Johannes (98) – De verschijning van Jezus aan de elf apostelen

Joh. 20:19-23

Op de ochtend van deze eerste nieuwe dag, is Jezus verschenen aan Maria Magdalena. Op de avond van deze dag, is Jezus verschenen aan de elf discipelen. Met die beide momenten is voor Johannes het wezenlijke van deze dag beschreven. Opstanding en verschijning horen bijeen. En wat Johannes hier overslaat is precies datgene wat er in zijn evangelie eigenlijk niet toe doet. Het zal immers voor de discipelen een dag van verwarrende gesprekken, van twijfel en zorg, en boven alles van angst zijn geweest. Maar ook de ontmoeting van Jezus met de Emmaüsgangers, die overdag heeft plaatsgevonden, laat Johannes weg. Net als voor de schrijver van Genesis wordt voor hem een dag bepaald door zijn ochtend en zijn avond.

Maar de orde van de tijd van Genesis – het was avond geweest en het was morgen geweest – wordt nu omgekeerd. Het is ochtend geweest en het is avond geweest, de eerste dag van de nieuwe geschiedenis! Daarom is het Johannes te doen geweest. Het is alsof je dit hoofdstuk zou kunnen lezen als vervolg op Genesis 2 en 3. De mens bederft de schepping op de eerste dag van de nieuwe week; de geschiedenis van de mensheid tot aan de opstanding beslaat ook maar een figuurlijke week, en dan is hier de eerste nieuwe dag van de derde week. De week van de voltooiing.

Elf discipelen vinden we hier bij elkaar, misschien wel op dezelfde locatie als waar zij de Paasmaaltijd met Jezus hebben gevierd. De deuren zijn op slot gedaan, in ieder geval gesloten. Op dat moment hebben zij verwacht dat de tempelpolitie na de executie van Jezus ook met Zijn discipelen korte metten wilde maken. De Joodse autoriteiten hadden hun Meester gedood, en het was dan ook te verwachten dat zij nu aan de beurt zouden zijn.

Maar dan verschijnt Jezus in hun midden. Hij komt niet aankloppen aan de deur, hij klimt niet door een raam naar binnen, maar is plotseling in hun midden aanwezig. Jezus kwam en stond in hun midden – zegt de tekst. Gesloten deuren en gebarricadeerde ramen kunnen Hem niet tegenhouden. Jezus is geen hallucinatie of spookverschijning geweest, en wat zij zagen op die avond was geen product van massahysterie. Maar het verheerlijkte lichaam van Jezus wordt niet tegengehouden door steen en hout. Hij dringt door tot in de kamer waar zij Hem angstig zien verschijnen. Hij dringt door tot in hun angstige beslotenheid, en het eerste dat Hij aanspreekt is hun onrust en angst. Zo had Hij ook al gesproken in hoofdstuk 14: “Laat uw hart niet in beroering raken” (14:1). En nu zegt Hij iets soortgelijks: “Vrede zij u” (vers 19).

We weten wat zij dachten uit de beschrijving van Lukas: “En zij werden angstig en zeer bevreesd en dachten dat ze een geest zagen” (Luk. 24:37). Het is net alsof deze woorden een vervolg zijn op de woorden die Hij sprak aan het kruis: “Het is volbracht” (19:30). En nu het werk en het sterven volbracht zijn, kan het zegenrijke gevolg worden uitgesproken. Nu, bij de opstanding, zijn wij gerechtvaardigd uit het geloof, want Christus is uit de doden opgestaan opdat wij gerechtvaardigd zouden worden zoals Paulus zegt: “Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging” (Rom. 4:25). En daarom kan Paulus zeggen: “want met het hart gelooft men tot gerechtigheid” omdat wij “met het hart geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt” (Rom. 10:9, 10). En dit is dan het resultaat: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus” (Rom. 5:1)

Nadat Hij met het woord vrede zowel de discipelen gegroet heeft, alsook het heerlijke gevolg van Zijn kruisdood heeft uitgesproken, toont Hij hen Zijn handen en Zijn zij. Lucas geeft het als volgt weer: “Zie Mijn handen en Mijn voeten, want Ik ben het Zelf. Raak Mij aan en zie, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb. En terwijl Hij dit zei, liet Hij hun de handen en de voeten zien” (Luk. 24:39, 40). Hij moet Zijn wonden tonen omdat zij ze niet onmiddellijk hebben opgemerkt. Door de aanblik van Zijn wonden komen ze tot het besef dat het werkelijk de Heere is. Het zijn de merktekens van Zijn vleeswording. Maar de tekenen van Zijn lijden leiden niet meer tot verschrikking of verbijstering. Het zijn de merktekens immers van een lijden en sterven dat is overwonnen. En terwijl eerst de angst hun ongeloof motiveerde, is het nu de blijdschap. Zou het dan werkelijk de Heere zijn? De blijdschap over die mogelijkheid ontneemt hun de adem: “En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zei Hij tegen hen: Hebt u hier iets te eten?” (vers 41). Door het eten van een stuk van een gebakken vis en honing moet Jezus de discipelen ervan overtuigen dat Hij werkelijk en lichamelijk voor hun ogen staat.

Is het hiermee niet volkomen duidelijk dat de Schrift een lichamelijke opstanding leert? Hoe is het mogelijk dat christenen tegenwoordig van mening zijn, dat je dit verhaal kunt tegenspreken door eraan vast te houden dat de opstanding van Jezus alleen maar in de wereld van de ideeën heeft plaatsgevonden; kortom een sprookje is? Zou Johannes dit detail vermeld hebben, als bij hem die mogelijkheid ook maar een ogenblik was opgekomen? Vanuit welk gezichtspunt, vanuit welke inzichten en ervaringen, zouden wij het recht hebben om het beter te weten dan Johannes? Ik spreek nog niet eens over de waarachtigheid van de Schrift, of over de inspiratie van de apostelen door de heilige Geest, maar eenvoudige over het voorrecht van een getuige dat hij op zijn woord geloofd wordt tenzij het tegendeel blijkt.

Nu de discipelen ervan overtuigd zijn dat het werkelijk de opgestane Heer is, geeft Jezus hen Zijn eerste opdracht. “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook u” (vers 21). Het is een voorproefje van de grote opdracht die Hij hen later in Galilea zou geven, zoals we lezen in Mattheus 28. Formeel zijn de discipelen nu uitgezonden. De woorden klinken als een plechtige formule. En om ze te onderstrepen geeft Jezus ook nog een teken van Zijn macht. Als een verwijzing naar de komende realiteit van de komst van de heilige Geest, blaast Hij Zijn adem op hen en zegt tot hen: “Ontvang de Heilige Geest” (vers 22).

We moeten goed begrijpen dat dit een symbolische daad is geweest, als een illustratie van de boodschap die Jezus hier wilde brengen. Het gebaar dat Hij hier maakt, maakt van tevoren zichtbaar wat er zou gaan gebeuren met Pinksteren. De discipelen wachtten nog steeds op de komst van de heilige Geest. Wanneer de heilige Geest komt, staat deze in het geheel andere relatie tot de discipelen dan de gelovigen van het oude verbond. Wie in Jezus Christus gelooft mag weten, dat “uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is en Die u van God hebt ontvangen” (1 Kor. 6:19). Het is die Geest, die ons de overtuiging geeft dat wij kinderen van God zijn – Rom. 8:16. Iedere gelovige ontvangt “de kracht van de Heilige Geest” (Hand. 1:18). Het is de heilige Geest die in de gemeente gaven uitdeelt, zoals Hij wil. “Er is verscheidenheid van genade gaven, maar het is dezelfde Geest” (1 Kor. 12:4). En bij alle gaven die in de gemeente werkzaam zijn, is het “één en dezelfde Geest, Die aan ieder afzonderlijk uitdeelt zoals Hij wil” (1 Kor. 12:11). Dat wij met elkaar verbonden zijn in de eenheid van de gemeente, is ook het werk van de heilige Geest. Met Pinksteren is dat begonnen. En iedereen die daarna tot geloof komt, krijgt op dezelfde wijze deel aan de heilige Geest – of beter gezegd: wordt door de heilige Geest aan de gemeente toegevoegd. En door dat toegevoegd worden, geldt voor elke nieuwkomer en laatkomer precies hetzelfde: “Ook wij allen immers zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt… Wij allen zijn van een Geest doordrenkt” (1 Kor. 12:13).

Het gebaar dat Jezus hier maakt, is tevens een duidelijke bevestiging van Zijn godheid. De heilige Geest wordt immers vaak voorgesteld als de adem van God, zoals we lezen in Ezechiël: “Zo zegt de Heere HEERE, Geest, kom uit de vier windstreken en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen” (Ez. 37:9). Het moet de discipelen ook herinnerd hebben aan de taal van Genesis 2, waar we lezen “de HEERE God…blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen” (Gen. 2:7). Zo zien we hier de discipelen neergebogen onder een windvlaag, als de kern van de gemeente.

De discipelen zijn nu opgeroepen om Zijn getuigen te zijn. Met de gave van de heilige Geest is de gemeente van Christus – als Zijn lichaam – toegerust tot precies dat werk. En als een deel van dat getuigenis ontvangen ze een bijzondere autoriteit van hun Heere. “Als u iemand zonden vergeeft, worden ze hem vergeven; als u ze hem toereikend, blijven ze hem toegerekend” (vers 23). Wat is de betekenis hiervan? Is dat de bevoegdheid om zonden te vergeven als een gezag waarover de Rooms-katholieke kerk zou beschikken? Het getuigenis van de Schrift is toch duidelijk, dat alleen God zonden kan vergeven. Nergens in het Nieuwe Testament vinden we ook een voorbeeld van de vergeving van zonden op gezag van de apostelen.

Bovendien wordt deze gave van de heilige Geest niet alleen maar aan de 11 discipelen toegezegd, hoewel zij de belangrijkste aanwezigen zijn. Lukas 24 maakt immers duidelijk dat ook de Emmaüsgangers tot de aanwezigen gerekend moeten worden. De bevoegdheid van vers 23 wordt dus niet alleen maar aan de apostelen gegeven, maar aan iedereen die de heilige Geest ontvangt. Gaat het hier niet om het recht van elke christen om ervan te getuigen, dat zij die zich waarachtig bekeren en het evangelie geloven vergeving van zonden van Godswege zullen ontvangen? Is het niet de bevoegdheid om die declaratie uit te spreken namens God? En ook omgekeerd, de bevoegdheid om tegen iedereen te zeggen, dat zij die niet geloven in Jezus Christus in hun zonden zullen sterven? Het “vergeven” is dus de inhoud van hun declaratie – als u predikt dat iemands zonden zullen worden vergeven op grond van hun geloof, zal dat ook zo zijn. En dan ook omgekeerd: als u predikt dat iemand in zijn zonden zal sterven wanneer hij niet gelooft in het evangelie, dan zal ook dat zou zijn. De Heere bevestigt hiermee de waarachtigheid van de prediking van het evangelie, waartoe een ieder die de heilige Geest heeft ontvangen, feitelijk geroepen is.

Wanneer de Heere Jezus spreekt over Zijn gemeente op aarde, zegt Hij iets vergelijkbaars. Zo lezen we bij Mattheus: En Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven; en wat u bent op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en wat u ons bindt op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn” (Mat. 16:19). Dit vers bij Mattheus heeft naar mijn idee een tweevoudige betekenis. Voor wat betreft de discipline van de gemeente, gaat het om het vastleggen van bindende morele voorschriften. De gemeente als geheel, vergaderd in gebed en in een houding van eerbied voor de wil van de Heere, – samengekomen in Zijn Naam – heeft het recht om vast te stellen wat wel en wat niet in overeenstemming is met het evangelie. Ook wanneer zij tot besluiten zouden komen, die in strijd zijn met Gods wil, geldt hier de belofte dat de hemel – voorlopig – de wil van de gemeente als geheel zelf onderschrijft.

Maar wanneer zou duidelijk blijken, dat de gemeente als geheel een bepaalde gedraging als zonde aanrekent? Dat is toch in het concrete geval dat iemand in de gemeente bijvoorbeeld in openlijke zonde leeft, of de voortgang van het evangelie opzettelijk schaadt of hardnekkig in een morele zonde blijft steken en geen vergeving zoekt. De uitdrukking binden en ontbinden heeft te maken met de band tussen de gelovige en de gemeente. De gemeente heeft het recht iemand die in openlijke zonde en tegen de overtuiging van de gemeente als geheel in leeft, te vermanen en bij hardnekkige weigering ook uit te sluiten. Ja, ze heeft daartoe zelfs de plicht. Wanneer de gemeente die plicht verzuimt, bijvoorbeeld in het geval dat een van haar predikanten een ernstige dwaalleer verkondigt – of het nu is dat God niet bestaat of dat Jezus zelfs nooit bestaan heeft – wordt de waarachtigheid van haar verkondiging van het evangelie ernstig verzwakt zo niet volledig uitgewist.

En dat is dan de tweede betekenis van dit vers: iemand opnieuw toelaten tot de gemeente – binden – en iemand nadrukkelijk buiten de gemeente plaatsen – ontbinden. Het is opmerkelijk dat de discipline van de gemeente, om die uitdrukking te gebruiken, in Mattheus 16 in verband wordt gebracht met de waarachtigheid van de vergeving in de gemeente, en in Johannes 20 in verband wordt gebracht met het getuigenis van de discipelen. In Mattheus 16 staat de realiteit van de vergeving op het spel. Een daad van vergeving heeft geen betekenis, als zonden niet worden toegerekend aan degene die geen vergeving zoeken maar volharden in hun overtreding tegen de Heere God. Het getuigenis van de discipelen over de rechtvaardiging door geloof alleen, heeft ook geen enkele zin als niet kan worden gezegd dat alleen degenen die het evangelie ook geloven, die vergeving zullen ontvangen. En dat degenen die het evangelie verwerpen, die vergeving dus niet zullen ontvangen.

Het is om die reden dat de gedachte van de alverzoening zulke schadelijke gevolgen heeft voor de kracht van het evangelie. Zodra we op de gedachte komen dat God uiteindelijk allen zal vergeven, ongeacht of zij in Jezus hebben geloofd of niet, ontnemen wij alle gezag en alle kracht aan het evangelie. Hoe kan het evangelie dan nog gezien worden als een boodschap die de redding van een zondaar tot doel heeft? Als uiteindelijk toch alle mensen behouden worden ook zonder geloof, wat is dan nog een reden om tot geloof te komen? Het getuigenis van de gemeente – het getuigenis van Johannes maar eigenlijk ook voor het gehele Nieuwe Testament – is wezenlijk verbonden met wat Johannes hier weergeeft: “als u spreekt over de vergeving van de zonden op grond van geloof alleen, dat getuigt van een realiteit die ook daadwerkelijk zo door God is ingesteld, want alleen dan worden de zonden van iemand vergeven. En wanneer u verkondigd dat iemand zal sterven in zijn zonden zolang hij of zij niet in de opgestane Heer Jezus gelooft, die het zondoffer was voor de zonden – want Hij die geen zonde gekend heeft, is door God tot een zondoffer gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem – dan is ook dat een realiteit die door de hemel wordt gegarandeerd.

Kon je deze post waarderen? Ondersteun dan Robbert Veen op Patreon!
PDF24    Send article as PDF   

Geef een reactie