Over de preek van Augustinus over Johannes 1:1 – eerste deel

1

De inleiding op de preek heeft vooral benadrukt dat de Bijbelse teksten afkomstig zijn van “bergen”, van mensen die op de hoogte staan “vanwaar mij dag en nacht mijn hulp en bijstand wacht.” Wat zij op die hoogte ontvangen hebben, geven ze aan ons door. Wij ontvangen de openbaring van God door hun spreken. Maar dat kan alleen als we “geestelijke” mensen zijn, want de natuurlijke mens neemt niet aan wat van God is. Er zijn natuurlijke en geestelijke mensen, en er zijn gewone mensen en “bergen” van mensen. Zo heeft Augustinus de grondslag gelegd voor wat hij nu zal gaan doen, namelijk woord voor woord uitleggen wat zijn tekst ons te zeggen heeft. “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.” Wat betekent dit nu? De strategie van onze prediker is meteen duidelijk: eerst moet worden getoond wat de natuurlijke mens onder deze woorden zou verstaan. En vervolgens wat de ware en geestelijke betekenis is. De tekst wordt uitgelegd in het kader van een strijd tussen misverstand en begrip, tussen de natuurlijke opvatting en het geestelijk inzicht. 

Par. 8 begint dan ook met de vraag om wat voor “Woord” het hier gaat. Wat moeten we hieronder verstaan? De normale betekenis – de natuurlijke – is de vluchtige klank van het gesproken woord dat komt en weer verdwijnt. Vervolgens leggen we deze natuurlijke betekenis in de tekst en dan zien we dat er iets absurds ontstaat.  Is Gods Woord dan iets dat Hij gesproken heeft en dat weer vergaan is? Maar dan is het moeilijk voorstelbaar dat een vluchtig woord alle dingen heeft voortgebracht – zo lezen we immers verder: “alle dingen zijn door het [woord] geworden, en zonder het Woord is niets geworden dat geworden is.” Als het Woord boven alles uitgaat dat bestaat, en de oorzaak is van alle dingen, hoe kan het dan vluchtig zijn, zoals de woorden die wij spreken? 

Als de hoorder nu goed begrepen heeft hoe de natuurlijke betekenis van de tekst of hier van een woord uit de tekst zal leiden tot een onvoorstelbare of zinloze uitdrukking, dan wordt daarmee de weg geopend naar een dieper verstaan. Maar dat is de methode: we voeren de natuurlijke betekenis op, tonen dan aan dat ons vasthouden aan die betekenis tot een absurditeit leidt. En dat motiveert tot de derde en beslissende stap, namelijk de uitleg van de ware of geestelijke betekenis. 

2

Zijn alle woorden die we spreken echter vluchtige klanken? – vervolgt Augustinus. Door ons dagelijkse spreken worden woorden voor ons verachtelijk, onaanzienlijk. Dan is helemaal niet in te zien dat het Woord zo’n hoog verheven zaak is. Waarom verwijst Augustinus echter naar de platte, dagelijkse betekenis van het woord “woord”? Ik denk dat de moeite die Augustinus hier doet om vanuit de natuurlijke betekenis van het “woord” naar het geestelijke toe te werken, er mee te maken heeft, dat zijn hoorders en hijzelf het latijnse woord “verbum” in hun bijbel zagen staan. Dit is het vers in de Vulgaat: “in principio erat Verbum et Verbum erat apud Deum et Deus erat Verbum.” Het woord “verbum” moet hier een vertaling zijn van het Griekse λογος, maar werkt dat? Het latijnse woord verbum is namelijk vergelijkbaar met het Griekse woord ῤῆμα (rhèma) en betekent simpelweg het gesproken of geschreven woord. Deze klanken dus die ik uitspreek en deze letters op papier of op het beeldscherm. Dat is wat ῤῆμα bedoelt te zeggen, en dat zeg je in het Latijn met verbum. Logos betekent echter niet alleen woord, maar ook betekenis, ratio of reden, de uitleg van de reden van bestaan van een zaak. In de filosofie vanaf de tijd van Herakleitos kreeg het nog andere betekenissen, zoals wereldziel, structuur van het heelal, of de innerlijke logische orde van de wereld . Om die reden kon het woord ook zo’n hoog verheven klank krijgen als vertaling van het ‘woord van de HEERE’ zoals in Ezechiel 1:3 LXX bij voorbeeld: και εγενετο λογος κυριου (en het woord van de HEERE geschiedde/kwam). Als vertaling dus van het Hebreeuwse הדבר (ha-davar).  Het woord “verbum” in het latijn kon deze omvang van betekenis en deze kracht van uitdrukking op geen enkele manier evenaren. Juist de ‘geestelijke’ betekenis van logos ging daarom verloren en de betekenis van de uitdrukking in Johannes 1:1 moest daarom op een andere manier worden duidelijk gemaakt. 

Augustinus moest uitwijken naar een andere optie, en dat is een stukje taaltheorie: het verschil tussen het woord als iets dat geluid maakt en weer verdwijnt en datgene waar het woord naar verwijst. Het woord als zintuiglijk waargenomen realiteit en het woord zoals het geestelijk wordt opgevat en betekenis draagt door te verwijzen naar de wereld. Hij geeft meteen daarna een voorbeeld van een woord dat een beeld van de realiteit in het innerlijk van een mens oproept. “Er is een woord in de mens dat in hem blijft; want het geluid gaat uit de mond. Er is een woord dat wordt uitgesproken op een geestelijke wijze, dat namelijk wat je begrijpt met het geluid en niet het geluid zelf.” En dat woord is “God”. Het woord is eindig als geschreven woord: vier letters en twee lettergrepen in het latijnse woord De-us. (Spreek uit: dée’oes.) Het is maar een vluchtige klank: “God”of “Deus”, maar datgene waarnaar het verwijst in het geheel niet! Waarnaar het verwijst is eeuwig, datgene wat verwees, de klank en de letters, verdwijnt en is vluchtig. We moeten dus vragen wat het woord “Woord” betekent, door te vragen naar datgene waar het naar verwijst. 

3

Wat het woord “Woord” wil aanduiden gaat elk menselijk woord te boven. Oorzaak van alle dingen – engelen, tronen, machten, overheden – goddelijk, bestaande vanaf de eeuwigheid. Alleen door daaraan te denken kun je de alledaagse en natuurlijke betekenis van het woord “woord”, d.w.z. “verbum” overstijgen. 

Theologisch gezien staat er natuurlijk nog veel meer op het spel. De natuurlijke betekenis van “verbum” als mensenwoord kan iemand ertoe brengen om te denken, dat het Woord door God geschapen moet zijn. Iets in de trant van: “in het begin schiep God het woord.” Er is geen enkel probleem om dat in het Grieks te zeggen:  εν αρχη εποιησεν ο θεος τον λογον – In het begin maakte God het woord. Arius zou dat prachtig gevonden hebben, omdat hij de Zoon van God zag als een geschapen wezen. Zo staat het er niet. Als we “God” zeggen hebben we een ongeschapen wezen in gedachten, een onveranderlijk en eeuwig wezen. En we lezen dat het Woord God was vanaf de eeuwigheid. Zo wordt het duidelijk, concludeert Augustinus paragraaf 10, dat het niet om de natuurlijke of alledaagse betekenis van het woord “Woord” gaat, maar om de geestelijke betekenis die door de tekst van het evangelie juist wordt vastgesteld. 

Dit blijft een woorden-spel, als we niet meteen doen wat Augustinus doet in paragraaf 12. De tekst van het evangelie zegt dat alle dingen door het Woord geworden zijn. Wel, zegt Augustinus, dat betekent ook dat jij, hoorder, door het Woord bent gemaakt. Zonder inleiding neemt Augustinus hier ook een andere gedachte op in zijn uitleg, en dat is deze: “het is nodig dat jij door het Woord opnieuw gemaakt wordt.” De hoorder was hier zeker niet op voorbereid en het volgt niet uit de vaststelling dat we door het Woord zijn gemaakt. Sterker nog, Augustinus introduceert hier een parafrase van het evangelie: “Hoewel de schepping door het Woord jou is overkomen, zodat je door het Woord gemaakt bent, zo ben je ongedaan gemaakt door jezelf; als je jezelf ongedaan hebt gemaakt, laat het Woord je dan opnieuw maken. Maar hoe kan het Woord je opnieuw maken, als je een verkeerde opvatting hebt van het Woord?”

De tekst van het evangelie geeft niet direct een aanwijzing voor deze gedachte. Is het denkbaar dat Augustinus hier op de achtergrond andere teksten liet meespelen? Teksten misschien waar zijn hoorders wel degelijk mee vertrouwd waren? Een sleuteltekst zou kunnen zijn wat we lezen in 1 Pe. 1:23: “renati non ex semine corruptibili sed incorruptibili per verbum Dei vivi et permanentis”, d.w.z. “wedergeboren, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.” Merk dan wel op, dat de wedergeboorte in dit verband wordt opgevat als een verandering van inzicht – de waarheid kennen omtrent het Woord. Het betekent nadrukkelijk dat wie de Zoon van God aanziet voor een geschapen wezen, niet wedergeboren kan zijn! 

4

“Alle dingen zijn door het Woord gemaakt.” Waarom staat er nu ook nog bij: en zonder het [Woord] is niets gemaakt dat gemaakt is? Is dat niet dubbel op? Met die vraag begint een van de meest opmerkelijk passages in deze preek, in mijn ogen althans. Achter de passage zit een strijd met het Manicheisme, dat alle kwade dingen in de wereld toeschreef aan een kwaadaardige god. Een twee-godenleer leek aan te sluiten bij de menselijke ervaring in de wereld, dat alles ofwel goed of slecht is; nuttig of schadelijk. Hoe kan echter zowel het goede als het slechte uit dezelfde bron voortkomen? 

Augustinus vertelt het volgende verhaal: Er was eens een man die door vliegen geplaagd werd. Een Manicheër kwam voorbij en de man zei tegen hem dat hij die vliegen haatte en er veel last van had. Daarop vroeg de Manicheër hem meteen: “Wie heeft ze geschapen?” Omdat hij zoveel last van die beesten had, durfde de man niet te zeggen dat God ze gemaakt had, hoewel hij een overtuigd Christen was. Meteen zei de Manicheër: “Als God ze niet gemaakt heeft, wie dan wel?” “Ik geloof echt, dat de duivel ze gemaakt heeft,” zei de Christen. Meteen ging de Manicheër verder: “Ik zie dat je deze dingen goed begrijpt. Als de duivel dan de vlieg heeft gemaakt, wie heeft dan de bij gemaakt die een klein beetje groter is?” De Christen durfde niet te zeggen dat God de bij had gemaakt, want van bijen kon je ook flink last hebben en dus was het net zoiets als met die vliegen. De Manicheër vroeg hem daarna over de sprinkhaan, en van de sprinkhaan kwam hij op de reptielen, van de reptielen op de vogels, van de vogels op de schapen, van de schapen op de koeien, van de koeien op de olifant en tenslotte kwam hij uit bij de mens. Zo wist de Manicheër een mens ervan te overtuigen dat God de mens niet geschapen heeft. “En de mens die dat denkt, is zelf eigenlijk een vlieg, want de duivel is de Heer van de vliegen.” 

God heeft werkelijk alle dingen, dus ook de schadelijke en boosaardige dingen gemaakt, wil Augustinus onderstrepen. En wie dat loochent om een puur positief godsbeeld op te richten, om de schepping te verdelen tussen een goede en een kwade God, verliest uiteindelijk uit het oog dat ook hijzelf een schepsel van God is net als alle anderen dingen. Trots en hoogmoed zijn het gevolg. We kunnen veel lijden moeten ondergaan vanwege een schepsel van God. Maar de straf die wij in dit leven ondergaan, is niet de schuld van de schepper, maar is te wijten aan onze zonde. Het lijden is niet aan een kwade God te wijten, maar aan onszelf – omdat alle dingen door het Woord geschapen zijn. Voor Augustinus is de gedachte dat God alle dingen geschapen heeft – en dus de weerlegging van het Manicheïsme – van wezenlijk belang omdat we anders niet zullen erkennen dat wij zelf schepselen zijn. Omdat we anders trots en hoogmoedig kunnen worden. Omdat we anders de kwade dingen in het leven niet kunnen begrijpen als een kastijding van God voor onze zonden. 

(wordt vervolgd met de bespreking van par. 16) 

Series Navigation<< De waardigheid van de mens in Psalm 8
Kon je deze post waarderen? Ondersteun dan Robbert Veen op Patreon!
www.pdf24.org    Send article as PDF   

Geef een reactie