Johannes (101) – Epiloog (2) Het gesprek met Petrus

Joh. 21:15-25

We komen nu aan het tweede deel van de epiloog. En daarmee aan het eind van dit evangelie. In deze verzen gaat het om de opdracht aan Petrus. Hij moest leiding geven aan de apostelen en zijn stem was dan ook de belangrijkste in de eerste dagen van de kerk. Daarom lezen we zoveel over hem in het boek Handelingen, in de hoofdstukken 2 tot en met 12. Pas wanneer het evangelie niet langer in de eerste plaats aan Israël wordt aangeboden, maar nu vooral aan de niet-joodse volkeren wordt gebracht, treedt Petrus meer op de achtergrond en horen we vooral over de apostel Paulus.

In de epiloog wordt ook een belangrijke vraag beantwoord. Zou de Heere de bijzondere status van Petrus gaan herstellen, die hij verloren had vanwege de verloochening van Jezus. Zelfs na de verschijning van de opgestane Heer aan Petrus aan de andere discipelen, is hij het die als eerste afhaakt. Petrus heeft vermoedelijk de discipelen meegenomen naar het Meer van Galilea om te gaan vissen – hij kon niet langer wachten op de berg. Hij is de eerste die meent dat ze nu, terwijl ze toch een nieuwe verschijning van de Heere verwacht hebben, maar weer gewoon hun dagelijkse leven moeten vervolgen. In dit gedeelte wordt de status van Petrus echter hersteld. Maar dat gaat op een heel bijzondere manier. Het is duidelijk dat Petrus een bijzondere opdracht krijgt. Maar de vraag is of hij over de noodzakelijke eigenschappen beschikt. Wat zijn dan bovendien die eigenschappen, die nodig zijn voor leiderschap in de gemeente? Kort gezegd moet elke christen die leiding wil geven boven alles Christus liefhebben. Daarnaast moet hij in staat zijn om alles in zijn leven op te offeren voor de dienst van Christus. En tenslotte is de fundamentele opdracht voor een christen in een leidinggevende positie, wezenlijk hetzelfde als die van alle andere. Maar die leiding geeft, zal dit ene wat van ieder gevraagd kan worden, in het bijzonder moeten doen: Christus navolgen.

Door de hele bijbel heen wordt het duidelijk, dat liefde voor God de kern is van het leven van elke ware gelovige. Het zesde hoofdstuk van Deuteronomium maakt dat al duidelijk. Het is de instructie in de “geboden, de verordeningen en de bepalingen die de Heere, uw God, geboden heeft u te leren, om ze te doen” (vers 1). Door dit onderwijs over de geboden moet er een gezond respect zijn voor het gezag van de Heere, zoals we lezen in het tweede vers: “opdat u de Heere, uw God, vreest door al Zijn verordeningen en Zijn geboden, die ik u gebied, in acht te nemen.” Het “leren” en het “vrezen” komen samen in het derde vers: “luister dan, Israël, en neem ze nauwlettend in acht.” En wanneer al deze geboden worden gehoord, begrepen, geleerd, en met respect en ontzag voor de Heere die ze gaf worden gehoorzaamd en gedaan, dan kan nog iets anders worden gehoord. In het vierde vers komen we daarom de geloofsbelijdenis van Israël tegen. Wie de geboden hoort en gehoorzaamt maakt een belangrijke waarheid zichtbaar: “Hoor, Israël! De Heere, onze God, de Heere is één.”

Meteen daarna vinden we het gebod dat definieert hoe een ware gelovige tegenover God en Zijn geboden staat. Leren, vrezen, luisteren, in acht nemen en zo zichtbaar maken dat de God van Israël de enige en unieke God van de wereld is. Dat is het eerste maar dan meteen daarachter aan in het vijfde vers: “Daarom zult u de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.” De liefde voor God die het kenmerk is van de ware gelovigen, gaat verder dan het vrezen en leidt tot het dienen. Zo lezen we in het 10e hoofdstuk: “Nu dan, Israël, wat vraagt de Heere, uw God, van u dan (alleen) de Heere, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te gaan, Hem lief te hebben en de Heere, uw God, te dienen, met heel uw hart en met heel uw ziel” (10:12). En ook het begin van hoofdstuk 11 laat dit zien: “Daarom moet u de Heere, uw God, liefhebben en Zijn voorschriften, Zijn verordeningen, Zijn bepalingen en Zijn geboden in acht nemen, alle dagen” (11:1). Liefde tot God en gehoorzaamheid aan Zijn geboden gaat onverbrekelijk samen.

Ook het Nieuwe Testament leert ons dat liefde het kenmerk is van een ware gelovige. De Heere Jezus verwijst naar het Oude Testament wanneer Hij zegt: “U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart et cetera” – Mattheus 22:37. Dat is Zijn antwoord op de vraag van een wetgeleerde wat het grote gebod in de wet was. Paulus maakt ook verschil tussen een afstandelijke kennis van God – “de kennis maakt opgeblazen” – en het liefhebben van God – “maar de liefde bouwt op.” Het komt er blijkbaar niet op aan dat wij een God kennen die ons liefheeft, maar dat: “als iemand God liefheeft, is hij door Hem gekend” (1 Kor. 8:2, 3) God kent ons als wij Hem liefhebben, dat wil zeggen dan herkent Hij ons als Zijn kind, en erkent ons als ware volgelingen van Jezus. Het liefhebben van God staat zelfs volkomen gelijk aan het geloof in Hem, zoals aan het einde van deze zelfde brief Paulus kan zeggen: “Als iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, laat hij vervloekt zijn” (1 Kor. 16:22). Het is een strenge waarschuwing, maar het ligt volkomen in de lijn van het Oude Testament. Vervloekt is een ieder – afgesneden van het ware leven betekent dat – die niet in geloof heeft geantwoord op het offer van de Heere Jezus Christus. God liefhebben, in Hem geloven en in Hem die Hij gezonden heeft, en Hem gehoorzamen, dat hoort allemaal bij elkaar.

Petrus heeft als geen ander moeten leren wat het betekent om Jezus Christus lief te hebben. Zijn eerste betuiging van liefde voor Jezus lag besloten in zijn woorden: “ik zal mijn leven voor u geven” (13:37). Maar zo is het niet gegaan. Petrus verloochent, in een relatief ongevaarlijke situatie, dat hij Jezus kent en Zijn discipel is. Ondanks Zijn vertoon van moed bleek hij zichzelf te overschatten. Zijn vastberadenheid in het volgen van Jezus valt weg als sneeuw voor de zon op het moment dat er gevaar dreigt.

Zo was het ook na de opstanding en na de eerste verschijning van Jezus aan hem. Het geduld om op Jezus te wachten in Galilea moet wijken voor de alles overheersende aandrang om rust en veiligheid te zoeken in het gewone, dagelijkse leven. Dat alles is bepaald geen bewijs dat Petrus werkelijk Jezus liefheeft. Maar dat was wel de eigenlijke test. Zo had Jezus toch gezegd: “Als u Mij liefhebt, neem dan Mijn geboden in acht” (14:15). En ook de liefde van Jezus voor Zijn discipelen was afhankelijk van deze gehoorzaamheid: “Als u Mijn geboden in acht neemt, zult u in Mijn liefde blijven” (15:10). Het is overigens goed om te beseffen, dat de liefde van de discipelen voor Jezus niet alleen vanzelfsprekend is voor de 11 die Hem in Zijn aardse leven hebben meegemaakt. Diezelfde Petrus waarover wij nu lezen, kon schrijven aan de “vreemdelingen in de verstrooiing”: “Hoewel u Hem niet gezien hebt, hebt u Hem (toch) lief” (1 Pe. 1:8).

We weten uit Lukas 24:34 dat de Heere individueel aan Simon Petrus is verschenen. Dat is wat de 11 discipelen weten te vertellen aan de Emmaüsgangers. Paulus bevestigt dat met de woorden: “en dat Hij verschenen is aan Kefas, daarna aan de twaalf” (1 Kor. 15:5). “Kefas” is het Aramese woord voor rots (Petrus). Daarnaast moeten we beseffen, dat de uitdrukking “twaalf” de vaste uitdrukking is voor het gezelschap discipelen, terwijl er hier uiteraard nog maar 11 over zijn. Wanneer deze verschijning heeft plaatsgevonden, is niet geheel duidelijk. Het is waarschijnlijk dat ze vlak na de opstanding heeft plaatsgevonden, omdat de verschijning aan de 11 discipelen nog op de dag van de opstanding zelf heeft plaatsgevonden. Wat er bij die verschijning is uitgewisseld en wat de Heere tegen Petrus gezegd heeft, wordt ons niet meegedeeld. Maar het was blijkbaar noodzakelijk dat het herstel van Petrus niet alleen maar in die individuele ontmoeting zou plaatsvinden. Het gedrag van Petrus in deze passage lijkt er ook op te duiden dat er nog een tweede gesprek en een openbaar herstel noodzakelijk was.

Het gesprek tussen Jezus en Petrus bestaat in hoofdzaak uit drie vragen en drie antwoorden, en dan één opdracht in drie delen. Petrus wordt aangesproken met de woorden “Simon, zoon van Jona (Johannes)” (vers 15). Dat was anders dan normaal. Het was Jezus die aan Simon de bijnaam Petrus had gegeven. Een enkele keer sprak Hij hem aan met de naam Simon, vooral wanneer deze iets gezegd of gedaan had wat niet door de beugel kon. De naam waarmee Jezus hem nu aanspreekt, is eigenlijk zijn normale naam. Met deze naam stond Petrus bekend in zijn vorige leven, voordat Jezus hem geroepen had, toen hij nog alleen een visser was. En het is daarom een perfecte inleiding op de vraag die nu komt: “hebt u Mij meer lief dan deze?” – de HSV heeft hier “dezen” alsof het om personen gaat. Maar de bedoeling van de vraag is, of Petrus de Heere meer liefheeft dan de boten, de netten, het vorige leven dat hij geleid heeft et cetera. Dit is immers de kern van de zaak. Petrus verloochent in zekere zin na de opstanding Jezus opnieuw, door terug te keren naar zijn oude leven. Jezus wil hier Petrus herinneren aan de opdracht die Hij hem gegeven had bij zijn roeping. Hij, Petrus, zou een visser van mensen zijn. De navolging van Jezus betekende een breuk met het vorige leven, een nieuwe manier van leven en een andere Heer. De opstanding zou dat alleen nog maar bevestigen.

Petrus geeft antwoord door te zeggen: “Ja, Heere, U weet dat ik van U houd” (vers 15). De Statenvertaling en de herziening daarvan in de HSV geven het verschil weer in de oorspronkelijke Griekse woorden. De vraag van Jezus betekent: “heb je Mij lief met een liefde waarin een volkomen toewijding werkzaam is, met de hoogst denkbare liefde die berust op je wil en onderscheidingsvermogen?” Dat is wat in het Grieks het woord agapè betekent. Petrus is hier nog niet hersteld en voelt zich te schuldig om te claimen dat hij op die wijze liefde voor Jezus voelt. Zijn bravoure van het verleden is nu weggevallen. Vandaar zijn antwoord, waarin hij zowel verwijst naar de alwetendheid van de Heere als naar de waarheid omtrent zijn aanhankelijkheid. “Heere, U weet dat ik van u houd.” Petrus gebruikt dan het woord fileo, dat zoiets betekent als aanhankelijkheid, vriendschap, houden van. Op de vraag of hij Jezus liefheeft, zegt hij dus feitelijk dat dat niet het geval is, maar dat hij wel degelijk op Jezus gesteld is, diepe vriendschap voor Hem voelt.

De liefde van Petrus voor Jezus is minder dan hij in het verleden gepretendeerd had. Dit was niet de liefde van iemand die zijn leven zou geven voor zijn Heere. Dit was niet de liefde die geboden was in Deuteronomium 6, een liefde met alle kracht en met de hele ziel en met hele verstand. Maar omdat Petrus dit in alle nederigheid erkende, dat zijn liefde ook minder was dan Christus verdiend had, krijgt hij de eerste opdracht: “Weid Mijn lammeren” (vers 15). Die opdracht houdt in dat Petrus voortdurend moet zorgen voor de gelovigen in hun onvolwassenheid en kwetsbaarheid. Dat is wat het woord “lammeren” als beeld van de gelovigen wil zeggen. De gelovigen zijn eigendom van Jezus. En ze hebben deze zorgzaamheid van een herder nodig.

Dan komt voor de tweede keer de vraag, opnieuw met de aanspreekvorm “Simon, zoon van Jona” en opnieuw met gebruik van het Griekse woord agapè. En opnieuw moet Petrus op dezelfde manier antwoorden, en zegt in alle nederigheid dat de Heere toch weet dat hij van Hem houdt – met een diep gevoel van vriendschap dus. Nu krijgt Petrus de tweede opdracht. “Hoed Mijn schapen”, zegt Jezus tegen hem. Nu gaat het niet om de gelovigen in hun kwetsbaarheid, maar om de volgroeide, volwassen gelovigen, die tegen gevaren van buiten af en van binnenuit moeten worden beschermd. “Hoeden” betekent bewaken of beschermen. Nu ligt de nadruk op de zware verantwoordelijkheid van de leiders van de gemeente, Petrus voorop.

Voor de derde keer stelt Jezus een vraag aan Petrus. Maar nu gebruikt hij een ander woord in het Grieks. Hij vraagt niet of Petrus Hem liefheeft (agapè), maar Hij vraagt of Petrus van Hem houdt (filia, vriendschap). Dat Jezus zou kunnen twijfelen zelfs aan de vriendschap van Petrus voor Hem, lokt bij deze een diepe reactie uit. “Petrus werd bedroefd, omdat Hij voor de derde keer” – een vraag stelde en nu – “tegen hem zei: houdt u van Mij?” Dat zal de reden zijn dat Petrus in zijn antwoord nu de voorkennis van Jezus benadrukt met de woorden “Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik van U houd” (vers 17).

Jezus accepteert opnieuw het nederige antwoord van Petrus geeft hem een afsluitende opdracht: “Weid Mijn schapen”. Dat is alomvattend. Niet alleen maar onvolwassen gelovigen, maar juist ook de volwassen gelovigen zijn nu aan Petrus toevertrouwd. En het gaat niet alleen maar om het voeden met Gods woord, maar ook om het beschermen tegen de gevaren van valse leer en geloofsafval.

Petrus heeft in zijn leven geleerd dat hij niet bij machte was in eigen kracht Jezus te volgen. Zijn eigen gevoel van vriendschap voor Jezus was niet voldoende. Het is alleen maar vanuit deze nederigheid dat hij in staat is om de nodige kracht en wijsheid van Jezus zelf te verwachten. En vanwege dat besef van afhankelijkheid tegenover de wijsheid en kracht van Jezus door Zijn heilige Geest, is Petrus, en met hem een ieder die de gemeente wil leiden, geschikt gemaakt. Vanuit deze opdracht en in de wijsheid die hij in de praktijk verkregen heeft kan Petrus daarom schrijven “Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op, niet gedwongen, maar vrijwillig; niet uit winstbejag, maar bereidwillig; ook niet als mensen die heerschappij voeren over het erfdeel van de Heere, maar als mensen die voorbeelden voor de kudde geworden zijn” (1 Pe. 5:2, 3)

Meteen hierna maakt Jezus aan Petrus duidelijk, dat deze opdracht ook kan inhouden dat hij het grootste offer zou moeten brengen. Zo had Jezus ook al tot de discipelen gesproken: “Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden” (Mat. 10:39). Met de woorden “voorwaar, voorwaar” begint Jezus nu een diepe en belangrijke, maar ook tragische waarheid aan Petrus te vertellen. Toen u jonger was, zegt Jezus, “omgordde u uzelf en liep u waar u wilde”, Petrus kon gaan en staan waar hij wilde en doen wat hij verkoos. Maar, zegt Jezus dan, “als u oud geworden bent, zult u uw handen uitstrekken, en een ander zal u omgorden en u brengen waar u niet heen wilt” (vers 18). Het beeld is helder. De uitgestrekte handen van Petrus verwijzen naar zijn kruisiging. En een of andere Romeinse soldaat zal degene zijn, die Petrus omgorden zal. Of Petrus het begrepen heeft, wordt ons niet gezegd. Maar Johannes begreep het in ieder geval achteraf: “En dit zei Hij om aan te duiden met wat voor dood hij” – dat is Petrus – “God verheerlijken zou.”

Petrus heeft al heel wat te verwerken gekregen in deze conversatie. Hij heeft drie opdrachten gekregen en een voor hem wellicht raadselachtig woord dat hem duidelijk moest maken wat zijn toekomst is. Ik denk dat hij het wel degelijk begrepen heeft. Petrus had immers gezegd dat hij zijn leven zou geven voor Jezus. Bij de kruisiging was dat niet het geval geweest en na de opstanding wilde hij niets liever dan terugkeren naar zijn oude leven. Maar de ontmoeting met Jezus hier aan het strand heeft alle verschil gemaakt. Petrus mag de gemeente leiden; de schapen van Jezus mag hij beschermen en voeden. En uiteindelijk zal hij door zijn leven te geven voor Jezus, God de Vader verheerlijken.

Het is alsof Jezus dit alles nog eens in een enkel bevel tot uitdrukking brengt: “Volg Mij!” (vers 19). Wat Petrus niet gelukt is tijdens het leven van Jezus, zou hem uiteindelijk door Gods genade worden mogelijk gemaakt. Het is een kostbare navolging. Waarschijnlijk heeft Petrus dit niet alleen maar figuurlijk verstaan, maar ook letterlijk. Het lijkt erop dat Jezus is opgestaan en misschien langs het strand is gaan lopen met Petrus achter zich aan. Wellicht had Hij nog andere dingen tegen hem te zeggen waar de anderen niet bij hoefden te zijn. Een deel van die conversatie zal Petrus later aan Johannes hebben meegedeeld.

Wanneer Jezus met Petrus een eind is weggelopen van de andere discipelen, draait Petrus zich om. Hij ziet de discipel die Jezus liefhad op enige afstand achter hem aanlopen. Dat moet de discipel Johannes zijn geweest. Petrus vraagt dan aan Jezus: “Heere, maar wat zal er met hem gebeuren?” Petrus moet beseft hebben dat de apostel Johannes altijd al een bijzondere plaats in het gezelschap van de discipelen heeft ingenomen. Als hij, Petrus dan deze bijzondere dood zou sterven, wat zou er dan met zijn grote vriend Johannes gebeuren?

Het antwoord van Jezus is veelzeggend: “Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volgt u Mij!” (vers 22). Dat was niet echt een antwoord. Petrus krijgt deze woorden te horen om te beseffen dat het hem niet aangaat. De verantwoordelijkheid van Petrus zou niet anders worden vanwege de verantwoordelijkheid die anderen zouden dragen. Wat ook het lot zou zijn van de apostel Johannes, het had geen direct gevolg voor de taken van Petrus. Het is van groot belang om dit goed tot ons te laten doordringen. Dat Jezus met elk van Zijn volgelingen een unieke weg gaat, en elk van hen een uniek leven schenkt.

We zijn gekomen bij het einde van het evangelie. Er zijn nog een paar losse eindjes die Johannes in de tekst wilde oplossen. In de eerste plaats maakt hij van de gelegenheid gebruik om een hardnekkig gerucht tegenspreken. Het gerucht namelijk dat de discipel Johannes, hij zelf dus, niet zou sterven, omdat de Heere Jezus zou terugkomen voor zijn dood. In het evangelie benadrukt Johannes nog eens wat Jezus werkelijk gezegd had: “Maar Jezus had niet tegen hem gezegd dat hij niet zou sterven, maar: Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan?” Voor alle lezers van dit evangelie die leefden ná de dood van Johannes was dat een belangrijke weerlegging van het gerucht.

Het tweede is de verzekering dat alles wat in dit evangelie staat, waarachtig is. De discipel die van deze gebeurtenissen getuigd heeft en deze dingen heeft beschreven, is “deze discipel”, dat wil zeggen de discipel die Jezus liefhad, dat wil zeggen de apostel Johannes.

En dan zegt vers 24: “en wij weten dat zijn getuigenis waar is.” Wie zijn dan die “wij”? Misschien zijn het de eerste kopiisten van het evangelie? Misschien is het hetzelfde “wij” als dat van de eerste brief van Johannes, het “wij” dus van de apostelen: wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben, wat wij aanschouwd hebben, wat onze handen getast hebben et cetera (1 Joh. 1:1).

En dan geeft Johannes een afsluitende opmerking, namelijk dat niet alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft in dit evangelie is opgenomen. Het zou ook niet kunnen, zegt Johannes. Er zijn zoveel andere dingen die Jezus gedaan heeft. En als die beschreven zouden worden zou de wereld zelf de geschreven boeken niet kunnen bevatten. Het is een prachtige dichterlijke beeldspraak en het maakt nog eens duidelijk dat Johannes zijn getuigenissen heeft geselecteerd met een bijzonder doel, namelijk dat wij zouden geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God. En dat wil zeggen dat wij door dat geloof het eeuwige leven zouden ontvangen in Zijn Naam.

Kon je deze post waarderen? Ondersteun dan Robbert Veen op Patreon!
www.pdf24.org    Send article as PDF   

Geef een reactie