Johannes (100) – Epiloog (1): de verschijning aan het meer van Tiberias

Joh. 21:1-14

Met de beschrijving van de verschijning van Jezus aan Thomas, lijkt het einde van het evangelie bereikt te zijn. Vooral vers 30 en 31 wekken sterk die indruk. Maar Johannes eindigt met een soort epiloog waarin hij nog een laatste gesprek van Jezus met de discipelen weergeeft. Het lijkt bedoeld te zijn om een aantal vragen die bij de lezer kan opkomen, alsnog te beantwoorden. En het maakt een overgang naar de gebeurtenissen die in het boek Handelingen worden beschreven.

Daar vinden we in ieder geval de suggestie dat Jezus regelmatig met de discipelen samen geweest is en tafelgemeenschap heeft gehouden. Bij die gelegenheden gaf Hij nog onderwijs. Dat is wat de uitdrukking in Handelingen 1:4 letterlijk betekent. “En toen Hij met hen samen was” – dat wil zeggen toen Hij samen met hen at. We lezen in vers 14 dat dit de derde keer was “dat Jezus Zich aan Zijn discipelen openbaarde” en dat moet dan de eerste van deze “tafelgesprekken” geweest zijn.

Jezus verschijnt nu in de omgeving, waar al hun eerste ontmoetingen hebben plaatsgevonden. Het meer van Tiberias is niets anders dan het Meer van Galilea. In de tijd dat Johannes zijn evangelie schreef, was de naam van dat meer veranderd door de stichting van de stad Tiberias door Herodes Antipas ter ere van de keizer. De plaats van deze verschijning is blijkbaar van groot belang. Johannes benadrukt met de uitdrukking “en Hij openbaarde Zich als volgt” dat ook de manier waarop Jezus hier verscheen van groot belang is. Het laat bovendien zien, dat de discipelen niet onmiddellijk in staat waren Jezus te herkennen bij Zijn verschijning. Steeds weer moest Hij zich met een woord bekendmaken voordat Hij herkend kon worden. Dat was zo bij Maria Magdalena – Jezus noemt haar naam – en zo is het ook hier.

Dat de discipelen in Galilea waren is niet verwonderlijk, omdat Jezus hen Zelf daartoe de opdracht had gegeven. (Bijvoorbeeld in Mattheus 28: “En de 11 discipelen zijn naar Galilea gegaan, naar de berg waar Jezus hen ontboden had” – vers 16.) Blijkbaar zijn de discipelen niet samen naar Galilea gereisd, zodat er op dit moment maar zeven als groep bijeen zijn. Misschien hebben ze Jezus nog niet op de berg aangetroffen, en zijn ze daarom naar het Meer van Galilea afgedaald. Of misschien hebben ze daar gewacht op de andere vier voordat ze naar de berg toe gingen. In ieder geval gaan ze nu op initiatief van Petrus voor zichzelf zorgen: ze gaan vissen. Het is een daad van ongehoorzaamheid. Was dat niet precies wat Jezus ook voorspeld had? De discipelen zouden uiteengedreven worden, “ieder naar het zijne” (16:32), ieder naar zijn eigen bezigheden en zorgen en wellicht zelfs uiteindelijk naar zijn eigen huis. Ondanks de bevestiging van het onderwijs van Jezus in Zijn opstanding, keren de discipelen in eerste instantie terug naar wat voor hen vertrouwd was.

Het is trouwens heel goed denkbaar, dat Jezus later opnieuw aan hen verschenen is op dezelfde berg waar Hij Zijn bergrede heeft gehouden, nadat de 11 discipelen als groep daar waren aangekomen. Daar zullen ze de opdracht hebben gekregen om weer terug te gaan naar Jeruzalem, vanwaar later vanaf de Olijfberg de Hemelvaart heeft plaatsgevonden. Bijzondere nadruk krijgt daarom nu de vermelding van de aanwezigen: “Simon Petrus en Thomas, ook Didymus genoemd, en Nathanaël, die uit Kana in Galilea afkomstig was, en de zonen van Zebedeus, en twee andere van Zijn discipelen.” De epiloog krijgt hierdoor niet alleen maar een bijna plechtige inleiding, maar ze sluit ook aan bij het verhaal van de roeping van de eerste discipelen in het eerste hoofdstuk. De “twee andere discipelen” zouden dan ook heel goed Andreas (1:41) en Filippus (1:44) kunnen zijn geweest.

Aan het eind van het evangelie gekomen, zijn er nog vele vragen te beantwoorden. Bijvoorbeeld de vraag wie voor de discipelen zou zorgen na de terugkeer van Jezus tot de Vader. De epiloog geeft ons bovendien een gesprek tussen Jezus en Petrus waarin het verhaal van de verloochening en de twijfel van deze apostel tot een goed einde wordt gebracht. En dan is er nog een blijkbaar vals gerucht geweest dat Jezus zou terugkeren voordat de apostel Johannes zou sterven – een gerucht dat Johannes vanuit zijn eigen herinnering kon tegenspreken. Het laat ook zien waarom het evangelie niet nog veel meer tekenen van Jezus heeft beschreven. Zoals de proloog vooruitliep op verschillende thema’s en gedachten in het evangelie, zo kijkt de epiloog dus werkelijk terug, en is daarmee een belangrijk onderdeel van de structuur van het evangelie. Het is daarom in het geheel niet nodig om aan te nemen, dat dit hoofdstuk al heel vroeg aan het evangelie zou zijn toegevoegd en niet door Johannes maar door een andere discipel zou zijn geschreven.

De eerste vraag die de discipelen moet hebben beziggehouden, is de vraag hoe ze nu zonder de lichamelijke aanwezigheid van Jezus moesten verdergaan. Het antwoord op die vraag was een levendige demonstratie van de voortgaande zorg van Jezus voor Zijn discipelen. Ook na de opstanding was Hij bij hen aanwezig. Dat was nodig ook, en dat werd de discipelen duidelijk gemaakt door hun gebrek aan succes. “In die nacht vingen zij niets” (vers 3). De discipelen doen waar ze goed in zijn, ze oefenen hun oude beroep weer uit, maar hun poging om voor zichzelf te zorgen in onafhankelijkheid loopt op niets uit. Zo werd het hen duidelijk gemaakt dat de terugkeer naar hun oude leven niet Gods bedoeling was.

Na deze vruchteloze nacht vol inspanning en verbazing, zien ze Jezus aan de oever van het meer staan. Dat wil zeggen dat Hij wel verschenen is, maar nog zonder Zich aan hen met een woord te openbaren. “De discipelen wisten niet dat het Jezus was” (vers 4). Dan roept Jezus naar de discipelen in hun vissersbootje: “Lieve kinderen, hebt u niet iets voor bij het eten?” De vraag is bedoeld om ze tot het besef te brengen dat ze die nacht, in eigen kracht en met hun eigen wijsheid, hebben gefaald. Ze worden aangesproken als kinderen, ja zelfs als “lieve kinderen”, alsof Jezus wil zeggen dat hun onbeholpenheid ze hier tot afhankelijke kleuters maakt. Ze kunnen niet anders dan antwoorden met “nee” en daarmee bevestigen zij hun falen. Ze zijn niet langer in staat om hun oude leven voort te zetten met succes. Ze zijn niet langer in staat om voor zichzelf te zorgen in het beroep van hun keuze. De volle werkelijkheid van hun roeping en missie in de wereld, moet nu aan hun worden duidelijk gemaakt.

Nu volgt het tweede deel van het onderwijs. Jezus geeft een wonderlijke opdracht: “Werpt het net uit aan de rechterkant van het schip en u zult vinden” (vers 6). Nu hebben ze succes. Ze gehoorzamen het woord van de Heere en werpen het net uit aan de rechterkant van het schip. En meteen hebben ze een goede vangst, ja zelfs zo overvloedig dat zij het net niet meer konden “trekken vanwege de grote hoeveelheid vissen.” Wat laat dit zien? Dat Jezus bij machte was de hele nacht alle vissen aan de greep van de vissers te onttrekken, en dat Hij nu met dezelfde macht een school vissen naar de rechterzijde van het schip dirigeert. Zoveel vissen, dat zeven sterke vissers het net niet meer konden slepen. Daarmee laat Jezus hen zien, dat ze succesvolle vissers kunnen zijn wanneer ze Zijn woord gehoorzamen. Maar ook dat het resultaat van dat vissen groter is dan ze zelf aan kunnen. Maar ik denk dat de belangrijkste functie van deze gebeurtenis het stimuleren van hun geheugen was. Want al eerder hadden Simon Petrus en de zonen van Zebedeus meegemaakt, dat ze een nacht lang tot hun verbazing geen vis hadden gevangen. Wanneer Jezus dan de opdracht geeft om naar het diepe gedeelte te varen en daar zijn netten uit te werpen, “vingen zij een grote hoeveelheid vissen en hun net begon te scheuren” (Luk. 5:6). Bij die gelegenheid kregen Simon en Jacobus en Johannes te horen: “Wees niet bevreesd, van nu aan zult u mensen vangen” (vers 10). Toen “lieten zij alles achter en volgen Hem” (vers 11). Jezus wil ze met deze tweede wonderlijke visvangst herinneren aan het moment dat ze werden geroepen om Zijn discipel te zijn. Dat wil zeggen om vissers van mensen te worden door de prediking van het Koninkrijk.

Wanneer op deze manier hun geheugen is geprikkeld, wordt Jezus herkend door Johannes. “Het is de Heere!” Met zijn bovenkleed om werpt Simon Petrus zich nu in de zee en zwemt naar Jezus toe, en de andere discipelen volgen Hem met de boot. Petrus was de eerste die wilde gaan vissen, en is nu de eerste die ermee ophoudt. De anderen slepen het net met de vissen aan land, en lopen naar Jezus. En dan zien ze dat Jezus een klein wonder heeft verricht, en het komt erop neer dat Hij voor Zijn discipelen een ontbijt heeft gemaakt. Jezus is in hun midden als iemand die dient (Luk. 22:27). De Heere is ook na Zijn opstanding nog Dezelfde! Hij blijft zorgen voor de Zijnen. Als zij zich zullen inzetten voor de belangen van het Koninkrijk, dan zal er voor hun andere behoeften worden gezorgd. “Zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden” (Mat. 6:33).

De eerste opdracht die Jezus nu geeft vinden we in vers 10: “Breng wat van de vissen die u nu gevangen hebt.” Het is Simon Petrus die nu het net gaat halen, dat de andere aan de oever hebben achtergelaten in hun haast. Hij trekt het net vol grote vissen aan land, en dan zegt Johannes dat het er 153 waren. In de kerkgeschiedenis is dat een getal geweest dat velen heeft uitgenodigd om een diepere symbolische laag te ontdekken. 153 is immers 3 × 50 + 3. Op die manier kon Origenes in dit getal de drie-eenheid vinden. Nog mooier is de vondst van Augustinus, die beide 153 vissen aan de gelovigen denkt, die nu in staat zijn de 10 geboden te houden in de kracht van de zevenvoudige geest. En dan hoef je alleen maar op te tellen: 1+2+3+4+…17 = 153. Bij de wonderbare visvangst in Lukas 5 zijn er bovendien twee scheepjes – het scheepje van de heidenen en het scheepje van de Joden, en daar gaat het om de kerk in haar aardse toestand: gelovigen en ongelovigen worden beide gezamenlijk geoogst. Maar hier na de opstanding is de visvangst een symbool van de vereniging van alle ware gelovigen met Jezus op het strand (beeld van de eeuwigheid). Dan zijn de 153 vissen een beeld van de 153 volkeren en talen. Nog fraaier is een uitleg die gebaseerd is op de getalswaarde van de Griekse letters. Romeinse en Arabische cijfers werden immers niet gebruikt door de Grieken om getallen uit te drukken. De getalswaarde van de letters waaruit de naam Simon bestaat blijkt dan 76 te zijn, en wanneer we het Griekse woord voor vis (dat op zijn beurt dan weer een symbool is van Christus) erbij optellen, dan krijgen we 76 + 77 en dat is precies 153. Voor de duidelijkheid: het Griekse woord voor vis is I-CH-TH-U-S, en dat staat symbool voor Christus omdat elke letter als het begin van een woord kan worden gelezen: Iesous CHristos Theou Uios Sootèr, oftewel Jezus Christus, Gods Zoon, de Heiland.

Wat is nu de beste verklaring voor de 153 vissen? Eigenlijk ligt het voor de hand dat iemand bij het zien van deze enorme hoeveelheid vissen gezegd heeft: “wat een enorme hoeveelheid vis. Hoeveel zijn het er eigenlijk?” En vervolgens is gaan tellen. Een normale bezigheid, dat tellen, om te bepalen wat het aandeel is voor elke visser, en welke hoeveelheid naar de markt gebracht kan worden. Het tellen van de vis hoort bij het vissersberoep net zoals het wegen van de vis bij ons. Daarmee geeft het ons ook de aanwijzing, dat Johannes bij deze gebeurtenissen een ooggetuige is geweest. Het is een bijzonder detail dat in zijn geheugen gegrift zal hebben gestaan.

In de stilte van deze morgen deelt de Heer Jezus nu brood en vissen. Het zijn tekenen die naar Hem zelf verwijzen zoals al eerder bij de “wonderbare broodvermenigvuldiging” het brood en de vissen op wonderbare wijze getuigenis aflegden van Zijn goddelijkheid. De Herziene Statenvertaling heeft hier vertaald met “middagmaaltijd”, maar het werkwoord dat Jezus gebruikt volgens vers 12, betekent “ontbijten”. Maar deze uitnodiging om een gezamenlijke maaltijd te gebruiken is wel degelijk meer dan alleen maar het stillen van de honger. In deze maaltijd neemt Jezus de discipelen opnieuw in dienst. Dit is de ochtend van het nieuwe opstandingsleven, de discipelen zijn in de nabijheid van de Heer in de context van die maaltijd, en daar vind het onderwijs plaats waardoor zij worden voorbereid op hun opdracht in de wereld. Hoewel het ongetwijfeld werkelijk zo gebeurd is in de herinnering van Johannes, is het ook een “teken”. Een wonderlijke gebeurtenis die tegelijkertijd een diepere betekenis heeft en waaraan consequenties verbonden zijn. Wordt hier niet heel even geschetst hoe het leven van de gemeente is als de verzameling van de discipelen van Jezus? We delen samen een maaltijd die de Heere ons geschonken heeft, we tellen de zegeningen die Hij voor ons heeft bereid, en we horen het onderwijs van onze Heere.

We horen geen details over het verloop van deze maaltijd. Het is het feit van die maaltijd, en de wonderbare oorsprong ervan, die op dit moment van groot gewicht zijn. Johannes zet ze verhaal voort in vers 15 met het gesprek tussen Jezus en Petrus. Maar de les van deze gebeurtenis is intussen wel duidelijk. De ongehoorzaamheid van de discipelen die niet naar de berg waren gegaan, was op een mislukking uitgelopen. De discipelen konden niet meer terugkeren naar hun oude leven. De gehoorzaamheid van de discipelen aan Jezus daarentegen bracht een overweldigend succes. De wonderbare visvangst maakte duidelijk dat Jezus voor hen zou blijven zorgen en herinnerde hen aan hun roeping, drie jaar daarvoor. Gehoorzaamheid aan God brengt altijd zegen, 153-voudige zegen. Zo wordt de angst voor het falen en de zwakte van de discipelen die hen deed terugdeinzen voor de toekomst die door de opstanding van Jezus was geopend, door Jezus Zelf weggenomen. De discipelen waren geroepen om de Heere Jezus Christus ook na Zijn opstanding te dienen, met de rest van hun leven. Zwakke en zondige mensen worden door Jezus gebruikt voor de verkondiging van Zijn evangelie. Want er zijn geen andere.

Kon je deze post waarderen? Ondersteun dan Robbert Veen op Patreon!
PDF24    Send article as PDF   

Geef een reactie