Ons geloof: hoe dragen we bij aan de vrede?

Essentieel voor de leer van de geweldloosheid is de leer van de voorzienigheid van God. We geloven daar steeds minder in, maar ze is cruciaal. De overtuiging dat uiteindelijk niets gebeuren kan zonder Gods almacht en dat mensen door gebed en gehoorzaamheid God in deze wereld kunnen betrekken, Hem tot een factor kunnen maken (dus niet automatisch: alles wat er gebeurt, is Gods wil).

De aanvaarding van Gods voorzienigheid houdt in:

  1. De erkenning dat wij de gevolgen van onze daden en de context waarin ze hun betekenis hebben niet kunnen overzien en toch verantwoordelijk zijn
  2. De erkenning dat de uiteindelijke zin van mijn handelingen in Gods hand ligt en alleen door de toekomst kan worden duidelijk gemaakt: ik moet iets durven, iets wagen in Gods naam!
  3. Dat wat God in het heden van mij vraagt – ook al lijkt dit geen volledige oplossing voor alle problemen te zijn – toch kan bijdragen aan de oplossing van het geheel.

Als God mij vraagt nu water naar de woestijn te dragen en in het zand te laten lopen, is dat voor mij wellicht zinloos. Maar als dertig generaties na mij dat ook doen, ontstaat er elders een ondergronds reservoir aan water, voor mijn ogen verborgen, en ontspruit er een oase. Ik heb daar dan toch aan bijgedragen. Als de maatstaf is wat zinvol is voor mij, zou ik er nooit aan begonnen zijn, en de dertig generaties na mij kijken dan ook wel uit. Ik heb de keten van generaties die doen wat God vraagt dan verbroken. (God vindt dan wel iemand anders om de klus te doen, maar de zegeningen daarvan zijn dan niet voor mij.)

Leven uit de hoop

Voorzienigheid kun je niet los krijgen van het evangelie als geheel. God handelt met mij zoals Hij met Christus handelt. Ik leef niet uit het resultaat, uit de zekerheid dat ik nu bereik wat bereikt moet worden, maar geloven betekent leven uit de hoop, uit de belofte. Hoewel we veel inzichten kunnen delen met de buitenwereld en tot samenwerking geroepene zijn met iedereen die de vrede wil dienen (anders dan Menno) is het geloof in Christus onze Vredesvorst onze uiteindelijke bron en de enige die ons nu al zekerheid kan geven van wat God beloofd heeft (evenals bij Menno).

Het gaat dus uiteindelijk om het creatief vinden van een levensstijl die hiermee in overeenstemming is. Dat heet simpelweg in één woord de navolging van Christus. Dat is een eindeloos rijk leven, complex voor wie van nadenken houdt, eenvoudig en robuust, voor wie het graag simpel houdt. Het is in feite niet één weg, maar een miljoenvoud van wegen, want elk van ons is er een, heeft er een. Zo laat God Zijn eigen vrijheid en rijkdom zien in de veelheid en verschillen van de mensen die Hij geroepen heeft tot navolging van Christus – en niet in de veelheid van “Christussen” die mensen in hun leven voor zichzelf kunnen verzinnen – dat onderscheid moet nodig gemaakt worden.

Het visioen van de vrede

De gemeente is geroepen het visoen van de vrede te zien, te delen en te leven. Dat heeft consequenties voor een ieder van ons, die zijn plaats in de gemeente inneemt. Zoals Menno het zag: een bewuste vrije keuze, om een leven te leiden dat gewijd is aan de weg van Christus. In Zijn dienst leer ik de vijand zien als degene voor wie Christus gestorven is, als iemand die ook door God geroepen is tot dienst. Ik leer mezelf bevrijden van de angsten en zorgen die mijn handelen in deze wereld bedreigen en mijn vrijheid benauwen. Ik leer in de gemeente dienstbaar zijn om zo pas werkelijk mijzelf te kunnen zijn. Het dienen van de vrede is geen loden last, geen moralistische zware taak, maar een “lichtheid” van het leven, waarin ik God alles toevertrouw en trouw blijf in het kleine dat ik kan overzien.

Want de naaste en de vijand voor wie ik een taak heb, ontmoet ik elke dag opnieuw, bij de bakker, op straat, in mijn werk en in de gemeente. Daar ontmoet ik degene die ik mag uitnodigen om samen met zijn zusters en broeders het feest van de Vrede te vieren.

Wat als? Bezwaren tegen het pacifisme

Een bezwaar tegen de pacifistische positie werkt als volgt: stel nu eens, dat alle mensen zo dachten als jij – zegt dan iemand tegen ons – dan zou… Al naar gelang de situatie kan hier iets verschrikkelijks volgen:. Bij de toetsing van gewetensbezwaarden bij dienstweigering ging het verhaal dat zoiets altijd gevraagd werd: stel dat jij en je vriendin worden aangevallen, zou jij dan je vriendin niet verdedigen met geweld? Of ruimer: stel dat jij geleefd had in de vooravond van de tweede wereldoorlog en jij had Hitler kunnen doden, was je daartoe dan niet verplicht geweest? Of stel dat de Russen en de Amerikanen allemaal pacifisten waren geweest, wat zou er dan met de joden gebeurd zijn?

Wat kunnen we hierop antwoorden?

In de eerste plaats dat het nodig is, om kritisch naar de veronderstellingen van een dergelijke vraag te kijken. John Howard Yoder heeft dat eens zo onder woorden gebracht:

“Wat zou je doen wanneer …? Veronderstelt een relatie tussen personen die zuiver mechanisch is: als ik de machine een andere kant opzet dan zal er een andere richting volgen, als ik een ander stel knoppen indruk dan zal de machine duidelijk een andere richting kiezen. Het wordt maar aangenomen dat ik de enige betrokkene ben die in heel dit proces beslissingen neem. De aanvaller is zo voorgeprogrammeerd dat hij geen andere beslissingen zal nemen. Zijn enige verlangen is om als een robot het grootste kwaad te doen dat er maar is, of het bijzondere kwaad waar hij nu eenmaal zijn zinnen op heeft gezet. Er zijn ook geen andere personen in de vraag verondersteld, van wie de handelingen nog van belang zouden kunnen zijn: er is een automatisch proces gaande en ik ben de enige die er toe doet.”

Een tweede veronderstelling van de vraagstelling is, dat mijn rechtvaardigheid en mijn welzijn van het allergrootste belang is. Zelfs wanneer ik zeg, dat ik mijn eigen welzijn op het spel wil zetten om maar geen geweld te hoeven gebruiken, maar dat ik me dat niet kan permitteren in het belang van de naaste (Ramsey: preferential ethics), is die naaste doorgaans geen vreemdeling, maar mijn vrouw of kind. De gedachte dat de verdediging van het slachtoffer van zo groot belang is, dat geweld (zelfs excessief) kan worden gerechtvaardigd, lijkt wel heel Christelijk te zijn, maar dat is eigenlijk een onbewezen veronderstelling.

Dit betekent nog niet dat ik dus niet kiezen moet (1) noch dat ik vrouw en kind niet te verdedigen heb (2), maar het betekent dat ik moet leren dat dat geen zulke absoluutheden zijn, dat ik in alle gevallen geweld kan rechtvaardigen en al helemaal niet dat ik principieel tot geweld kan besluiten omdat er blijkbaar enkele uitzonderingen op de regel zijn. Bovendien blijft bij (2) de vraag die ik hierboven al stelde: wat gebeurt er dan met de uiteindelijke, niet te overziene, consequenties van mijn (defensieve) geweld voor derden? (Het voorbeeld van de politieagent die de auto met twee moordenaars laat ontploffen).

De vraagstelling beperkt door de beschrijving van mijn situatie op deze twee manieren mijn opties en sluit de creativiteit uit waarover ik hierboven sprak.

Er zijn immers, als we doordenken, andere opties:

  • de tragische afloop,

omdat de aanvaller ondanks mijn tegengeweld toch het zijne weet door te zetten. Ik ga “:vechtend” ten onder. )Normaal gesproken zal degene die geweld toepast zichzelf daar zo grondig op hebben voorbereid, dat tegengeweld inderdaad weinig effect zal hebben. Toch is dat effectloze tegengeweld iets waartoe ik me bijna verplicht voel. Dat is begrijpelijk, maar niet slim.)

  • het martelaarschap.

Ofwel voor het slachtoffer, ofwel voor mijzelf. Net als de dood van Christus kan deze onvermijdelijk zijn, vanwege de omstandigheden, mar is een martelaarschap vanwege de geweldloze reactie. Een dergelijke manier van sterven kan een belangrijke factor zijn in het veranderen van de opvatting van de tegenstander. (Zie in het NT de houding van de Romeinse hoofdman bij het kruis, de bekering van Saulus etc.)


  • vlucht.

Dat kan letterlijk betekenen dat ik liever de benen neem, dan de confrontatie aan te gaan. En dat kan succes hebben, simpelweg omdat het voor de aanvaller niet de moeite waard is je te achtervolgen. Geweld heeft vaak het karakter van uitdaging, en blijft uit, als de uitdaging niet wordt aangenomen.


  • Voorzienigheid.

Het is denkbaar dat mijn houding van geweldloosheid de aanvaller emotioneel ontwapent (de standaard interpretatie van de tweede mijl) of dat het anderen aanmoedigt om erbij te gaan staan waardoor de aanvaller zich bedenkt, of dat ik de aanvaller in een gesprek breng waarin hij zich op andere wijze toont en van geweld afziet.


  • Omgekeerde tragiek

Ik slaag erin de aanvaller te doden, maar zie b.v. Genesis 33 e.v. voor wat dit “gerechtvaardigde” geweld dan weer op zijn beurt aan nieuw geweld kan uitlokken. (Zonen van Jacob in Sichem.) – wat dan gerechtvaardigd kan heten vanwege het beginsel van “piquach nefesh”, een joodse uitdrukking die aangeeft dat ik met geweld mag ingrijpen wanneer een ander met geweld wordt bedreigd, ook als de omstandigheden zodanig zijn dat mijn ingrijpen de dood van de aanvaller tot gevolg zou kunnen hebben. (Ook een rechtvaardigingsgrond voor abortus b.v.)

Dit zijn niet de opties die als vanzelfsprekend nu onze veronderstellingen moeten worden, maar die aangeven dat we creatief en vrij over de vraag van het geweld ons moeten buigen. De uiteindelijke motivatie om ons geweldloos op te stellen kan buiten het geloof om niet werkelijk worden gevonden, daarin had Menno tenslotte gelijk. Alleen mensen die de overtuiging hebben dat Christus ons laat zien wat God van ons verlangt, kunnen aanvaarden dat geweldloosheid altijd de betere weg is, ook al leidt het tot martelaarschap.

En alleen mensen die de vergeving in Christus kennen kunnen dan ook accepteren dat ons eigen innerlijke geweld ons ertoe kan brengen gewelddadig te reageren – en dat dit in Christelijke zin weliswaar een “zonde” zal zijn, maar geen onvergeeflijke.

De gerechtvaardigde oorlog revisited

 

In onze cultuur wordt de mythe van het verlossende geweld ondersteuntddoor bepaalde vormen van theologie. De meerderheid van de kerken, ook de Katholieke kerk, omarmt de zg. theorie van de “gerechtvaardigde oorlog.” Dat houdt in dat geweld principieel wordt afgewezen tenzij aan bepaalde condities is voldaan.

Die condities worden op verschillende manieren uitgewerkt, ik geef een voorbeeld:

  1. De oorlog moet door een rechtmatige autoriteit zijn uitgeroepen
  2. De oorlog moet defensief zijn omdat burgerbevolking gevaar loopt
  3. De oorlog moet uitzicht bieden op een korte gewelddadige actie, met de mogelijkheid om het aantal slachtoffers minimaal te houden
  4. Er moet uitzicht zijn (en aan de vijand gegeven worden) op een bestendige vrede
  5. De wreedheid van de oorlogsmiddelen mag de wreedheid van het geweld dat het veroorzaakt niet te boven gaan
  6. Het moet de laatste optie zijn nadat alle andere diplomatieke middelen hebben gefaald  In de oorlog mogen slechts militaire doelen het doelwit zijn van geweldshandelingen
  7. Een oorlog mag geen gevolg zijn van het feit van een voorbereiding op oorlog alleen

Het is duidelijk te zien dat het ondanks deze condities toch nog denkbaar is, dat er een oorlog wordt gevoerd. Maar het is evenzeer duidelijk, dat als we de oorlogen van de laatste eeuw bekijken, de toepassing van deze condities geen enkele oorlog mogelijk gemaakt hebben.

De acht condities die ik hier genoemd heb, stammen uit een discipline van denken; wat de meeste mensen ervan maken is alleen dit: dat een autoriteit redenen kan hebben om ten strijde te trekken dat een dergelijke politieke beslissing op zich voldoende reden is, om van een gerechtvaardigde oorlog te spreken. De Lutheranen, die in de 16e eeuw de sterkste voorvechters van de discipline van de gerechtvaardigde oorlog waren, hebben later ervoor gekozen om feitelijk elke oorlog die door een staat nodig werd geacht – om zichzelf te verdedigen, om nationale belangen in de wereld veilig te stellen, om koloniën te behouden etc. – als gerechtvaardigd op te vatten.

Het vredesgetuigenis en de gemeente

De gemeente in Menno’s perspectief zou een plaats moeten zijn, waar “het zwaard” niet meer geleerd wordt. Een plaats waar in de religieuze opvoeding in de rituelen in de wederkerige broederlijke liefde, een alternatief wordt gegeven voor deze mythe. De drie kenmerken die ik hierboven benoemde in het kader van de mythe van het geweld, wil ik nog wat uitwerken.

  • Op het conflict voorbereid zijn betekent wegen vinden om conflicten te vermijden dan wel geweldloos te beslechten.

Alle creatieve vermogens die mensen hebben moeten daartoe worden losgemaakt, om aan het alternatief van “redemptive violence” te ontkomen. Het is een goede motivatie voor die creativiteit dat we van tevoren al zeggen, dat geweld is uitgesloten. Menno’s absolute verbod op het gebruik van geweld dat ik hierboven citeerde, maakt deze creatieve vermogens vrij. De kracht te vinden om de oplossing geweldloos te vinden is “je spinazie eten” voordat hij nodig is, morele kracht vinden voordat het conflict tot geweldsexplosie rijpt, om een creatieve uitweg te proberen, ook als die lijden impliceert, want dat lijden staat in ieder geval niet in verhouding tot het lijden dat mensen elkaar in geweld kunnen aandoen en is dus altijd te verkiezen boven het geëscaleerde conflict. Het evangelie geeft aan, dat Gods weg in de het bereiken van zijn doel met mensen dus ook die van het lijden is, en nooit die van het geweld.

  • De gemeente zou de plaats kunnen zijn waar deze “andere manieren” om conflicten te beslechten ook inderdaad geleerd wordt.

Het is immers de plaats waar we in prediking, gebed en gezang laten zien dat Christus Koning van de wereld, is, dat wil zeggen dat de eigenlijke macht berust bij een God die handelt zonder geweld. Jezus openbaart wie God is door zijn vijanden te vergeven en zich uit liefde voor de mens zelfs aan het staatsgeweld te onderwerpen. Dat verbreekt – door deze vrijwillige aanvaarding van het lijden – de morele legitimiteit van die staat. Dat is de kern van het evangelie die we op allerlei manieren voor onze tijd hebben uit te werken: hoe is het met onze relatie tot de staat en overheid die geweld gebruiken? Wat denken we dan van de manier waarop asielzoekers worden behandeld? (De “vreemdeling” is een belangrijke Bijbelse categorie!) Ons getuigenis tegenover de wereld bestaat in de creatieve oplossing van conflicten die we niet alleen bedenken, maar ook volhouden (voorzover die al in onze traditie is gevonden), en opnieuw voor onze tijd formuleren en bovenal: die leren doen!

  • Voorzover we het slachtoffer van geweld zijn (Olive Oil) en dat zijn we allemaal direct of indirect in onze samenlevingen – moeten we eveneens leren omdenken.

Er is geen grotere revolutie denkbaar dan die, waarin de slachtoffers niet alleen passief het geweld ondergaan, maar actief aan de verzoening willen bijdragen. De houding van volstrekt pacifisme is ook ontwapenend. Denk aan de geboden van Christus: de andere wang toekeren, dus niet meteen terugslaan, maar geweldloos een vraag stellen: wat bedoel je met deze daad van vernederend geweld? Of de extra mijl gaan – wat bedoel je met deze dwang? Degene die geweld doet, moet niet met geweld worden tegengehouden, maar beschaamd, ondervraagd worden, uitgenodigd worden tot het gesprek van de verzoening, dat de gemeente niet alleen af en toe te voeren heeft, maar dat ze wezenlijk is.

Popeye en de mythe van het bevrijdende geweld

Onze cultuur wordt sterk bepaald door de Amerikaanse cinema. In films en cartoons wordt een fundamentele boodschap meegegeven over de rol van geweld. Geweld kan bevrijden, de “good guys” hebben altijd gelijk; geweld kan gerechtvaardigd zijn.

Ik zag onlangs een aflevering uit een serie, waarin twee mannen in een auto een aanslag plegen op een elfjarig kind. Verschrikkelijk natuurlijk. De boeven schieten echter mis, waarna de politieman zijn pistool leegvuurt op de wegrijdende auto: resultaat: de twee mannen krijgen een klapband, schieten op een vol kruispunt tegen een tanker aan, die ontploft, en samen met de bandieten sterven op dat kruispunt inzittenden van maar liefst vier andere auto’s waarmee ze in botsing zijn gekomen. Meer dan elf doden dus, en gigantische schade.

De politieman ziet dit alles gebeuren en draait zich om en vraagt aan de het kind: “Are you allright”? Daar ziet u hoe de mythe werkt: voor de bijeffecten van gerechtvaardigd geweld ben je niet verantwoordelijk, dat zijn de boeven die deze reactie verdiend hebben. En de onschuldige slachtoffers zijn bijzaak bij het doel: dat is de bescherming van het ene leven boven het andere. Amerikanen – maar ook wij – krijgen zo ingeprent, dat geweld werkt, dat geweld gerechtvaardigd is op grond van een moreel goede zaak, en dat de morele belangen van derden er niet toe doen: het overzichtelijke verhaal dat de kern van het drama is, werkt een soort bewustzijnsvernauwing in de hand, waardoor de geen “anderen” meer ziet, die in jouw verhaal toch betrokken raken.

Dat de staat en de overheid geweld mogen gebruiken om de openbare orde te verdedigen, en geweld dus eigenlijk ook voor de tegenstander een gerechtvaardigd middel is, dat wordt in deze mythe niet gezien en onder woorden gebracht.

In de cartoons is het duidelijk dat geweld werkt, maar ook dat niemand iets van zijn conflicten leert. Popeye is een mooi voorbeeld. Nadat Brutus en Popeye het voor de zoveelste maal hebben uitgevochten is duidelijk dat

  1. Popeye niet heeft geleerd om vóór het conflict zijn spinazie te eten: er moet een voorbereiding zijn op de werkelijkheid van het conflict, zodat het niet – wanneer het ons overvalt – ook ons eigen geweld oproept. Geweldloos verzet is preventief.
  2. Popeye niet heeft geleerd dat er andere manieren kunnen zijn om het conflict te beslechten dan op elkaar in te slaan – er is een creatieve zoektocht naar alternatieve manieren van sociale omgang nodig. Van onverschillige burgers zouden we ons moeten ontwikkelen tot “zusters en broeders”.
  3. Het object van Brutus’ geweld (Olive Oil) niet heeft geleerd bij Brutus uit de buurt te blijven – maar ook het slachtoffer van geweld heeft iets te leren en bij te dragen en is niet zuiver passief: de Bergrede van Jezus laat dat op verschillende manieren zien.

De enige vorm van verandering of bekering is de schijnbare, dus een list, van Brutus, die zich daarna gauw genoeg weer als de antiheld ontpopt, die hij gedoemd is te zijn.

Maar de gemeente, bestaat die niet uit mensen die “bekeerd” zijn? Je zou mogen verwachten dat de gemeente tenminste geleerd heeft dat deze weg van het gerechtvaardigde geweld hopeloos is en tot niets leidt. Maar ja, is dat nu echt zo?