarnaar de tekst verwijst. Gods ingrijpen in het leven van Jozef, wordt een persoonlijke beslissing. De bovennatuurlijke geboorte van Jezus – het Woord dat vlees is geworden! – wordt een onderdeel van de mythe waarin uitsluitend de eerste christenen geloofd hebben. Zodat wij moderne mensen kunnen menen daar ver boven verheven te zijn, want wij hebben dergelijke sprookjes niet meer nodig.

Selectief zwijgen over de passages uit de Bijbel die aanstoot kunnen geven voor het moderne levensgevoel; selectief spreken over wat het moderne levensgevoel ondersteunt en het gehoor streelt; en het onderbelichten van alles in de Bijbel waar we van aannemen dat moderne mensen er toch niet meer in kunnen geloven, en ook niet meer in hoeven te geloven. Omdat tegelijkertijd de tekst van de Bijbel toch wordt naverteld lijkt het net alsof alles in orde is. Een gemiddeld kerklid hoeft het niet eens in de gaten te hebben dat er van dit zwijgen en selecteren en onderbelichten sprake is. Maar in werkelijkheid, voor iedereen die een dergelijke preek rustig nog eens naleest en vergelijkt met de strekking van de gebruikte passage uit de Bijbel, kan er geen twijfel zijn dat op subtiele wijze het gezag van de Schrift is omzeild.

2. Schaamte tegenover de tekst
Veel predikanten lezen een tekst, met name uit het Oude Testament, waarvoor ze in de preek verontschuldigingen aanreiken. Soms gebeurt dat rechtstreeks, door het nare gevoel te verwoorden dat iedereen in eerste instantie wel zal hebben, maar om het daar bij dan ook te laten. Soms gebeurt het indirect, door een Oudtestamentische tekst te contrasteren met een tekst uit het Nieuwe Testament.

We lezen bijvoorbeeld uit 2 Koningen 1 de geschiedenis van Elia. Dan komen we bij vers 10: “Toen kwam er vuur uit de hemel neer en dat verteerde hem en zijn vijftigtal.” God neemt het hier tegenover de gezalfdekoning van Israël Ahazia, op voor Zijn eigen eer. De koning heeft een afgod geraadpleegd vanwege zijn ziekte. Als de profeet hem het oordeel van de Heere aankondigt, stuurt de koning soldaten naar Elia om Hem daarvoor te straffen. Het wordt een strijd om de soevereiniteit. Wie is de waarachtige koning in Israël? De afgodendienaar Ahazia of de Heere God die spreekt door Zijn profeet?

Stel nu eens dat in de uitleg van deze passage de inzet van de strijd niet wordt vermeld. Er wordt alleen maar gezegd dat de koning ziek is, zoekt naar een genezing, en dan een woord van de profeet te horen krijgt, en dat die profeet met bovenmatige geweld onschuldige soldaten neerslaat met vuur uit de hemel. Opnieuw dus een voorbeeld van de onderbelichting van de strekking van een tekst. Daardoor wordt het heel makkelijk om de tekst te contrasteren met wat we lezen in Lukas 9. Wanneer de Samaritanen Jezus niet in hun dorp willen ontvangen, vragen Jacobus en Johannes: “Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook Elia gedaan heeft?” De discipelen maken dus een connectie met het verhaal van Elia, niet Jezus. Maar na de uitleg van het verhaal van Elia kan de predikant op een bijzondere wijze voortredeneren. Dat leidt tot deze schijnbaar fraaie conclusie. Jezus keurt hier af wat Elia gedaan heeft. Immers, “de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden.” De implicatie in de preek waarin deze beide passages met elkaar verbonden worden, is duidelijk. Elia heeft de zielen van mensen te gronde willen richten, maar Jezus daarentegen wil ze behouden. De Oudtestamentische tekst wordt dus alleen maar gebruikt om de houding van Jezus in scherp contrast te plaatsen. En de gemeente heeft het goed begrepen: het Oude Testament, het heilige boek van de Joden, staat vol met geweld, maar Jezus kwam die nare visie corrigeren. Hij zou hebben gewild dat de soldaten in leven waren gebleven.

Niets is echter verder van de waarheid. Dat is wat het selectieve zwijgen dan bewerkstelligt. Voor het gemak wordt vergeten, dat deze Jezus ook kon zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.” Zeker, Jezus is gekomen om zielen te behouden, maar dat impliceert dat sommigen “zullen gaan in de eeuwige straf” (Mat. 25:46). En Hij kon zeggen: “wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem” (Joh. 3:36).

Ziet u wat er gebeurt? Door de Oudtestamentische tekst te onderbelichten, en te contrasteren met een Nieuwtestamentische tekst, ontstaat er een overbelichting van de laatste. De reden van de strijd met de soldaten van de koning wordt weggelaten, en er wordt gesuggereerd dat Jezus’ weigering om vuur van de hemel te laten neerdalen, een bewijs is van Zijn allesomvattende vriendelijkheid. (Is het dan niet van belang dat beide teksten een geheel andere context hebben?) Maar in de eerste plaats zou Jezus het getuigenis van het Oude Testament nooit op die wijze verworpen hebben. In de tweede plaats is ook in het Nieuwe Testament de realiteit van Gods oordeel een belangrijke waarheid. In de derde plaats breng je, door die teksten op deze wijze met elkaar in verband te brengen, in feite alleen je eigen theologische mening naar voren. Terwijl de gemeente denkt dat de predikant bevestigt dat ze zich onrustig mag voelen door de teksten over Elia, en dat de predikant toch nauwkeurig de Bijbel heeft uitgelegd die duidelijk maakt dat Jezus een en al vriendelijkheid en liefde is. Ik noem dat een vervalsing van de Schrift in de preek. De schaamte over de tekst regeert en het inzicht in de diepte ervan ontbreekt. Wat overblijft is een tendentieuze prediking waarin de predikant meer zichzelf dan de waarheid heeft verkondigd.

Besluit
“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)
Wat zijn nu deze “schandelijke, verborgen praktijken”? In ieder geval is het de praktijk van het onderbelichten van een tekst, een eigen geheime agenda te hebben bij de uitleg van die tekst. Paulus verwijst met deze woorden het gedrag van een koopman op de markt. Een te hoge prijs rekenen, bijvoorbeeld voor wijn die je verkoopt als onvermengd maar intussen ruimschoots met water het aangelengd. Dat is een schandelijke praktijk.

Het onderbelichten van een tekst is als het aanlengen van de wijn met water, terwijl je doet alsof je het Woord van God zuiver uitlegt. Daarom is het bedrog. 

Wat is dan dit “vervalsen van het Woord van God”? Is het niet dit, dat we een tekst uitleggen volgens onze eigen intentie, en niet volgens de intentie van de schrijver zoals die blijkt uit de tekst? Het is om die reden dat de apostel Petrus zo nadrukkelijk stelt, dat “geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat.” Eigenmachtig wil zeggen dat we de tekst laten buikspreken om de boodschap te ondersteunen die wij zelf bedacht hebben.

In vers 5 vinden we de kern van de zaak. Het onderwerp van de prediking is niet wat wij zelf denken, ook niet onze eigen theologie, ook niet onze eigen hoogverheven of diepzinnige gedachten. Prediking is alleen maar het openbaar maken van de waarheid. En omdat die waarheid schriftelijk is vastgelegd in de Bijbel, is prediking niets anders wat Paulus aan Timotheüs schrijft: “predik het Woord.”

KOINONIA LIVE! #12 – de vijf “fundamentals”- 18 April 2017

This entry is part 13 of 73 in the series BROADCAST

De “Five Fundamentals” markeren het verschil tussen Bijbelgetrouw Christendom en het modernisme. In deze aflevering bespreek ik die “Fundamentals” vanuit de Gereformeerde Traditie tegenover het modernisme van Harry Kuitert.

De Fundamentals zijn:
1. De volkomenheid van de Schrift
2. De godheid van Jezus (of: de maagdeijke geboorte)
3. Christus’ plaatsvervangend sterven
4. Christus’ lichamelijke opstanding
5. De echtheid van Christus’ wonderen

KOINONIA LIVE! #10 – Sola Scriptura en de predikant – over D.A. Carson

This entry is part 11 of 73 in the series BROADCAST

Geheel gewijd aan D.A. Carson. Zijn preek over Deuteronomium 17 geeft ons inzicht in het belang van “Sola Scriptura” voor het werk van een predikant. Dat is een opmerkelijke exegese en toepassing van de Koningswet op de praktijk van de prediking.

Hieronder de volledige video van de toespraak van Carson:

[embedyt] https://www.youtube.com/watch?v=qIb1q4ulo34[/embedyt]

KOINONIA LIVE! #7 – Biddag voor gewas, arbeid en visserij – 8 maart 2017

This entry is part 8 of 73 in the series BROADCAST

Deze aflevering is geheel gewijd aan de preek van de Biddag voor gewas, arbeid en visserij.

De tekst voor deze avonddienst kwam uit Mattheus 20:1-16. De verkondiging ging over het falen van onze samenleving. Als de Heere ons niet door Zijn genade bewaart, zal onze afgoderij (Nationalisme, de Economie, het Populisme) grote schade blijven aanrichten. Maar Gods Geest houdt nog tegen, wat anders absoluut verderf zou brengen. Dat is de reden dat we een biddag hebben: omdat het slecht gaat, niet omdat we reden hebben om tevreden te zijn.

Goed om daaraan te denken als volgende week gekozen moet worden.

De fundering van de theologische kritiek – een beschouwing

Theologische kritiek is noodzakelijk voor het leven van de gemeente. Moet een theoloog nadenken over de waarheid van de preek? Of is er geen waarheid? En een gemeentelid, moet die alles klakkeloos aanvaarden wat een dominee vertelt? Moet een preek kritisch worden gevolgd en beoordeeld met Gods Woord? Mogen wij postmoderne mensen de waarheid kiezen uit het aanbod die ons gepast lijkt? We moeten het gaan hebben over de noodzaak van theologische kritiek.

Een theologische kritiek zoals ik mij die voorstel is een bijzondere taak van de theologie. Het betreft geen kritiek, die de kern zou kunnen zijn van de filosofie als wetenschap. Filosofie en kritiek vallen daarin samen. De theologie echter is de ontvouwing van wat in de openbaring is geopenbaard; zij is daarom verkondiging en leer. Maar omdat theologie om die reden ook wetenschap is – een weten dus dat genormeerd wordt door haar object, en geen voelen of intuïtie – wordt zij net als alle andere wetenschappen voor het probleem gesteld dat er naast waarheid ook onwaarheid is. Daarom geldt ook voor haar dat waarheid alleen gezegd kan worden, als zij van de onwaarheid wordt onderscheiden. Die onderscheiding is de kritiek. De stelling van Thomas van Aquino, dat waarheid zowel het criterium van de waarheid als van de valsheid is, komt in het bijzonder tot uitdrukking in de theologische kritiek.

De negatieve taak van de theologische kritiek is de enige bijzondere taak van de theologie als apologetiek, als verdediging van de waarheid. Apologetiek verdedigt de waarheid van de Christelijke leer tegenover de niet-Christelijke wereld. De theologische kritiek is de apologetiek gericht op de kerk zelf. Waarop is dat gefundeerd?

Als men de noodzaak van kritiek wil funderen, kan dit alleen gebeuren door aan te tonen dat het onderwerp behoefte heeft aan kritiek. Dat is alleen te leveren door de kritiek zelf. De fundering van de taak van de theologische kritiek en de uitvoering ervan vallen samen. Verder is het telkens alleen bij bepaalde onderwerpen mogelijk dit aan te tonen. Zodra met enige zekerheid de waarheid van een leer is gedemonstreerd, wordt het meteen ook noodzakelijk de onwaarheid van afwijkende stellingen aan te tonen. In de weerlegging van het onware worden de contouren van het ware zichtbaar.

Daarom is de strijd vóór de waarachtigheid van de openbaring van de God van Israël ook meteen een strijd tegen de afgoden. Daarom wordt in het eerste en tweede gebod vooral negatief het maken van beelden, de aanbidding van andere goden en het dienen van die goden verboden. Zowel de aanbidding als het dienen van die afgoden ligt vervolgens meteen in het perspectief van de ongerechtigheid die daaruit voortvloeit. Om die reden is de zin, waarin de reden van dit verbod wordt uitgedrukt, de aanduiding van God als een na-ijverig God die de zonden van de vaderen bezoekt aan de kinderen.

Het onderwerp van de kritiek is niet zomaar vrij te kiezen als een geschikt en daarbij toch willekeurig voorbeeld. Niet alle theologie is theologische kritiek. Bovendien is er niets anders te verantwoorden dan de algemene eis tot kritisch nadenken, de noodzaak van de kritiek in het algemeen. De afwijzing van kritische vragen omdát zij kritisch zijn – sceptisch genoemd kunnen worden – is een gebaar van intolerantie tegenover het denken. Een verbod op nadenken is wellicht het tegendeel van het verbod op afgoderij. Het onderscheid tussen de afgoden en de God van Israël kan alleen denkend gemaakt worden. De bijzondere noodzaak van de theologische kritiek – anders dan de algemene noodzaak van de filosofische kritiek – ligt in de noodzaak de “ware” godsdienst te onderscheiden van haar surrogaten.

Dat ligt in het wezen van de zaak zelf. Theologische kritiek is niet de weg waarlangs de theologie zich van haar onderwerp verzekert. Maar zij is wel de discipline van de zuivering van het nadenken over haar onderwerp. Theologie valt niet samen met haar bijzondere kritische opdracht, maar zonder deze kritische opdracht wordt zij tot chaotische massa waarin openbaring, religieuze fantasie en geleefde ervaring samenklonteren.

De uitvoering van de taak van de theologische kritiek doet zich als volgt voor: een theoloog wordt geconfronteerd met stellingen – vaak concreet: uitleg van Bijbelse teksten –  t.a.v. de Openbaring, die, wanneer ze waar zouden zijn, zeer belangrijke gevolgen hebben voor de praktijk van het geloofsleven. Het belang van die gevolgen wordt door de schijnbare waarschijnlijkheid en aantrekkelijkheid van die stellingnamen verborgen.  Die gevolgen moeten daarom ook steeds in de weerlegging aan de orde komen. Die praktische gevolgen zijn een motief voor de kritiek, maar funderen haar nog niet.

De verkondiging en de leer van de kerk – dus ook de verkondiging en het onderwijs van de dienaren van het Woord – moeten in overeenstemming zijn met de maatstaf van de waarheid en dat is Gods geschreven Woord. Alleen zó kan worden bereikt, dat verkondiging en leer in overeenstemming zijn met hun Onderwerp, het vleesgeworden Woord. Alleen wanneer men in de kerk vrijelijk de dialoog kan aangaan over de openbaring om de verkondiging te toetsen aan het Woord, creëert men het klimaat waarin waarheid gewaardeerd wordt. De noodzaak van theologische kritiek is dus uiteindelijk pastoraal gefundeerd. Wie de Zoon niet heeft – door een verkeerde leer over de Zoon, door de incarnatie te loochenen of het zondoffer – heeft ook de Vader niet – ondanks het zelfbedrog waarin men meent in een eigen religiositeit toch in de goede verhouding te staan, een oprecht geloof te hebben etc.

Zelfs al in de tijd van het Nieuwe Testament was deze taak van de theologische kritiek van groot gewicht. Zie maar eens hoe 2 Tim. 3:14 – 4:5 de opdracht van de theologische kritiek funderen. Timotheüs wordt voorgelegd, dat de Schrift nuttig is om te weerleggen en te verbeteren. Welke weerlegging kan hier bedoeld zijn, behalve de weerlegging van de onwaarheid in de verkondiging of de leer? Welke verbetering anders dan die van de leer? Dat het daarin ook gaat om opvoeding in de gerechtigheid en om de volkomen toerusting sluit niet uit, dat juist in de gezonde leer het fundament ligt voor de praktijk van het christelijke leven. De aanwijzing in 2 Tin. 4:3 dat er een tijd komt waarin mensen afstand zullen doen van de “gezonde leer” – d.i. van de leer die gezond máákt – omschrijft de oorzaak van de ziekte. De symptomen zijn eveneens duidelijk: zoeken naar wat het gehoor streelt en voor zichzelf leraars verzamelen en dat alles overeenkomstig eigen begeerten. Dan zijn er ook mensen die spreken wat het gehoor streelt en bij de behoeften van de mensen aansluit. Voor zichzelf leraars verzamelen – dan zijn er ook leraren die zich laten “verzamelen” en streven naar een beperkteen veilige aanhang zodat ze niet binnen de algemene kerk hun leer hoeven verdedigen. Men preekt maar al te vaak voor “eigen” parochie.  “Overeenkomstig hun eigen begeerten”, zodat er ook leraren zullen zijn die deze “begeerten” juist proberen te bevredigen – al dan niet bewust.

Timotheüs heeft niet tot taak de genoemde leraren als collegae te aanvaarden en kritiekloos met hen om te gaan. “Weerleg, bestraf en vermaan” is zijn opdracht. “Predik het Woord” – is zijn opdracht. “Blijft u echter bij wat u geleerd hebt” – is daarvan het fundament. Paulus maakt onomwonden duidelijk dat er valse leraren kunnen zijn, die zich net als Jannes en Jambres tegen de waarheid verzetten. Zo zijn er ook velen die altijd leren maar nooit tot kennis van de waarheid komen. Wat deze teksten doen is zeker niet gelegen in hun letterlijke toepassing op onze tijd. Dat zou willekeur zijn zolang onze tijd zelf niet begrepen is. Maar deze teksten scheppen minstens de ruimte waarin zoiets als theologische waarheid weer relevant en richtinggevend kan zijn. In zulke teksten wordt de moderniteit overstegen door de aanname van een bron van Openbaring die voorbij ons denken en voelen gaat. Maar evenzeer wordt de post-moderniteit ter zijde geschoven, waarin ieders mening, vanuit welke begeerte dan ook, moet worden erkend, en waarin waarheid zelf niets anders is dan het zoveelste “verzinsel” waarin mensen schuilen voor de leer die hen gezond had kunnen maken.