Johannes (99) – De belijdenis van Thomas

Joh. 20:24-31

Thomas was er niet bij. Omdat hij zich had onttrokken aan de gemeenschap van de discipelen, was hij niet aanwezig toen Jezus aan hen verscheen. In de verte is dat misschien een illustratie van het beginsel, dat Jezus aanwezig wil zijn in de gemeenschap van de discipelen – waar twee of drie vergaderd zijn, daar ben Ik in hun midden. Wie zich onttrekt aan de gemeenschap van discipelen – de gemeente – mist dus ook de aanwezigheid van Jezus. Toch wordt nadrukkelijk vermeld dat hij een van de 12 was. Ondanks zijn afwezigheid blijft hij deel uitmaken van de kring der discipelen. En ook dat is van toepassing op degenen die de gemeente feitelijk de rug hebben toegekeerd. Thomas heeft wel de verschijning van Jezus gemist, maar dat diskwalificeert hem nog niet als discipel.

Zoals we nog zullen zien, staat ook niet zijn geloof in Jezus op het spel, maar alleen zijn geloof in de opstanding. In het evangelie als geheel speelt hij nauwelijks een rol. In hoofdstuk 14 stelt hij de vraag: “Heere, we weten niet waar U heen gaat, en hoe kunnen wij de weg weten?” (14:5). In hoofdstuk 11 hoort hij Jezus zeggen, dat Hij Lazarus uit de slaap zal opwekken. Dat betekende dat Jezus uit Galilea opnieuw naar Judea moest gaan, naar Bethanie. De discipelen zijn zich ervan bewust hoe gevaarlijk dat is. Het is dan Thomas die tegen de andere discipelen commentaar geeft op het voornemen van Jezus met de woorden: “Laten ook wij gaan om met Hem te sterven” (11:16). Vervolgens moet hij ook getuigen zijn geweest van de opwekking van Lazarus. Meer horen we niet over Thomas in dit evangelie. Maar nu, in dit gedeelte heeft hij een hoofdrol.

We doen Thomas niet te kort als we hem karakteriseren als de eeuwige pessimist. Er zit een zekere mate van fatalisme in Thomas. Maar we mogen hem ook zien als een moedig man die bereid is om met Jezus alle risico’s te nemen, en mee te reizen naar Judea ook al is hij ervan overtuigd dat dat avontuur op de dood moet uitlopen. Het is ook duidelijk dat hij een oprechte liefde voor de Heer heeft. Wanneer hij tegen Jezus zegt dat hij niet weet welke weg Jezus zal gaan, dan lijkt daar achter te zitten dat hij liever zou sterven met zijn Heer, dan Hem later te moeten zoeken. Vanuit het karakter en de opstelling van Thomas is het misschien begrijpelijk dat hij er niet bij is. In de eerste plaats omdat hij niet in dezelfde mate door de angst wordt beheerst als de overige discipelen. Misschien brengt zijn fatalisme hem ertoe om bij zichzelf te denken, dat wat gebeuren zal, ook maar gebeuren moet. Als hij het lot van Jezus zou moeten delen, zou hij dat op dit moment niet erg vinden. Wat hem betreft is het leven voorbij. Maar in de tweede plaats is het denkbaar, dat Thomas zich in de steek gelaten heeft gevoeld. Zijn Heer heeft hem niet alleen verlaten, maar ook zijn hoop en verwachting verraden. En om die reden is het begrijpelijk dat hij liever niet bij zijn vrienden aanwezig wil zijn. Nu alle hoop verloren is gegaan, en de Heer die hij zo lief had als een misdadiger is gekruisigd, heeft hij geen zin in een gezamenlijke rouw. Hij wil alleen zijn met zijn verdriet.

Toch keert Thomas terug. We horen niet waarom. Nieuwsgierigheid of het begin van berusting moet zich na enkele dagen van hem meester gemaakt hebben. De andere discipelen vertellen dan aan hem wat er gebeurd is. Maar ze zeggen het alleen maar als een persoonlijk getuigenis. “Wij hebben de Heere gezien.” Thomas neemt dat getuigenis niet onmiddellijk aan, en dat is de reden van zijn slechte reputatie in de kerkgeschiedenis. De bijnaam ongelovige Thomas – die nu soms bijna als een geuzennaam gebruikt wordt – is door de eeuwen heen aan Thomas toebedeeld. Maar laten we scherp kijken. De discipelen zeggen niet tegen Thomas dat de Heere aan hem verschenen is, en geven geen nauwkeurig verslag van wat er is gebeurd. Hun getuigenis is toegespitst op wat zij zelf hebben ervaren. Voor Thomas is dat alleen maar een persoonlijke bewering geweest. Allerlei vraagtekens kunnen hierbij geplaatst worden. Had Thomas niet kunnen denken – besef wel, dat hij ook niet op de hoogte is van het getuigenis van de vrouwen, en hier ook niet wordt vermeld dat hij op de hoogte is gebracht van de bevindingen van Petrus en Johannes bij het graf – dat de discipelen een visioen hadden gezien? Het ongeloof van Thomas is terecht. Alleen het persoonlijk getuigenis dat iemand die niet gelooft, heeft voor een sceptische geest als Thomas geen betekenis. Alleen het Woord van God en een redelijk onderzoek van alle gegevens kunnen iemand tot de rand van het geloof brengen – tot de rand, omdat uiteindelijk het geloof in de opstanding niet uitsluitend een rationele overtuiging is.

Thomas brengt nu nauwkeurig onder woorden wat er gebeuren moet, wil hij toch gaan geloven in de opstanding. De discipelen hebben hem hun ervaring voorgelegd. Die was voor Thomas niet voldoende. Maar als het dan toch langs de weg van de ervaring moet gaan, heeft Thomas nog een zwaardere voorwaarden. “Als ik in Zijn handen niet het litteken van de spijkers zie, en mijn vinger niet steek in het litteken van de spijkers, en mijn hand niet steek in Zijn zij, zal ik beslist niet geloven” (vers 25). Langs die weg kon Thomas zelf ervaren dat het werkelijk de Heere Jezus was, die lichamelijk was opgestaan. Is het ongeloof van Thomas hier groter dan dat van de discipelen? Ook zij zelf dachten eerst dat het een spookverschijning was, ook zij zelf moesten de littekens eerst gezien hebben om te kunnen geloven – zo heeft Lukas het ons voorgelegd. Thomas is niet meer ongelovig, maar meer verdrietig.

Het is prachtig te zien dat de Heere deze woorden van Thomas als het gebed heeft gehoord, dat Hij nu zou gaan beantwoorden. Acht dagen na de eerste verschijning, en dan mogen we aannemen op maandag, is Thomas beide andere discipelen aanwezig. Jezus verschijnt opnieuw en staat in hun midden en zegt opnieuw: “Vrede zij u!”. En meteen daarna spreekt Hij Thomas aan. “Kom hier met uw vinger en bekijk Mijn handen, en kom hier met uw hand en steekt die in Mijn zij; en wees niet ongelovig, maar gelovig” (vers 27). Zo komt de Heere aan Thomas tegemoet precies op het punt waar deze zwak is en hulp nodig heeft. Er is geen sprake van verwijt. Want het ongeloof van Thomas komt niet voort uit rebellie, maar is het gevolg van een verslagen liefde. Daarom geeft Jezus hem hier precies het bewijs, waar hij om gevraagd had. We lezen overigens niet dat Thomas het lichaam van Jezus heeft aangeraakt. De stem van Jezus en Zijn verschijning, samen met de zichtbare littekens, zijn voldoende geweest. Daarom zegt Jezus: “omdat u Mij gezien hebt, Thomas, hebt u geloofd” (vers 29; in het Grieks letterlijk: bent u tot geloof gekomen). Thomas gelooft nu in de opstanding van Jezus. Maar dat betekent ook dat hij Jezus nu pas werkelijk kent als wie Hij is.

De ongelovige Thomas is de eerste in de geschiedenis, die openlijk, als een belijdenis, uitspreekt wie Jezus is. Al vanaf de proloog was het duidelijk dat Jezus het vleesgeworden Woord is, dat bij God was en God is. En dat is precies wat Thomas nu zegt: “Mijn Heere en mijn God!” Deze belijdenis van Thomas gaat die van Petrus – u bent de Heilige van God – verre te boven. Thomas noemt Jezus de HEERE, dat wil zeggen hij gebruikt hier de godsnaam voor Hem. Het is de vervulling van een profetische woord van Jezus zelf: “Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, zult u inzien dat Ik (het) ben” (Joh. 8:28). Welnu, de Zoon des mensen is verhoogd aan het kruis, is opgestaan van de doden, en is zo bewezen te zijn de waarachtige Zoon van God, dat wil zeggen dat Hij een en dezelfde natuur als God heeft. Twee verschillende personen, met een en dezelfde natuur of – zoals de oude kerk het zei – substantie. En zo spreekt Thomas Hem hier ook aan: Heere en God, de HEERE die waarachtig God is. Bovendien noemt hij Hem “mijn” Heere en God. In zijn belijdenis brengt Thomas ook de persoonlijke relatie met Christus tot uitdrukking. Die twee kanten horen in de belijdenis aanwezig te zijn: de erkenning van het wezen van Christus maar ook de erkenning van het persoonlijk toebehoren aan die Heer. Dat is de bevrijding voor Thomas uit zijn eenzame fatalisme. Jezus heeft Thomas niet bestraffend toegesproken toen hij dit zei. Integendeel, Hij heeft hem zelfs geprezen voor deze belijdenis. Maar er zit wel een zekere aarzeling in de woorden van Jezus. Thomas moet begrijpen dat wat hij hier heeft ontvangen als een bijzondere bevestiging van de waarheid, niet aan allen zal worden gegeven. Daarom spreekt Jezus de volle zegen uit over degenen die geloven zonder gezien te hebben.

Thomas gelooft nu niet alleen maar in Jezus als de Messias, maar gelooft ook in Zijn opstanding, en daarmee gelooft hij volledig in Zijn godheid. Is het geloof en de godheid van Jezus noodzakelijk voor de verlossing? Jazeker. Zo heeft Jezus het zelf ook gezegd: “als u niet gelooft dat Ik (het) ben, zult u in uw zonden sterven” (8:24). De uitdrukking “Ik ben” is de godsnaam, zoals we al eerder gezien hebben. Maar je kunt dat de vraag stellen of het geloof in de opgestane Heer nu afhankelijk is van een bewijs in de ervaring. Na de Hemelvaart immers was de tijd aangebroken dat Jezus niet langer lichamelijk op deze aarde was. De plaats van de lichamelijke aanwezigheid van Jezus, die hier de voorwaarde was van het geloof van Thomas, wordt met Pinksteren ingenomen door de Plaatsvervanger, de Trooster. Daarom zegt Jezus hier: “zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben en (toch) zullen geloven” (vers 29).

Die zaligspreking van degenen die niet door de lichamelijke presentie van Jezus tot geloof zullen komen, correspondeert met het gebed van Jezus. “Ik bid niet alleen voor dezen” – de 11 discipelen – “maar ook voor hen die door hun woord in Mij zullen geloven” (17:20). De apostelen werden geroepen om de getuigen van Jezus te zijn (Hand.1:8), en dat betekende getuigen van Zijn opstanding (Hand. 1:22). Zij werden uitgezonden om dit evangelie aan alle volkeren te verkondigen. Een ieder te onderwijzen en ” te dopen in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb in acht te nemen” (Mat. 28:19). Door de prediking van de apostelen kon het evangelie worden gehoord, en toen het evangelie werd gehoord kon het ook worden gelooft, en wie het geloofde kon de Naam van de Here aanroepen om daardoor zalig te worden. (Vergelijk Rom. 10:9-17). Het getuigen van de opstanding zijn is dus niet hetzelfde als een ooggetuige zijn, al was dat een bijzonder kenmerk van de 11 discipelen. Uiteindelijk is het horen en geloven en aannemen van het evangelie gevolg van het Woord van God. Zoals Paulus zegt: “het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God” (Rom. 10:17). Het mondelinge evangelie van de apostelen werd het woord dat zij spraken in opdracht van God, een woord van mensen op het eerste gezicht, maar tevens het woord van God Zelf. Het gepredikte Woord van God werd door de gemeente van Thessaloniki aangenomen, “niet als een menselijk woord, maar (zoals het werkelijk is) als Gods Woord, dat ook werkzaam is in u die gelooft” (1 Thes. 2:13).

De belijdenis van Thomas is het slot van het verhalende gedeelte van dit evangelie. We vinden in hoofdstuk 21 nog een epiloog in drie delen, maar eigenlijk is dit de afsluiting. Johannes neemt nu nadrukkelijk zelf het woord. Jezus heeft nog veel andere tekenen gedaan, zegt hij, die niet beschreven zijn in dit evangelie. Het was niet de bedoeling om in dit ene boek alles op te nemen wat er in de drie jaren van de werkzaamheid van Jezus gebeurd is. De evangeliën zijn niet volledig in het vermelden van alle feiten. Maar het gaat ook niet om feiten of om geschiedenis alleen wat Jezus gedaan heeft was steeds een “teken”, dat wil zeggen een gebeurtenis in onze geschiedenis waarin de eeuwige macht en het karakter van de Schepper tot verschijnen komt. Met de term “teken” worden dat niet alleen de wonderen, maar eigenlijk alle daden en woorden van Jezus Christus bedoeld. En dan komt hij bij een omschrijving van het doel van dit evangelie, een doel waarnaar wij diverse malen in de loop van dit commentaar hebben verwezen. “Deze zijn beschreven” – deze tekenen – “opdat u gelooft dat Jezus de Christus is” – de koning van Israël, de Messias, over wie Mozes al geschreven had – “de Zoon van God” – het vleesgeworden Woord – “en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam” (vers 31). Geloven dat Jezus het vleesgeworden Woord is, dat wil zeggen God geopenbaard in het vlees (1:1, 14), dat Hij het Lam van God is dat de zonden van de wereld wegneemt (1:29).2 dat Hij de opstanding en het leven is (11:5). Wie dat alles gelooft voldoet aan de voorwaarden die het meest beroemde vers uit dit evangelie onder woorden brengt: “opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren zou gaan, maar eeuwig leven zou hebben (3:16)

Kon je deze post waarderen? Ondersteun dan Robbert Veen op Patreon!
PDF24    Send article as PDF   

Geef een reactie