De geboorte van Jezus – Bijbelbespreking over Lukas 2:1-6

This entry is part 1 of 20 in the series Bijbelbespreking

IJMUIDEN, 21 december 2016

Op de Bijbelbespreking van woensdag 21 december hebben wij gesproken over Lukas 2:1-6. Het ging daarbij om een aantal problemen die mensen hebben gezien in de tekst rond de datering (was Quirinius toen wel gouverneur?), de inschrijving (was die wel voor “gehele rijk”? en: moest men zich inschrijven in de plaats van herkomst? en dergelijke. Is Jezus trouwens geboren in december? Of eerder in maart, in de tijd vóór Pasen?
Het was een kleine kring, maar toch zeer de moeite waard. Hieronder een aantal fragmenten van deze bespreking.

Bijbelbespreking: waarom de kinderdoop?

This entry is part 2 of 20 in the series Bijbelbespreking

Een levendige discussie op de bijbelbespreking van woensdag 4 januari 2017. Waarom de kinderdoop? Zondag 25 van de Catechismus maakt immers duidelijk dat de rechtvaardiging berust op een levendmakend geloof, dat een gave is van de Heilige Geest. Het sacrament van de doop is daarvan het zichtbare teken – namelijk van de toezegging van God om vergeving van zonden te schenken.
Wie deze toezegging en belofte benadrukt komt dan ook uit bij vraag 74: Zal men ook jonge kinderen dopen? Het antwoord is dan JA, omdat deze toezegging ook jonge kinderen geldt. Wie echter benadrukt dat de persoonlijke geloofsbeslissing de conditie is van de doop, zal alleen de volwassendoop overwegen. De vraag is, of we vanuit onze Calvinistische traditie daarin kunnen meegaan – om dus alleen de volwassendoop te accepteren – omdat daarin de eigen werkzaamheid van de mens tezeer wordt benadrukt en de overmacht van God in bekering en geloof uit het zicht raakt.

Het leven van Sara (1)

This entry is part 3 of 20 in the series Bijbelbespreking

Het leven van Sara (1)

 

Verslag van de bijbelbespreking van maandag 30 januari 2017

 

Robbert Veen © 2017

De schrijver van de brief aan de Hebreeën geeft een prachtig getuigenis over Sara. Zo lezen we in hoofdstuk 11:11, “Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht ontvangen om zwanger te worden en een kind te baren, ondanks haar hoge ouderdom, omdat zij Hem getrouw heeft geacht Die het beloofd had.” De geschiedenis van Sara draait dus om deze zwangerschap op hoge leeftijd, en om haar geloof in de trouw van God en Zijn belofte.

 

Wie was Sarai?

We komen Sara voor het eerst tegen in Genesis 11, waar ze nog Sarai heet. In vers 29 lezen we eenvoudig, “de naam van Abram’s vrouw was Sarai.” Namen in de bijbel zeggen ons veel over het karakter en het leven van de personen. Een van de belangrijkste naamswijzigingen is de verandering Jacob (bedrieger) tot Israël (hij die met God gevochten heeft). En steeds werkt het zo: de eerste naam zegt iets over het karakter van de persoon of de hoop die de ouders hebben gekoesterd; de tweede naam zegt iets over de belofte van God in iemands leven. Beloften van God doen iets in ons leven en vormen ons karakter. Jacob wordt gevormd door de ervaringen in zijn leven zodat zijn nieuwe naam naar de belofte van God verwijst maar ook een aanduiding is van een verandering in zijn karakter.

Zo werkt het ook bij Abraham en Sara. Abram is de naam die Terach gegeven heeft aan zijn oudste zoon. Daarbij heeft hij aan zichzelf gedacht, en wilde dat zijn karakter zou overgaan in zijn zoon. Abram (Av = vader; ram = sterk) betekent dus sterke vader. Maar een zoon die in de voetsporen treedt van zijn vader, die zo graag een sterke en roemrijke vader wilde zijn, kan door God niet worden gebruikt. Daarom lezen we in Genesis 17:5, dat God Zelf een andere weg inslaat: “U zult niet meer Abram heten, maar uw naam zal Abraham zijn, (Av = vader; raham = menigte dus:) want Ik zal u vader van een menigte van volken maken.” Dan gaat het nu om Gods belofte van een nageslacht voor Abraham, en niet over de fantasieën van Terach over zijn zoon. Maar dan zien we ook het karakter van Abraham wordt gevormd door de vele ervaringen in zijn leven.

Datzelfde gebeurt met Sarai (sara=prinses; ie = mijn, dus: mijn prinsesje). Eerst is zij het lievelingetje van haar vader, en krijgt ze een koosnaampje dat door haar man wordt overgenomen. Abraham is trouwens negen jaar ouder dan zijn vrouw. Maar wanneer Gods aankondigt dat zij aan Abraham een kind zal baren, verandert ook haar naam: “Verder zei God tegen Abraham: U moet uw vrouw Sarai niet meer Sarai noemen, maar haar naam zal Sara zijn.” Het koosnaampje wordt tot een echte naam. Zij is nu de Prinses uit wie “koningen van volkeren” zullen voortkomen. Daar moet Abraham nogal om lachen, omdat Sara intussen 90 jaar oud is (Gen. 17:17).

Verder was Sara een halfzuster van Abraham. Zij hadden dezelfde vader, namelijk Terach, maar een andere moeder. Dat zegt Abraham dan ook tegen de koning van Gerar, Abimelech, in Genesis 20: “zij is ook echt mijn zuster. Zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder, en zij is mij tot vrouw geworden (vers 12). Een huwelijk met een halfzuster was in deze tijd blijkbaar nog mogelijk.

Tenslotte horen we in deze geschiedenis steeds weer dat Sarai – dus voordat ze 90 jaar is en Sara gaat heten – een mooie vrouw geweest moest zijn. Abraham zegt het tegen haar als ze naar Egypte trekken: “Zie toch, ik weet dat je een vrouw bent die knap is om te zien” (12:11). De Egyptenaren die haar zien, leggen er nog een schepje bovenop: “en het gebeurde… dat de Egyptenaren de vrouw zagen dat ze bijzonder knap was” (vers 14).

Sarai is dus de halfzuster van Abram, en ze is bijzonder knap en het lievelingetje eerst van haar vader en dan van haar man die negen jaar ouder is.

 

De belofte van het nageslacht

In het leven van Sara draait alles de om de vraag hoe God de belofte van nageslacht zal waar maken. Al meteen in Genesis 11 lezen we: “Sarai nu was onvruchtbaar; zij had geen kind” (vers 30). Toch heeft God een belofte gegeven van nageslacht. Al meteen in hoofdstuk 12: “Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken et cetera. Daarom kan Abram  niet anders dan klagen tegen God wanneer vele jaren later Sarai nog steeds kinderloos is. In Genesis 15 spreekt God tegen Abram : “Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot” (vers 1). Abram antwoord op een nogal verstorende toon: “Heere Heere, wat zult U mij dan geven, aangezien hij kinderloos heenga?” – “Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen nageslacht gegeven” (vers ). En dan spreekt God opnieuw een belofte uit namelijk: “iemand die uit uw eigen lichaam voortkomt, die zal uw erfgenaam zijn” (15:4).

 

Op dat moment zegt God nogniet, dat de moeder van dat kind Sarai zal zijn. Nu heeft Abram deze woorden ongetwijfeld aan zijn vrouw doorgegeven. Hoe heeft zij die woorden begrepen? En daarmee stappen we hoofdstuk 16 binnen. Daar zullen we wat nauwkeuriger naar kijken.

Net voordat hoofdstuk 16 begint, hebben we opnieuw kunnen lezen over de belofte van God aan Abraham en over het verbond dat Hij met hen gesloten heeft. Nu is het de belofte van het land: “Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven.” Een wonderlijke belofte omdat in de eerste plaats het land gevuld is met 10 verschillende volkeren, en in de tweede plaats omdat Sarai nog steeds onvruchtbaar is. Maar nu zien we een bijzonder karaktertrekje van Sarai naar voren komen. Zij heeft heel lang geduld gehad en ongetwijfeld gehoopt dat de Heere haar spoedig een kind zou schenken. Abram zal er ook steeds op hebben aangedrongen om rustig af te wachten. Zijn vertrouwen in God was nog steeds heel groot, zoals we ook lezen in hoofdstuk 15:6 na de herhaling van de belofte van een nakomeling, “En hij geloofde in de Heere, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.”

Bij zijn vrouw is echter het geduld op. Sarai neem nu het initiatief. In de eerste plaats doet zij een uitspraak waaruit blijkt dat zij er geen vertrouwen meer in heeft: “Zie toch, de Heere heeft mijn baarmoeder gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen.” Tussen haakjes, in de bijbel beschikt God over drie sleutels: de sleutel van het dodenrijk, de sleutel van de hemel – Hij beschikt over de regen – en de sleutel van de baarmoeder. Met deze uitspraak sluit Sarai de tijd van het geloof in Gods belofte eigenlijk af. Maar nu had de Heere ook alleen maar gezegd tegen Abram dat hij een nakomeling zou krijgen. Over Sarai was toen niet gesproken. Hier zien we dus hoe Sarai die woorden geïnterpreteerd heeft. Niet als een aanwijzing om nog langer geduld te hebben, maar als een aanwijzing om zelf een andere weg te bedenken.

Sarai kan nu gebruik gaan maken van de instituties van het huwelijk die in deze tijd van kracht waren. Een man, en zeker een stamvader zoals Abraham, heerste over een groep mensen met verschillende status. Hij zelf en zijn eerste vrouw stonden bovenaan, dan waren er de bijvrouwen en hun slavinnen; dan ook de slaven en de vrijwillige knechten die zich soms ook met hun gezinnen bij de stamoudste hadden aangesloten. Een dergelijke groep nomaden beschikte dan ook nog over kudden kamelen, ezels, schapen en soms ook runderen. Daarmee trokken ze van weideplaats naar weideplaats.

In Egypte was er een levendige handel in slaven, waarbij je niet moet denken aan de Amerikaanse negerslaaf. De slaven stonden weliswaar onder gezag, maar werden niet geketend en werden goed behandeld. Wanneer ze getrouwd waren en zelf een gezin hadden, mochten ze vaak met een deel van de kudde vertrekken en dan waren ze geheel en al vrij. Het polygame huwelijk van Abraham – die uiteindelijk meerdere vrouwen zou hebben – was in die tijd ook een vorm van bescherming. De vrouw stond eerst onder de hoede van haar vader, en daarna onder de hoede van een man. Dat betekende lang niet altijd dat er ook een seksuele relatie bij te pas kwam.

Tussen haakjes, hoeveel zonen had Abraham? Ik heb lange tijd gedacht dat dat liedje, over vader Abraham met de zeven zonen, niet klopte met de bijbel. Tot ik las in Genesis 25, dat Abraham nog weer getrouwd was met een vrouw die Ketura heette, dat was het tweede huwelijk van Abraham. En dan in het tweede vers vinden we zes kinderen: Zimra, Joksan, Medan, Midian, Jisbak zijn dan de vijf zonen, en Suah is dan de dochter. Izaak en Ishmaël erbij opgeteld en dan kom je op zeven. Overigens zegt vers 6 van datzelfde hoofdstuk, dat Abraham ook nog andere bijvrouwen had die hij wegstuurde met geschenken. Uiteindelijk weten we dus niet precies hoeveel kinderen en hoeveel (bij)vrouwen Abraham gehad heeft.

Sarai nu heeft een Egyptische slavin. We lezen in hoofdstuk 12:16 dat hij deze cadeau heeft gekregen van de Farao: “Omwille van haar deed hij goed aan Abram, zodat hij kleinvee, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen kreeg.” Een van deze slavinnen was Hagar. De uitdrukking “zij had een Egyptische slavin” suggereert dat deze slavin de persoonlijke zorg voor Sarai als taak had. In vers 2 spreekt Sarai ook van “mijn slavin.” Sarai wil nu deze slavin de status van bijvrouw geven. Als Hagar daarmee zou instemmen betekende dat voor haar een grote verhoging van status, en een blijvende plaats in het gezin van Abram. Maar het betekende ook dat een eventueel kind van haar en Abram zou gelden als een kind van de hoofdvrouw, dus een kind van Sarai zou zijn. Wanneer Hagar bij deze gemeenschap zou blijven, zou ze echter in volle zin ook de moeder van haar kind kunnen zijn. Dat kind had dan twee moeders.

Dat is de achtergrond van het verzoek van Sarai aan haar man. “Kom toch bij mijn slavin; misschien zal ik uit haar nageslacht krijgen.” Hiermee zegt ze nog alleen maar, dat Abram bij een slavin een kind kan verwekken. Dat zou echter betekenen dat de zoon of dochter die dan geboren wordt, zelf ook een slaaf of slavin is. Misschien heeft Sarai dat zelf overwogen en is dat de reden van wat we lezen aan het einde van vers 3. Daar lezen we immers dat Sarai haar slavin – opnieuw “haar” wat een bijzondere plaats suggereert – aan haar man geeft, als vrouw voor hem. Zij geeft haar dus niet als slavin, maar als vrouw, zodat Hagar de status van een bijvrouw krijgt. Vandaar ook de uitdrukking in vers 4, dat Abram “kwam bij Hagar”, wat alleen maar voorstelbaar is als Hagar een eigen tent heeft, waarop zij als vrouw nu recht heeft gekregen. (Ik denk dat je Genesis 18:6 dus zo moet begrijpen, dat Abraham naar de tent van Sara holt. En dat hij in vers één van hoofdstuk 18 dus bij de ingang van zijn eigen tent zit.)

Hoe zit het nu met Abram? We vinden dan dat mooie zinnetje aan het einde van vers 2. “En Abram luisterde naar de stem van Sarai.” De sterke vader luistert naar de stem van het prinsesje. Waarom staat er nu niet dat hij luisterde naar de woorden van zijn vrouw? Of gewoon eenvoudig, dat hij luisterde naar Sarai? Een lezer van Genesis heeft intussen begrepen, dat de uitdrukking “luisteren naar de stem”, en “luisteren naar de woorden” niet helemaal hetzelfde betekenen.

Waar kwamen we deze uitdrukking toch eerder tegen? In de eerste plaats lezen we die uitdrukking bij Adam en Eva. In Genesis 3:8 staat te lezen: “En zij hoorden de stem van de Here God… Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich…” Hier hebben Adam en Eva dus geen woorden verstaan, maar een stem gehoord. Die stem betekende de presentie van de Heere, ook zonder dat Zijn woorden begrepen konden worden. Het was genoeg voor Adam en zijn vrouw om zich te verbergen. Maar dan lezen we diezelfde uitdrukking ook in de woorden van God tegen Adam in vers 17 van dat hoofdstuk. “En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw et cetera.” Adam en Eva horen de stem van God zonder woorden te verstaan; Adam luistert naar de stem van zijn vrouw, dat wil zeggen hij is zich vooral bewust geweest van degene die spreekt, en wat zij voor hem betekent. De spreker is belangrijker dan de woorden, wanneer we luisteren naar de stem.

Abram heeft zich in Genesis 16 niet goed afgevraagd wat de gevolgen zouden zijn van de wens van Sarai. Hij heeft die woorden niet overwogen en zijn verantwoordelijkheid niet genomen. Evenmin als Adam. Hij had moeten zeggen dat het nodig was om geduld te oefenen. Hij had haar nog eens moeten vertellen over de sluiting van het verbond – beschreven in hoofdstuk 15 – en hij had moeten proberen om zijn eigen krachtige vertrouwen op zijn vrouw over te brengen. Zodat ook zij kon geloven in de Heere, zodat de Heere God ook haar dat tot gerechtigheid kon rekenen. Maar Abram kan blijkbaar niet tegen haar op. Hij is zijn leven lang gewend om zijn prinsesje alles te gunnen wat maar mogelijk is, en wellicht voelt hij zich nog schuldig over die moeizame episode in Egypte hoe het ook zij, hij luistert naar de stem. Dat wil zeggen hij luistert naar het dringende pleidooi, en de stevige zekerheid waarmee Sarai haar verzoek heeft ingekleed. Haar woorden zijn: kom toch. Dat is een verzoek, met het beleefde woordje “toch” erbij. Maar Abram let op de klank van haar stem, de toon van haar verzoek en op de lichaamstaal van haar gelaat. Hij weet dat hij geen keuze heeft dan zijn vrouw te gehoorzamen. (Tenzij hij in een felle strijd gewikkeld wil zijn.)

 

De gevolgen van de keuze van Sarai

Hagar wordt zwanger. En nu ziet de bijvrouw van Abram haar status nog verder stijgen. Als bijvrouw staat ze lager dan Sarai; maar als de moeder van de kinderen van Abram staat ze hoger dan de onvruchtbare hoofdvrouw. De uitdrukking “verachtelijk” betekent dat Hagar nu minachting voelt voor haar “meesteres” in plaats van respect, en dat blijkbaar ook toont. Het is Sarai in ieder geval niet ontgaan.

Sarai vertoont nu een heftige reactie. In de eerste plaats legt ze de verantwoordelijkheid van dit alles bij Abram. “Het onrecht aan mij (ligt) bij jou.” Zij is blijkbaar van mening dat Abram Hagar niet als slavin heeft behandeld, en teveel als bijvrouw heeft gezien. Maar is dit de schuld van Abram wel?  In de woorden van Sarai legt zij opnieuw de nadruk op de oorspronkelijke status van Hagar. “Ik heb jou zelf mijn slavin in je schoot gegeven” (vers 5). Ik heb gegeven – en uitsluitend in je schoot, dus om nageslacht te verwekken – en het is mijn slavin. Maar dat is geen correcte weergave van de feiten. In de eerste plaats, heeft ze inderdaad gegeven, maar als bijvrouw. Dat wil zeggen dat de verantwoordelijkheid voor Hagar nu geheel en al bij Abram berust. Tussen haar en Abram was nu een andere relatie ontstaan. Hagar is niet langer een slavin waarover Sarai kan beschikken en dat is ze ook voor Abram niet. In de tweede plaats is het wel het motief van Sarai geweest, om “uit haar nageslacht te krijgen”, maar dat bepaalt niet de status van Hagar. Sarai had daarbij een zelfzuchtig doel, namelijk te verhinderen dat de erfgenaam als een kind van een slavin kon worden gezien. Zij kan dus niet volhouden dat ze Hagar alleen maar “in de schoot van Abram” heeft gegeven. De derde fout is dus simpelweg deze, dat zij Hagar nog steeds als slavin wil zien en behandelen.

Opnieuw luistert Abram niet zozeer naar de woorden, maar naar de stem van Sarai. Hij begrijpt heel goed hoe zwaar de vernedering voor Sarai geldt, en de felle uitspraak aan het eind van vers 5 laat hem blijkbaar niet onberoerd. “Laat de Heere oordelen tussen mij en jou.” De vernedering van de slavin wordt gezien als de zonde van Abram tegen zijn vrouw. Abram volgt nu opnieuw de manier van denken van Sarai. “Zie, jouw slavin (!), is in jouw macht.” Hij had moeten zeggen: “zie, zij is mijn bijvrouw en dus in mijn macht.” Vervolgens zegt hij: “Doe met haar wat goed is in jouw ogen.” Hij had moeten zeggen: “ik zal met haar spreken om dit recht te zetten.” In ieder geval had hij moeten doen wat goed was in zijn ogen. En dan de oplossing van Sarai: “Toen vernederde Sarai haar, zodat zij bij haar wegvluchtte.” Zij neemt wraak. Dat wil zeggen, Hagar wordt opnieuw behandeld als slavin en blijkbaar in het openbaar, en de trotse Hagar – die terecht meende dat zij nu als een bijvrouw moest worden behandeld – weet geen andere oplossing meer dan weg te vluchten. Overigens, die vlucht was niet het doel van Sarai, maar een onverwacht gevolg. We hebben de gevolgen van onze daden lang niet altijd in de hand, meestal niet.

Als Abram en Sarai – of wij in ons leven – op een dergelijke chaotische manier omgaan met Gods belofte, als wij in ons leven allerlei schijnbaar verstandige beslissingen hebben genomen buiten God om, en als wij dan moeten vaststellen dat alles anders is afgelopen dan bedoeld, wat dan? Ga maar na. Sarai wil Gods belofte laten uitkomen door zelf nageslacht te regelen bij haar slavin. Dat berust op haar eigenzinnige interpretatie van die belofte en op haar eigen ongeduld. Dat berust op haar idee dat zij immers toch onvruchtbaar is een God daar niets aan doen zal. Dus neemt ze het heft in eigen hand. Maar ze heeft geen rekening gehouden met het karakter van die slavin, noch met de gevolgen van de status die deze slavin als bijvrouw heeft gekregen, noch met haar eigen gekrenkte trots waardoor ze zo boos werd op Abram en wraakzuchtig werd, waardoor ze haar slavin zo diep moest vernederen dat deze moest vluchten. Opnieuw een misrekening. Ze kent God niet, ze kent haar slavin niet en ze beheerst de omstandigheden niet en tenslotte: ze kent ook zichzelf niet. Blijkbaar kunnen wij mensen maar een heel klein beetje van de gevolgen van onze daden overzien. Vooral als er andere mensen met andere gevoelens en voornemens bij betrokken zijn. En we hebben een zeer beperkte kennis van andere mensen en onszelf.

Wat dan? Dat is nu de vraag. En het antwoord is het optreden van de Engel van de Heere. Dat is de Engel van het Verbond. Het is nu de bedoeling om via Hagar een oplossing tot stand te brengen. Hagar krijgt de opdracht om terug te keren en zich aan het gezag van haar meesteres te onderwerpen. Letterlijk staat er: “verneder u onder haar handen.” Dat is eigenlijk onrechtvaardig. Maar de Heere rekent er hier blijkbaar mee, dat deze meesteres niet op andere gedachten kan worden gebracht, en zeker niet door Abram nog kan worden beïnvloed. Hagar is dus de sleutel om deze chaos weer opnieuw te onderwerpen aan Gods bedoelingen en belofte. Dat is wel bijzonder, dat je soms in het leven niet rechtvaardig wordt behandeld maar dat God het toelaat omdat dat Zijn doel dient. En dat van jou gevraagd wordt om je in dat onrecht te schikken. Zo gaat dat hier met Hagar.

Dan geeft de Engel van de Heere aan Hagar de nauwkeurige belofte van het karakter van haar zoon Ismaël. Zijn naam betekent: God hoort. Maar het karakter van deze Ismaël, de stamvader van de Arabieren, is niet erg prettig. Hij is een wilde ezel, zijn hand is tegen allen, en hij zal wonen tegenover al zijn broeders – dus in voortdurende vijandschap. Kan deze wilde ezel worden beteugeld door hem bij zijn vader Abram te laten opgroeien?  Kan hij de nakomeling zijn die God aan Abram beloofd heeft? Dat wordt natuurlijk doorkruist met de geboorte van Izaak. Maar er gaat nog iets mis, want de poging om hem nu bij de familie van Abram te laten blijven, zal later mislukken en dan is het God Zelf die opdracht geeft om Hagar en Ismaël weg te sturen. (Je ziet dat trouwens heel mooi in het verschil tussen het optreden van de Engel van de Heere in Genesis 16 en dan bij het wegsturen van  Ismaël in Genesis 21 lezen we over de Engel van God – in vers 17. De Engel van de Heere is de Engel van het Verbond; de Engel van God is de Engel die beschikt over de hele mensheid ook buiten het Verbond. Over die verdrijving van Ismaël en de rol van Sarah daarbij spreken we de volgende keer.

 

Tot besluit

Het geloof van Sarai in de belofte van God, is gaan wankelen. Zij doet, wat velen van ons ook wel eens doen, namelijk op eigen kracht en met een eigen visie op de toekomst, voor onszelf te leven. Alsof wij voor onszelf moeten leven en van onszelf zijn. Maar wij zijn toch het eigendom van de Heere Jezus? Hij mag toch beschikken over ons bestaan? Zelfs als dat betekent dat een eindeloos geduld van ons gevraagd wordt?

De pogingen van Sarai om met natuurlijke middelen af te dwingen, wat God in Zijn beloften vrijelijk geven kan – omdat je meer acht slaat op wat je zelf denkt dat onmogelijk is – leiden dan ook altijd tot een chaos. Als het nageslacht van Abram uit Hagar had moeten voortkomen, dan had Sarai vanwege haar eigen trots dat al meteen weer onmogelijk gemaakt.

Wat voor karakter heeft nu deze vrouw? Het is zeker een sterke vrouw te noemen, vooral in de omgang met haar man. Zij laat hem goed weten wat zij denkt. En Abram luistert naar haar stem, naar de stem van deze krachtige persoonlijkheid. Maar tegelijkertijd heeft zij een kwetsbare plek, en dat is haar trots. Haar gekrenkte trots is op een bepaald moment belangrijker dan het bereiken van haar doel. De houding van Hagar is voor haar zo onverdraaglijk, dat ze het risico neemt dat haar slavin wegvlucht en de toekomst dus ook voor haar, dat is Sarai, wordt afgesneden.

Misschien is het wel zo, dat elke keer wanneer wij met een halfslachtige geloof berekeningen maken over wat goed is in onze ogen, de Heere een Engel moet sturen om de geschiedenis weer recht te zetten.

De volgende keer zullen wij spreken over de aankondiging van de geboorte van Izaak vanaf hoofdstuk 17:15.