Of we aan één godsbeeld genoeg hebben?–Q.1, art. 2

VRAAG 1 Wat is de eigen en passende aard van ons spreken over God?

Artikel 2

Of we aan één godsbeeld genoeg hebben?

Wij gaan aldus voort met betrekking tot het tweede artikel:

Tegenwerping 1. Het lijkt erop dat we tenminste twee verschillende (typen van) godsbeelden nodig hebben. Immers, “Je kan stellen dat er in de vrijzinnigheid twee godsbeelden overheersen: een immanent godsbeeld en een transcendent godsbeeld.” (T, p. 9) Daarom hebben we aan één godsbeeld niet genoeg om over God te spreken.

Tegenwerping 2. Het lijkt er bovendien op dat we over God juist moeten spreken in een veelheid van godsbeelden. Elk van beide typen godsbeelden kan op verschillende manier worden ingevuld. Zoals Tilleman zegt over het transcendente godsbeeld: “Onpersoonlijke voorstellingen van God kunnen veel verschillende vormen aannemen.” (T, p. 9) Datzelfde geldt echter voor het immanente godsbeeld: “Ook dit immanente godsbeeld kan verschillende vormen aannemen. We kunnen geloven dat in ons een kleine goddelijke vonk aanwezig is, maar we kunnen ook geloven dat de complete mens met zijn hele lichaam goddelijk is.” (T, p. 10) Daarom hebben we aan één godsbeeld niet genoeg om over God te spreken.

Tegenwerping 3. Voorts, omdat niemand het éne ware godsbeeld kan hebben, moeten we aan elk ervan dezelfde waarde toeschrijven. “Alle godsbeelden zijn in principe even goed, maar wij kiezen een godsbeeld dat bij ons past.” (T, p. 10) Daarom gebruiken we vele godsbeelden in ons spreken over God.

Tegenwerping 4. Het lijkt erop, dat zelfs degenen die geen enkel godsbeeld meer hebben, omdat zij niet langer in het bestaan van God geloven, toch in staat zijn te geloven. Een Christen kan heel goed iemand zijn die in de mens gelooft, zoals Tilleman zegt: “Iemand die niet gelooft in God kan nog steeds een christen zijn. Hij of zij gelooft dan in de mens. God speelt daarbij geen rol. Dan hoeven we niet over God te spreken, dan is de blik op onze medemens genoeg.” (T, p. 11) Daarom is het godsbeeld uiteindelijk niet eens noodzakelijk.

In tegendeel. Er staat geschreven: “Hij is het Beeld van de onzienlijke God, de Eerstgeborene van heel de schepping.”(Kol. 1:15) Jezus Christus is dus het noodzakelijke en voldoende en énige Beeld van God, dat wij nodig hebben om over God te spreken. En verder geldt het OT-ische woord ook voor ons in intellectuele zin: “U zult voor uzelf geen beeld maken…u zult zich daarvoor niet buigen.” (Deut. 5:8,9)

Ik antwoord dat, alle volkeren zich beelden hebben gemaakt van hun afgoden, en elk van hen heeft zich een god voorgesteld die paste bij hun eigen verlangens en begeerten. “Elk van hen maakte voor zichzelf een god, waarop zijn hart gericht was,” zegt Luther. En hij vervolgt: “Daarom maken de heidenen eigenlijk hun zelf bedachte waandenkbeeld en droombeeld tot een god, een afgod, en vertrouwen daarmee eigenlijk op het zuivere Niets.” (Grote Catechismus, commentaar bij eerste gebod.)

Het is wel waar dat vele mensen zich van God een beeld hebben gemaakt, maar daarmee negeren ze juist het enige waarachtige Beeld dat God van Zichzelf gemaakte heeft en aan ons te kennen heeft gegeven. God zelf bewoont een “ontoegankelijk licht”, zodat het even ondenkbaar is om van Hem een voorstelling te maken, als van het licht zelf, waarin die beelden juist zichtbaar kunnen zijn. “Niemand heeft ooit God gezien, “ verklaart Johannes in zijn evangelie, “de eniggeboren God die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem ons verklaard.”(Joh. 1:18) Zo kennen wij dan alleen in Jezus Christus als een levend beeld van God, wie God zelf is in Zijn innerlijk karakter en Zijn naar ons toegekeerde eigenschappen, zoals liefde, gerechtigheid, genade, heiligheid en barmhartigheid.

De vraag van de discipelen naar een ‘godsbeeld’ – “laat ons de Vader zien en het is ons genoeg” – wordt daarom door Jezus ook beantwoord met een duidelijke verwijzing naar zichzelf: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.” (Joh. 14:8, 9) Daarom hebben wij aan één godsbeeld genoeg, namelijk aan Jezus Christus, die het evenbeeld is van de Vader.

Antwoord  op 1. Het “transcendente” en het “immanente” godsbeeld moeten niet uit elkaar worden getrokken. Het zijn termen die kunnen dienen om te omschrijven, wat het ware Beeld van God is. Immers, enerzijds is Christus boven en buiten ons, en zien wij in Hem God de Vader, zoals hierboven betoogd. Maar anderzijds woont Christus in onze harten door de heilige Geest die ons geschonken is, en is Hij dichter bij ons, dan wij zelf bij onszelf kunnen zijn, zoals Augustinus zegt. Dat betekent echter niet, dat wij onze eigen voorkeuren daarin kunnen en mogen volgen, maar wij moeten leren zien dat onze godsbeelden inderdaad voortkomen uit ons gevoel en om die reden alleen al oneindig tekort schieten tegenover het ware Beeld van God in Christus Jezus.

Antwoord op 2. Omdat wij eigenlijk maar één beeld van God kunnen hebben, zoals hierboven gedemonstreerd, is het eveneens ondenkbaar aan de vele verschillende invullingen van het godsbeeld waarde te schenken. In elke religie zal een of ander godsbeeld en soms velen die met elkaar in strijd zijn, worden gehanteerd. Dat is ook de wezenlijke vorm van het polytheïsme. Wij staan echter onder Gods gebod, geen enkele voorstelling van God te maken, behalve het Woord dat God van zichzelf spreekt.

Antwoord op 3. Alle godsbeelden zijn inderdaad aan elkaar gelijk in de zin, dat zij alle uitdrukkingen zijn van menselijke verlangens en gedachten en om die reden alle het ware Beeld van God verloochenen en negeren. Alle religies laten toe, dat men een bepaalde, eigen voorstelling van het goddelijke maakt. Maar religie is naar een woord van Karl Barth “de aangelegenheid van de goddeloze mens bij uitstek.” Daarom moeten al onze godsbeelden en religieuze voorstellingen worden geoordeeld onder Gods Woord.

Antwoord op 4. Het woord “geloven” kan worden gebruikt om aan te duiden, dat een mens zich geheel en al aan iets overgeeft waarvan hij troost en de bevrediging van zijn diepste verlangens verwacht. Of dat geloof nu gericht is op een afgod, of op het Niets zelf, of op de mens is gericht, in alle gevallen is het een fantasie over het hoogste die zo iemand volgt. Het woord “gelovige” heeft dan bijna geen enkele betekenis meer, omdat van alle mensen kan worden gezegd dat zij op een of andere manier ook “geloven”. De naam christen kan echter alleen gegeven worden aan iemand die navolger van Jezus Christus is, en Hem erkent als Heer en Heiland, kortom aan iemand die van “de Weg” is. Een ander gebruik van dat woord, berust op een onhelder denken. Wie God loochent en Christus niet erkent als het vleesgeworden Woord, is hooguit een humanist, die christelijke taal gebruikt om zijn ware positie te maskeren.

Kon je deze post waarderen? Ondersteun dan Robbert Veen op Patreon!
en.pdf24.org    Send article as PDF   

Geef een reactie