Een wrede ketterij: over het Docetisme van A. D. Loman

Onze opvattingen over “God, de wereld en de ziel” zijn niet willekeurig en ze hebben gevolgen voor de dagelijkse praktijk. Stel je maar een gevangene voor, die verteld is dat op een goed moment de tralies voor het raam zullen verdwijnen zodat hij kan ontsnappen. Hij gelooft dat. Kijkt niet langer om zich heen. Staart door het raam met de tralies. En ziet daarom niet, dat achter zijn rug de deur wijd open is gezet. En hoort daarom niet, dat hem vrijspraak is verleend door de rechter. Vergeefs wacht hij op het verdwijnen van de tralies, maar in plaats van vrij te zijn, leeft hij met een onvervulde hunkering naar vrijheid.

Maar het belang van de vraag naar de waarheid van het evangelie, heb ik in een eerdere blog al vermeld. Wat is dan, bij voorbeeld, een afwijking van de ”leer van Christus, die gevolgen heeft voor het dagelijkse leven?

A. D. Loman

Eén van de voorlopers van de moderne vrijzinnigheid was Abraham Dirk Loman (1823 – 1897). De Lutherse kerk in Nederland is eigenlijk door hem op een modern, vrijzinnig spoor gezet. Onder invloed van de Lutherse hoogleraar J.G. Plüschke, sloot hij zich aan bij de Tübinger school en ontmoette ook F.C. Baur. Loman werd enthousiast voor de studie van het NT en de vroeg-christelijke literatuur.

Wie is Christus? Het is de kernvraag. Zoals Jezus zelf vraagt aan Zijn discipelen, “En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?” Lomans scherpste antwoord komt in 1880. De “Christusfiguur” betekent voor mij “de innige vereniging van een historische overlevering met een algemeen zedelijk, religieus, humanistisch beginsel.” Hij is geen historisch persoon, maar de belichaming van “een reeks ideeën, de symbolisering, de verpersoonlijking van denkbeelden en beginselen, die eerst in het Christendom der 2de eeuw tot hun volle recht zijn gebracht.” Jezus is in zekere zin de “ideële” Jood, de ultieme “zoon der Joodse natie zelve met haar taai geduld, met haar onverzettelijk geloof, met hare volharding bij de beloften Gods, met haar profetisch enthousiasme.” Niet Jezus zelf, maar het apostolische beeld van Jezus is grondslag van ons geloof.

Als dan het leven van Jezus alleen een ondergrond is van de religieuze verbeelding, die in Hem bepaalde ideeën belichaamd zag, kan het met de opstanding niet veel beter gesteld zijn. Over de vraag naar de betekenis van de opstanding heeft Loman zich regelmatig uitgelaten, en zijn rijpe inzicht lijkt te zijn, dat de opstanding niets anders is dan “de aanschouwelijke voorstelling van de verandering die in het geloof en gemoedsleven der Christenen heeft plaats gegrepen, dat hun godsdienstig ideaal zich, ten gevolge van Israëls vernedering, tot hoger vlucht had verheven en in reiner ethische sferen was geplaatst.” Daarmee onderscheidt hij zich van degenen die meenden – zoals in de vorige eeuw Gordon Kaufman, de Amerikaanse Meniste theoloog – dat de opstanding uit de extatische visioenen van de leerlingen, uit de “verschijningen” dus was voortgekomen. De opstanding was voor Loman een noodzakelijke component van de verwachting van Zijn terugkeer, en die was weer ingegeven door de oorspronkelijke Joodse verwachting van de komst van een Messias. De verandering in het geloof van de discipelen is dus de eigenlijke kern van het opstandingsgeloof. De evangelisten schreven over wat er met Jezus gebeurd was, maar de historische kern daarvan is, wat er met de discipelen gebeurd was!

Docetisme

Is deze opvatting van Loman niet een moderne variant van het Docetisme? Dat is een leer waarin Christus tot een idee wordt versmald en waarin zijn historische en concrete leven er niet toe doet. Als Loman zegt, dat de “Christusfiguur” alleen een verpersoonlijking is van beginselen en ideeën, lijkt het er veel op. Docetisten beweerden dat het lijden van Jezus alleen schijnbaar was – iets wat Loman natuurlijk niet leert – en dat de Christus te verheven was om werkelijk het aardse leven te delen.

Natuurlijk was het niet Lomans bedoeling om de “verheven Christus” te ontdoen van zijn aardse karakter. Integendeel. Maar de betekenis van Jezus als de Christus wordt wel degelijk uit de sfeer van het concrete leven gehaald. Het historische was alleen de aanleiding van een proces van symbolisering waarin mensen de aardse Jezus hebben verheven tot de Zoon Gods die uit de hemel kwam. Maar daarin ligt voor de neo-Docetist Loman de aanwijzing, dat mensen dat gedaan hebben om hun eigen religieuze gedachtengoed aan en in een bovenmenselijke figuur te kunnen verbeelden.

Is Jezus Christus een literaire “figuur” die religieuze ideeën symboliseert? Te onderscheiden van de historische Jezus die voor ons ontoegankelijk en in zekere zin ook onbelangrijk is? En zeker te onderscheiden van de “kerkelijke” Christus. Loman meende dat hij het Christelijk geloof in de moderne tijd alleen maar kon redden door deze manoeuvre: de Christus te zien als een patroon van mythevorming, als een vehikel voor religieuze voorstellingen, zoals het idee dat we niet moeten leven in angst voor de dood. Alleen de Bergrede, d.w.z. de ethische leringen van Jezus, overleven de kritische schifting.

Gevolgen voor het dagelijks leven

Als we de volmaakte menselijkheid van Christus alleen nog kunnen zien als een vehikel voor gedachten en ideeën, dan is ook onze verre van volmaakte menselijkheid niet langer relevant. Christus komt niet “in het vlees” om ons te redden “van het vlees.” Hij komt ons aanwijzingen geven om “beter” te leven. Elke vorm van docetisme plaatst ons onder het gezag van morele normen en wereldbeschouwelijke ideeën maar laat de menselijke natuur ongemoeid. Het leidt dus tot vormen van moralisme en wetticisme, waaraan de genade-leer van de Reformatie juist een eind wilde maken.

Die ethische normen en wereldbeschouwelijke ideeën zijn namelijk wel makkelijk te formuleren, maar juist in de praktijk heel moeilijk na te leven. Het leerstuk dat Christus “heeft ons een voorbeeld nagelaten, zodat wij in Zijn voetstappen zouden wandelen”, zoals Petrus zegt, heeft alleen maar zin, als juist het echte, aardse leven van Christus ertoe doet. Hij is immers in dit vlees gekomen “opdat zij leven mogen hebben, en dat in overvloed.” (Joh. 10:10)

Maar Gods eigen ondergang / In het vlees was bedoeld / Als een demonstratie / Dat de hoogste verdienste / juist ligt in het gevaar / dat het Woord loopt / wanneer het vlees wordt. (Robert Frost)

Docetisme is een religie van de vlucht uit het dagelijkse leven. Het berust op een verlangen “om in Gods beeld te zijn, zonder Christus”, het is uiteindelijk het narcistische streven om te vermijden dat “het leven onder het kruis staat en zelf gekruisigd wordt met Christus”. (Vrij naar Dorothee Sölle) Lomans ketterij is daar een variant van. Het maakt ons weerloos tegen de weerbarstigheid van het leven, want het vlucht naar de hogere sferen van idealen en ideeën. Het maakt het ondenkbaar om aan lijden dat wij doormaken een zin te verlenen. Dat is de prijs wanneer het aardse leven van Jezus en Zijn lijden en sterven  – God in Zijn vernedering – wordt losgeweekt uit de openbaring en alleen aanleiding is voor hoog-gestemde fantasieën van religieuze mensen.

Kon je deze post waarderen? Ondersteun dan Robbert Veen op Patreon!
PDF24    Send article as PDF   

Geef een reactie