8 kenmerken van de waarachtige prediking – KOINONIA LIVE! – donderdag 23 november 2017

This entry is part 64 of 73 in the series BROADCAST

Bespreking van Ezechiel 2:1 – 3:10.
Daarin vinden we acht voorwaarden van de waarachtige prediking:

1) werkelijk Gods Woord horen
2) werkelijk gezonden zijn
3) alleen Gods Woord spreken
4) prediken zonder angst voor de hoorders
5) Gods Woord verinnerlijken
6) beseffen dat de hoorders het ook niet kunnen of willen aannemen
7) woorden van klagen,verzuchting en wee durven spreken
8) zelf ook met het hart horen

Stilte – en het spreken van de HEERE

Wij onderschatten de waarde van stilte. In gebedskringen maak je vaak mee, dat vurige bidders de een na de andere het woord nemen. In andere kringen is er een pijnlijke stilte als gevraagd wordt of iemand met gebed wil openen. Dan maar liever een “stukkie” voorlezen. Ook in de eredienst moeten er niet al te lange stiltes vallen en zelfs het stil gebed mag toch eigenlijk niet langer duren dan pak en beet 30 seconden. (Of zelfs nog minder.)

Of spreekt God in de stilte tot ons hart? Moeten wij niet stil zijn, om de stem van de Heer te kunnen verstaan? Jeremia moest tien jaar wachten, vóórdat de Heer Zijn woorden tot hem begon te spreken. (Jer. 42:7) Waren die tien jaren dan verloren tijd? Of is in die stilte dit woord voorbereid, heeft Jeremia het woord dat eerder gesproken was, op zich laten inwerken?

In elke conversatie is stilte wezenlijk: we spreken niet door elkaar héén. Stilte is luisteren, afwachten, bereidheid om iets te horen, en niet alleen het woord te némen. Het is niet anders met de dialoog die wij gebed noemen. Zo zei Samuel al: Heer, uw dienaar luistert. Stil maar, wacht maar, opdat Hij ons het Goede kan laten horen.

Maar de stilte van de Heer is misschien ook zelf een spreken, het is iets actiefs. Het is niet alleen de afwezigheid van woorden, maar het is betekenisvol zwijgen. Je roept als kind tegen je vader, dat je je speelgoed gaat kapotslaan. En je vader zwijgt en kijkt je alleen maar aan. Is dat geen communicatie? Is dat zwijgen niet veelzeggend? Ook Gods stilte is veelzeggend. In de ruimte die dat zwijgen opent, bereiken we onze diepste gevoelens en gedachten.

Stilte is noodzaak. Ook en juist in de gemeente die Gods woord wil horen. Oók en juist in een gebedssamenkomst, waar het ons erom gaat de stem van de Heilige Geest te horen.

Oecumene

DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN DE GEMEENTE VAN

 

TER APEL

 

1. Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus door de wil van God, en Timotheus, de broeder, aan de gemeente van God die in Ter Apel is, aan de geheiligden in Christus Jezus,
2. met allen die de naam van onze Here aanroepen: genade zij u en vrede van God, onze vader, en van de Here Jezus Christus, in de gemeenschap van de Heilige Geest.
3. Ik dank mijn God altijd voor u, vanwege de genade van God die u gegeven is in Christus Jezus.
4. U bent immers rijk in Hem, in spreken en kennis in de mate waarin het getuigenis van Christus bevestigd is onder u.
5. God zal u ook bevestigen tot het einde toe, want Hij is getrouw door Wie u geroepen bent tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Here.
6. Maar ik roep u ertoe op, broeders en zusters, door de Naam van onze Here Jezus Christus, dat u eensgezind bent in uw spreken en handelen, en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat u hecht aaneengesmeed bent, één van denken en één van gevoelen.
7. Want mij is over u bekend gemaakt, broeders en zusters, dat er scheuringen onder u zijn. Ik bedoel dit, dat sommigen van u zeggen ik ben van Calvijn, ik van Luther, ik van Benedictus en ik van Christus.
8. Is Christus dan verdeeld? Is Benedictus soms voor u gekruisigd? Of bent u dan in de naam van Calvijn gedoopt?
9. Onder u hebben velen het Evangelie verkondigd, niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus zijn inhoud niet verliest. Wie heeft u dan betoverd om de waarheid niet te gehoorzamen?
10.  U voor wie Jezus Christus gekruisigd is? Dit wil ik dan van u vernemen: hebt u de verlossing ontvangen op grond  van de werken van de wet? Of door de genade van het geloof?
11. U bent met het Evangelie begonnen, gaat u dan nu eindigen met de werken van het vlees?
12.  Broeders en zusters, ik kan u alleen maar overleveren wat ik ook ontvangen heb, dat Christus voor onze zonden gestorven is, en dat hij begraven is en op de derde dag is opgestaan, en dat hij ten hemel is gevaren en nu zijn plaats inneemt aan de rechterhand van de majesteit in de hoge.
13. Als Christus niet is opgewekt uit de doden, dan is alle prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is dan ook uw geloof.
14. Dan zijn uw voorgangers valse getuigen van God. Zij hebben namelijk van God getuigd dat Hij Christus heeft opgewekt uit de doden.
15. Ik zeg het u nog eens. Als Christus niet is opgewekt, is uw geloof zinloos. Maar dan bent u nog in uw zonden.
16. Onderzoek uzelf of u nog in het geloof staat, beproef uzelf. Weet u niet van uzelf dat Jezus Christus in u is? Want zonder geloof in Hem is het onmogelijk God te behagen.
17. Waarom is voor u het eerste onderwijs nog nodig met betrekking tot onze Heere Jezus Christus? Gaat dan voort tot de volmaaktheid, zonder opnieuw het fundament te leggen van het geloof in God en in Zijn Zoon Jezus Christus, van de rechtvaardiging door geloof en van de heiliging door de werking van Zijn Geest.
18. Verzuim dan de onderlinge bijeenkomst niet, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar spoort elkander aan.
19. Laat dan het gebed van uw hart zijn, dat Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en gefundeerd bent, zodat u de liefde van Christus zou kennen, die alle kennis te boven gaat en vervuld zou worden tot heel de volheid van God.
20. Geeft dan eer aan hen die Hij gegeven heeft om onder u te werken: pastoraal werkers en leraars, evangelisten en ouderlingen, om u toe te rusten tot het werk van dienstbetoon, tot de opbouw van het lichaam van Christus, en de eenheid van het geloof en de kennis van de Zoon van God.
21. Verdraagt elkander dan in liefde, in alle nederigheid en zachtmoedigheid, met het geduld van de Geest. Bidt voor elkander.
22. Want zo bent u geroepen: één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen en door allen en in u allen is.
23. Vrede zij u allen, en liefde met geloof, van God de Vader en van de Here Jezus Christus.
24. De genade zij met allen die onze Here Jezus Christus in waarheid liefhebben. Amen.

Brief aan een ketter

Beste Ketter,

Ik noem je zo omdat je zelf schrijft, dat je je met je opvattingen “in het spoor van ketterij” gesteld hebt. Namelijk omdat je geen “kwalitatief verschil” erkent tussen jou en Jezus. Daarmee zeg je dat Jezus gewoon een mens is zoals jij en ik. Je hebt gelijk. Dan ben je een ketter. Dan heb je het christelijk erf verlaten.

Maar ik wil graag op enkele punten ingaan. In de hoop je op een spoor te zetten dat dichter bij de kern van het evangelie ligt. Wat een verrassing was jouw brief voor mij. Meteen al omdat je op mijn website bent geweest. Dat zijn er niet veel! Mijn hartelijke dank ook voor jouw woorden van waardering voor de Schriftstudie over het evangelie van Marcus.

Maar nu je verbazing. En je ketterij.

Je vindt dat ik een “protestantse bril” draagt en daarmee in de Schrift terugvindt, wat ik er al vantevoren in wil vinden. Je valt er over dat ik blijkbaar alleen maar kan lezen, wat ik geacht word te lezen. Je schrijft: “het hele calvinistische gedachtegoed kun je vinden in de Schrift, mits je deze scant met het beoogde gedachtegoed in je achterhoofd.” Ik denk dat je daarmee tekort doet aan de zorgvuldigheid waarmee Calvijn zijn Bijbelse theologie als basis heeft gebruikt voor zijn gedachtegoed – dat was bij hem in ieder geval de uitkomst van nadenken over de Schrift, en stond niet al van tevoren vast. Calvijn was toch geen calvinist! (Net zomin als ik trouwens.)

Nu is het wel zo dat deze studie van Marcus – op de website en Youtube – in het kader staat van de voorbereiding op de belijdenis. In die studie is om die reden de Apostolische Geloofsbelijdenis het uitgangspunt, maar dat betekent nog niet dat ik verkeerd lees. In ieder geval lees ik de vier evangeliën als een samenhangende boodschap, waardoor ik bijvoorbeeld de uitdrukking “Zoon van God” in Markus niet kan lezen zonder te denken aan het evangelie van Johannes: “Het Woord is vlees geworden… een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader.” Die samenhang in de Schrift, dát is mijn bril.

Jij leest weliswaar met een andere bril, maar dat is er ook een. En dat is het idee dat er een normatief joods beeld van Jezus zou moeten zijn dat oorspronkelijker is dan het kerkelijke beeld van de Apostolische Belijdenis. Alle teksten van het Nieuwe Testament zijn echter ontstaan binnen een joodse context en ik zie geen reden om de Hellenistische karaktertrekken daarvan als niet authentiek te zien. Het zuiver “joodse” is immers ook een constructie, gebaseerd op het Jodendom van de ballingschap, het Jodendom van de Talmoed. Het Jodendom van de eerste eeuw kent veel grotere variatie en breedte van denken.

Jij zegt dat het na 2000 jaar tijd wordt om Jezus niet langer te interpreteren als een avatardie afgedaald is op deze aarde. Je noemt dat een Arische interpretatie. Joodse oren zouden het leven van Jezus nooit en nooit zo geïnterpreteerd zijn.

Speel je echter hiermee niet opnieuw de lage christologie – Jezus als Messiaanse koning – uit tegen de hoge christologie – Jezus als Zoon van God? Hebben we die hele vermoeiende discussie tussen 1950 en 1980 dan niet eens een keer achter de rug? Ik denk dat zowel de hoge als de lage christologie gebaseerd is op de Schrift. Zonder de hoge is het leven van Jezus niet normatief, en zonder de lage wordt Jezus inderdaad een “avatar.” Maar waarom niet beide? Was dat niet juist het genie van de vroege kerk, om vol te houden dat Jezus Christus waarachtig God én waarachtig mens was? In veel periode van de kerkgeschiedenis kwam het accent nu eens op het ene dan weer op het andere te liggen. Maar horen ze niet werkelijk bij elkaar?

Ik denk dat het tijd wordt om juist de hoge christologie, die bijna verdwenen is in onze kerk en in onze geloofsbeleving, weer centraal te stellen. Jezus niet alleen maar te zien als de goedwillende maar falende leraar, maar als de mens in wie God beslissend gehandeld heeft. Zozeer zelfs, dat we moeten belijden dat wie de Zoon gezien heeft, de Vader gezien heeft. Belijden dus dat het aardse leven van Jezus de historische openbaring van God is – het geheim van de godsvrucht is immers, zoals de jood Paulus schrijft, dat “God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de geest, is gezien door de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.” (1 Timotheus 3:16) Is dat niet het grote geheim dat Paulus mocht zien en de kerk heeft willen begrijpen, dat uiteindelijk uit Israël naar het vlees de Christus is voortgekomen, “dewelke is God boven alles, te prijzen in eeuwigheid”? (Rom. 9:5)

Je schrijft verder dat we sinds de 19e eeuw de Schrift in reliëf zijn gaan zien. Ik vind dat een mooie uitdrukking. Je legt uit wat je bedoelt: “we kennen de historische ontwikkeling van de Schrift en de wereld waarin deze ontwikkeling plaatsvond. Het is niet zinvol om alles even zwaar te wegen.”

Maar betekent dat dan, dat wij nu kunnen oordelen over de Schrift, omdat we haar ontwikkeling zouden kennen en de historische context waarin ze is ontstaan? Wanneer – de jood – Johannes schrijft, dat het “Woord is vlees geworden” kan er een dissertatie worden geschreven over de historische achtergrond ervan. (Lees het boek van Bultmann maar eens.) Betekent dat voor jou onmiddellijk, dat jij nu mag beoordelen of dit zwaar is of niet, in historische zin? Het lijkt mij immers duidelijk dat theologisch gezien, dit een beslissende en fundamentele uitspraak is over de status van Jezus leven. Jij plaatst dathistorisch in de marge, terwijl ik het theologisch als grondslag neem van alle andere uitspraken over Jezus.

Mijn vraag aan jou is dus deze: hangt de theologische zwaarte van de Schrift af van de historische beoordeling van het ontstaan van een tekst?

En is dat geen variant van een andere vorm van het relativisme: dat de theologische zwaarte van de Schrift afhangt van de gelovige receptie – van de vraag dus wat ik ermee kan doen?

Of het nu wel of niet waar is wat jij schrijft, dat het gaat om “een verstaan met hellenistische oren van een joodse geschiedenis” – ik denk dat we dat joodse niet tegen het hellenistische mogen uitspelen. Sterker nog, ik denk dat we met Europese oren nu eindelijk eens de geschiedenis van Jezus op aarde moeten verstaan vanuit het geheel van het Apostolische Getuigenis. Zonder met negentiende-eeuwse chirurgische middelen de Schrift te ontleden om er uit te halen wat ons bevalt. Of wat past bij een door ons geconstrueerd beeld van het normatieve jodendom.

Wanneer de kerk Jezus principieel gaat zien als een “geïnspireerd en inspirerend mens”, zoals jij schrijft, doet ze naar mijn overtuiging geen stap voorwaarts, maar valt ze definitief in de afgrond. De inspiratie van Jezus als een martelaar uit de geschiedenis, doet mij niets. Maar een levende Heere Jezus Christus, die de zondenlast van de wereld wilde dragen, en die is opgestaan uit de doden, en die ik met Thomas kan aanspreken als “mijn Here, mijn God,” dat is de Jezus die mij inspireert.

Ik geloof niet dat de christelijke traditie een stap voorwaarts kan maken, door Jezus als geïnspireerd en inspirerend mens te interpreteren. Die interpretatie is bovendien niet nieuw. Dit is al geprobeerd vanaf de dagen van Schleiermacher in de 19e eeuw. Overal waar die interpretatie opduikt, loopt de kerk (nog sneller) leeg en wordt het evangelie krachteloos. Kijk maar naar de realiteit van de vrijzinnige gemeenten in Nederland. Daar is geen bloei of herstel van te verwachten. Kijk maar naar de televisie-theologen die de een na de ander de conclusie trekken, dat uiteindelijk alle geloof wegvalt. Een zachte hulpverlenersmystiek is alles wat overblijft. En helaas, ook mijn kerk loopt het risico dat ze in de afgrond van het relativisme en de vrijzinnigheid verdwijnt.

Zoals je ongetwijfeld verwachtte, blijf ik bij mijn standpunt. Vooral omdat het naar mijn overtuiging het erop aankomt om nu, juist nu!, pal te staan voor de belijdenis. Wat mij betreft, ik blijf de Heere Jezus dienen.

Nogmaals mijn dank voor je brief, en ik hoop dat je het goed vindt dat ik hem heb behandeld alsof hij als brief op de site was gezet. Ik zal je ook nog privé schrijven. Maar dit is mijn openbare antwoord.

Met vriendelijke groet,

je broeder in Christus,

 

Robbert

De revolutie van Genesis

Het boek Genesis in de Bijbel begint met de zin: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde.” Er zijn wel andere vertalingen mogelijk, maar dit is toch de meest bekende.
    De betekenis van deze zin is in ieder geval revolutionair te noemen. Dat er een God was, die de wereld gewild heeft en tot stand heeft gebracht en er een doel mee had, is een strijdkreet. Het is gericht tegen opvattingen van het leven die een veelheid van verschillende machten en krachten willen erkennen in plaats van deze ene persoonlijke oorsprong. Het verhaal is gericht tegen de machten die de menselijkheid verstoren. Het is gericht tegen leringen van mensen die de zin van hun leven zoeken in macht. Omdat alleen God de oorsprong van een rechtvaardige en vredige samenleving is en niet menselijke systemen.
    Maar Genesis 1 is evenzeer gericht tegen de opvatting dat het menselijk leven beheerst wordt door een zoektocht naar geluk en voorspoed. Wij geven zelf geen betekenis of richting aan ons leven want het leven heeft al een zin ontvangen. Gods wil is algemeen gezegd de ‘zin’, de reden, en het doel ervan. Dat maakt groot verschil. Het gaat dan niet meer allereerst om onze emoties, onze wil of onze verlangens. Die krijgen een plaats toebedeeld in een geheel ander leven dat op zijn oorsprong is gericht. Als de God van de Bijbel de schepper van alle leven is, dan is dat voor ieder van ons persoonlijk het allerbelangrijkste feit. Dat is zelfs belangrijker dan onze ervaring. Er is dan een fundamentele constante in ons leven: dat we uit de wil van een scheppende God zijn voortgekomen. De rode draad van ons bestaan wordt dan dat God wil dat we er zijn. En de zin van mijn leven hangt dus niet van mij maar van deze God af. Als je dat tot je laat doordringen wordt alles toch anders!
    Even revolutionair als het idee dat God de wereld geschapen heeft is de manier waarop Hij dat gedaan heeft. “God sprak … en het was zo.” God hoefde alleen uit te spreken wat Hij wilde en het bestond al. Maar een God die spreekt, is een God op wie wij lijken. In ons spreken en ons denken zijn wij aan Hem verwant. Dan wordt het mogelijk dat wij de ‘zin van het leven’ ook kennen, want een sprekende en denkende God is in staat met Zijn schepselen te communiceren. Er is een waar verhaal te vertellen over onszelf en dan horen we een waarheid die we niet zelf kunnen ontdekken maar die van God uitgaat. Openbaring wordt mogelijk.
    Maar tegelijkertijd dringt er vanuit de achtergrond iets van rumoer en verzet door. Er is niet alleen de scheppende wil van God in Genesis 1, maar ook al een aanduiding van een chaos, van een verzet tegen God. God heeft hemel en aarde geschapen, maar die aarde werd of was woest en ledig. Is er iets mis gegaan? Het gaat niet om een eerste fase van de schepping, zoals bij een pottenbakker die begint met een brok ongevormde klei. Dan zou er wel geschreven zijn dat de hemel en de aarde beide woest en ledig waren. Waarom dan een woeste en ledige aarde? Waarom is niet meteen alles volmaakt? We worden er niet over ingelicht. Maar we krijgen wel te verstaan dat scheppen geen rustig geknutsel van het opperwezen is, maar een strijd. Strijd van licht tegen duisternis, van orde tegen chaos, van leven tegen het levenloze, van de woestheid van het hemelse water tegenover de getemde wateren van zee en oceaan. In de schepping wordt het tegendeel van Gods wil toegelaten maar ook overwonnen.
    Maar waar komt dat tegendeel dan vandaan? Dat is het mooie aan Israëls scheppingsvisioen: ook het tegendeel, het nietige, de chaos, is geschapen. Daarom is het nooit volkomen waardeloos, daarom kan het zich nooit definitief tegen God verzetten. De chaos is alleen de manier waarop de aarde is of zijn kan, een ‘mogelijkheid’ van het verzet van de ‘natuur’ en van de mens tegenover de schepper. De chaos is in strijd gewikkeld met die schepper en moet dus overwonnen worden, maar ze is toch ook gewild – zij het maar indirect omdat alleen de aarde en de hemel echt en positief gewild zijn, dus eerder toegelaten – door die schepper om zijn uiteindelijke doel te dienen. Uiteindelijk zal ook de chaos Hem dienen ondanks haar verzet.
    In deze schepping van de wereld, die ook een strijd met de chaos is, komt tenslotte ook de mens aan bod. Hij is net als alle andere wezens onderworpen aan de dubbelzinnigheid van de schepping, deelt in haar orde en chaos, in haar licht en in haar duisternis. Maar hij is ook de troefkaart die wordt uitgespeeld. Een joods commentaar zegt dat de mens daarom op de zesde dag werd geschapen, omdat op de zesde dag (van de maand Shivan) de Torah aan Israel werd gegeven. De mens is geschapen om de Torah, d.w.z. de wil van God, te volbrengen in de wereld. De mens is bedoeld als Gods bondgenoot binnen de schepping zodat de schepper haar kan voltooien en vervolmaken. (Daarom staat in het joodse gebed ‘hame’ir’ het woord ‘scheppen’ in de tegenwoordige tijd.) Drie kenmerken heeft hij die hem daartoe bekwaam maken.

  1. Hij alleen draagt het beeld van God en ‘lijkt’ op de schepper in zijn willen en denken. Zo kan de mens de vertegenwoordiger van God zijn, de ware ‘zoon van God’.
  2. De mens alleen leeft in dat bijzondere sociale verband van de liefde, hier in de eerste plaats als de verhouding van man en vrouw aangeduid.
  3. De mens alleen kan de zorg voor heel de schepping worden opgedragen. Aan hem zijn alle schepselen onderworpen zoals een kudde aan zijn herder. Door zijn verstand is hij in staat de Hoeder van alle schepselen te zijn.

    De diepe vraag van het boek Genesis is nu: hoe moet deze mens zijn tegenover God, wat moet die mens kiezen, hoe moet de mens leven om Gods bondgenoot te kunnen zijn? Wie is de ware ‘zoon van God’?
    Om dat te kunnen zeggen, moeten we in het tweede hoofdstuk eerst iets leren over de strijd in het menselijk bestaan tussen de chaos en de scheppingsorde. De gehoorzaamheid van de mens aan God is niet vanzelfsprekend, omdat hij in staat is voor de chaos en de zonde te kiezen. Daarover de volgende keer.

HET GEBED VAN DE SCHEPPING

Hame’ir
Wees gezegend, Heer, onze God, Koning van de wereld, die het licht maakt en duisternis schept, vrede tot stand brengt en alles schept.
    Hij die de aarde verlicht en hen die daarop wonen met barmhartigheid, en in zijn goedheid dagelijks en eeuwig het werk van Zijn schepping vernieuwt. Hoe groot zijn uw werken, Heer, U maakt ze alle met wijsheid, de wereld is vol van uw bezittingen. De Koning die verheven was in zijn eenzaamheid voor de schepping, die wordt geprezen, verheerlijkt en verheven sinds de dagen van weleer. Eeuwige God, in uw overvloedige barmhartigheid wees ook barmhartig jegens ons – o Heer van onze macht, versterkte vesting, schild van onze verlossing, wees voor ons een vesting. De gezegende God, die groot is in kennis, maakte voor ons de stralen van de zon gereed; de weldoener maakte eer voor Zijn naam, plaatste de lichten overal rondom Zijn macht, de leiders van Zijn hemelse legers, de heilige, verhogen de Almachtige, verhalen de eer van God en Zijn heiligdom.
    Wees gezegend, Heer, onze God, boven de lofprijzingen van uw maaksels en boven de heldere lichten die U gemaakt hebt – mogen zij U loven.

De economie van Abel

In de jaren zeventig gingen er op het platteland van Noord-Amerika nogal wat familiebedrijven failliet. De stijgende kosten van grote landbouwmachines, benzine, kunstmest en dure bankleningen waren hiervan de oorzaak. Tegelijkertijd bloeiden de bedrijven van de zeer orthodoxe en streng-gelovige Amish in de Verenigde Staten. Zij stichtten nieuwe kolonies, verdubbelden hun populatie en hun landbezit zo’n beetje elke generatie. Zij lieten zien hoe een laag-technische beschaving in de moderne markteconomie toch kan bloeien.
    Als deze Amish het gevoel hadden gehad dat zij ‘net als de anderen’ moesten zijn, was hun dit nooit gelukt. Het eerste beginsel waarnaar zij leefden was de overtuiging dat zij bovenal God gehoorzaam moesten zijn. Hoe God wil dat we bloeiende gemeenschappen tot stand brengen, was voor hen een bekende zaak. Niet zozeer een kwestie van specifieke Bijbelteksten, maar van een gemeenschappelijke levensstijl die aan de Bijbel is ontleend.
    Heeft het Genesisverhaal er iets mee te maken? Volgens de scheppingsmythen in Genesis 1 en 2 was het Gods bedoeling dat de mens de verantwoordelijkheid voor de natuur op zich nam. Niet om als een absoluut heerser, als ‘god’ over haar te regeren. Integendeel, de mens was belast met de zorg voor het welzijn van de gehele schepping binnen de grenzen die God aanwees. Planten zijn het voedsel voor mens en dier. De mens hoort thuis op de akker. Die akker ‘geeft’ van haar vrucht aan de mens, en hoeft niet gedwongen te worden: geen dure tractoren zijn nodig.
    Waarom dan de ‘boom van de kennis van goed en kwaad’? Omdat we moeten beseffen dat we geen eigenaars zijn, maar huurders. Er zijn grenzen aan wat we mogen doen met Gods schepping. De natuurlijke orde die we moeten beheren mogen we niet eigenmachtig veranderen.
    Ook nadat we ertoe overgingen om de controle van God over te nemen, bleef er een kans op overleving. Er klinkt na de verdrijving van de mens uit deze oorspronkelijke akker een belofte: het werk van de mens zal voedsel opleveren, zij het nu met een prijs. “In het zweet uws aanschijns”, met ingespannen arbeid, moet de vrucht aan de bodem ontworsteld worden. Er moet worden gegraven in de akker: greppels, sloten en voren. Er moet gewaakt worden over de oogst, en plantenziekten en sprinkhanen doen hun intrede. Het leven blijft vruchtbaar, hoewel nu met een prijs: de vrouw zal met pijn haar kinderen baren. Kortom: het leven gaat wel door, maar nu in de vorm van een cultuur, van een geschiedenis.
    Het vreemde is dat in het vervolg van het verhaal juist Kain ervoor koos om de grond te bewerken. Abel, de schaapherder, hoeft de grond niet open te breken. Juist het ontbreken van duidelijke ‘arbeid’ is een teken dat hij dichterbij de natuur staat. Hij doet de natuur geen geweld aan, maar probeert voor haar te zorgen.
    Kain was niet in staat te zien dat Abel hier de betere keuze had gemaakt. Of het de reden was van de moord op zijn broer lezen we niet. Wel dat na de eerste moord de hele cultuur zoals we die kennen is ontstaan. Alle elementen zijn aanwezig:

1.    de bedreiging van geweld als maatregel (de ‘staat’)
2.    de stad (de ‘beschaving’)
3.    de kunsten (Jubals muziek)
4.    de techniek (Tubal-Kains koperbewerking)
5.     de oorlog (Lamechs zeventigvoudige wraak).

Alles wat tot onze cultuur behoort wordt in een paar verzen in Genesis genoemd. Het zijn naar mijn gevoel de Amish die door hun eenvoudige gehoorzaamheid aan dit verhaal dichterbij de natuur zijn gebleven. Zij kozen voor de weg van Abel en overleefden de economische recessie. Leven vanuit het Verhaal heeft dus tenslotte ook nog economisch nut.