Ruth – tussen herinnering en verwachting (1)

Verslag van de Bijbelbespreking op maandag 27 maart 2017

Inleiding

De gebeurtenissen in het boek Ruth spelen zich af in de tijd van de Richters, ergens tussen 1400 en 1100 v.Chr. Omdat het boek geen naam geeft van een van de richters, moet de hongersnood hebben plaatsgevonden in een periode zonder leider in Israël. Sommigen (De joodse schrijver Flavius Josephus uit de eerste eeuw) zeggen dat het gebeurd moet zijn in de tijd van de Hogepriester Eli, die we kennen uit het begin van 1 Samuel. Het thema van dit boek is in één woord samen te vatten als Terugkeer. Het boek getuigt van Gods bijzondere voorzienigheid die op de achtergrond van het gewone leven werkzaam is. Hij leidt alles uiteindelijk naar Zijn doel.

1. Het boek Ruth in de kerk van Christus

Het boek Ruth neemt in de kerk een bescheiden plaats in. Dat komt misschien omdat het vol is van het gewone leven. Er zijn geen profeten die Gods Woord spreken. Er zijn geen wonderen en tekenen en zelfs geen dromen. We lezen niets over de tabernakel, en het vertelt niets over het handelen van God. Het gaat over het gewone, dagelijkse leven. Over de strijd van mensen en hun lijden gaat het, in een wereld waarin God heel ver weg lijkt te zijn.

Nu is de openbaring van God in dit boek wel voorondersteld. Het is een verre herinnering geworden. Op de berg Sinaï gaf de Heere God aan Zijn volk de Thora. De voorschriften van de Thora spelen wel een rol in het leven van deze gewone mensen. Maar dat was toen. Het Woord van God lag in de herinnering. In het heden echter is de Heere God zwijgzaam. Het is stil geworden. En dan is de vraag hoe we dat gewone leven moeten opvatten.

Nu ligt in de Thora ook nog de verwachting. Van de profeet bijvoorbeeld die na Mozes komen zou. De belofte van Abraham en de roeping van Israël en de komst van de Messias aan het eind van de tijden, dat alles is verwachting. Maar ook die verwachting is in het boek Ruth niet sterk aanwezig. Wel bij ons, die al weten dat uit het nageslacht van Ruth ook koning David zou komen en hij de voorvader zou zijn van de Messias Jezus. Dat alles is echter bij deze gewone mensen niet bewust aanwezig. Zo is het dan echt stil. De herinnering aan Gods openbaring is nog maar vaag; de verwachting van Gods toekomst speelt geen rol. God heeft gesproken en Hij zal ook wel weer spreken, maar in het leven van vandaag hebben we voornamelijk met onze eigen stemmen te maken.

Wij herkennen dat. Juist ook in deze tijd van Pasen. In onze kerkelijke herinnering zijn we verbonden met de dag van de opstanding. Maar dat is meestal een vaag en ver geluid. We weten dat Christus de eersteling is en de opstanding zich triomfantelijk in de toekomst herhalen zal, maar dan voor allen. Maar ook dat is geen gespannen verwachting, maar een woord dat nauwelijks tot ons doordringt. Het gewone leven lijkt de schemering te zijn tussen de dag van gisteren en de dag van morgen.

Wat we lezen we bij Ruth is dus aan de ene kant heel gewoon. Maar juist in dat gewone kunnen we het ongewone, het wonderlijke vinden. Kijk maar naar de beslissingen die mensen lijken te nemen zonder de uitkomst te kennen. De beslissing van Orpa om weer naar haar familie en haar oude God terug te keren. De beslissing van Ruth en Naomi om het te wagen in Jeruzalem. Het effect van Gods bevel om de armen te ontzien, zodat Ruth bij het arenlezen Boaz ontmoeten kan. En dan natuurlijk de trouw van Boaz aan de Wet van Mozes die uiteindelijk Ruth tot de voormoeder van David zal maken.

Dat is de les van het boek Ruth. In de stilte tussen de herinnering en de verwachting, in het gewone leven, handelen wij zonder de uitkomst te kennen. Maar wie dan probeert om trouw te zijn, om uit liefde te handelen, om het belang van anderen te zoeken, die kan worden ingevoegd in de geschiedenis die door God geleid wordt. Het gewone wordt dan het middel dat God gebruikt om het bijzondere tot stand te brengen.

Terwijl wij denken dat ons gewone leven niets voorstelt, omdat er zoveel buitengewone krachten in de wereld zijn die de aandacht in het heden voor zich opeisen. Je zou er bijna wanhopig van kunnen worden. Sommigen gaan dan inderdaad zoeken naar een manifestatie van dit buitengewone. We zoeken het spektakel, we zoeken het teken en het wonder omdat we het gewone leven niet meer kunnen verdragen. Daarom hebben we het boek Ruth nodig, om te zien hoe buitengewoon het gewone leven is, als we het leven in overeenstemming met Gods gebod en met een hart waarin liefde woont.

2. Het vertrek uit Israël – vers 1 – 5

Het boek begint echter met een ongewone beslissing. Elimelech emigreert naar Moab omdat er hongersnood is in Israël. Dat lijkt heel vanzelfsprekend. Wij kunnen ons bij die beslissing iets voorstellen. Hij wilde toch gewoon zichzelf en zijn gezin redden van de hongersnood? In de Hebreeuwse vertelkunst moet je letten op kleinigheden. Bovendien moet je proberen aan te vullen met behulp van je kennis van de geschiedenis, wat een lezer in die tijd onmiddellijk zou weten. De man vertrekt immers uit Bethlehem. Maar van alle plaatsen in Israël waar de hongersnood zou kunnen toeslaan, ligt Bethlehem het meest gunstig. De kans is groot dat deze man door de hongersnood niet in gevaar is gekomen. Zoals later zal blijken, beschikte hij daar over land. Dat land zou nog wel enige opbrengst kunnen geven. Dus waarom vertrekt hij uit Israël? Waarom blijft hij niet solidair met zijn volk om gezamenlijk de hongersnood te doorstaan? Heeft hij dan geen vertrouwen meer gehad in de zorg van de God van Israël om Zijn volk in leven te houden?

Een manier om het te lezen is, dat Elimelech uit Israël wegtrekt, omdat hij niet geneigd is om zijn rijkdom te delen met de armen. Liever rijk en zelfstandig in Moab, dan solidair en arm met het volk in Juda. Zonder dat het rechtstreeks wordt gezegd, kun je dat ook vermoeden aan het harde lot dat hen treft. Is dat niet een “bezoeken” van de Heere van de zonde van de vader aan de kinderen? Dat wil zeggen: God neemt de consequenties van het verkeerde handelen van Elimelech niet weg. (Dat is helemaal duidelijk als we de interpretatie volgen die zegt, dat Machlon en Chiljon door geweld om het leven zijn gebracht, omdat ze als “buitenlanders” door de Moabieten gehaat werden.) De man sterft, en twee zonen blijven achter met de weduwe. In plaats van vrouwen te zoeken in Israël, krijgen deze zoons op last van hun ouders twee vrouwen uit Moab. (De goede vertaling van het vierde vers moet zijn: “en zij”, dat zijn de ouders, “gaven Moabitische vrouwen aan hen”, dat zijn de zoons.) Maar ook deze twee zoons sterven. In het vijfde vers zien we dan het trieste eindresultaat: “zo bleef de vrouw achter, zonder haar twee zonen en zonder haar man.”

3. De terugkeer van Naomi – vers 6 – 10

Naomi besluit terug te keren. Ze heeft gehoord dat de hongersnood in Israël voorbij is. De Heere heeft Zijn volk brood gegeven. Zij kwamen uit het Broodhuis (Bethlehem) en nu geeft de Heere weer brood. Het gaat nu om de terugkeer. Het woord terugkeren komt maar liefst 12 keer voor in dit eerste hoofdstuk. En dat is ook het thema: de geestelijke terugkeer van Naomi naar het land maar ook naar de God van Israël.

Naomi roept ook de twee schoondochters op om terug te keren. Maar voor hen betekent dat “ieder naar het huis van haar moeder” moet terugkeren (vers 8). Zij kunnen immers opnieuw beginnen en een andere man vinden. En in eerste instantie horen we in vers 10 dat beide vrouwen van plan zijn om met Naomi terug te keren. Je kunt dan de vraag stellen waarom zij dat willen? Er zijn twee aanwijzingen. In de eerste plaats moet de verhouding tussen Naomi en haar schoondochters heel goed zijn geweest. Daarom lezen we in vers 8 over de goedertierenheid die zij “bewezen hebben aan hen die gestorven zijn, en aan mij,” dat is Naomi. In de tweede plaats is het opvallend dat Naomi de naam Heere gebruikt, tot twee keer toe. Wanneer iemand in Israël spreekt tot een buitenstaander, wordt meestal gewoon de naam “God” gebruikt, of “Schepper”. Dat Naomi hier de Naam van God kan gebruiken, Jahweh dus of Heere, moet betekenen dat beide vrouwen de godsdienst van hun schoonfamilie hebben aangenomen. De vraag is alleen hoe ver die “bekering” gegaan is.

4. Het afscheid van Orpa – vers 11 – 14

Alle overwegingen in dit gesprek tussen Naomi en haar schoondochters, berusten op overwegingen van het gewone leven. En toch zit er op de achtergrond een echo van de Wet van Mozes. In vers 11 legt Naomi uit dat het zinloos is dat de schoondochters met haar mee terugkeren. “Heb ik nog zonen in mijn lichaam, die jullie tot mannen zouden kunnen worden?” Dat duidt op het voorschrift, dat we vinden in Deuteronomium 25, over het zogenaamde Leviraatshuwelijk. Wanneer een man sterft zonder dat hij een zoon heeft gekregen, dan moet de ongetrouwde broer die vrouw tot echtgenote nemen. Dat is de “zwagerplicht.” Naomi legt uit dat het zinloos is om te wachten op de geboorte van een zoon. De schoondochters zouden dan toch moeten wachten tot zij groot geworden waren. Met andere woorden de toekomst van deze schoondochters ligt niet bij Naomi. De familieband moet dus nu wel verbroken worden.

Het is bovendien veel beter voor de schoondochters om weg te gaan, omdat het duidelijk lijkt te zijn dat de Heere deze tragische gebeurtenissen beschikt heeft. In vers 13 maakt Naomi duidelijk dat in haar beleving de Heere een oordeel heeft uitgevoerd: “de hand van de Heere is tegen mij uitgestrekt”, en in vers 20: “de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan”. En dan nog eens in vers 21: “maar de Heere heeft mij leeg laten terugkeren.” En het is werkelijk een oordeel: “nu de Heere tegen mij getuigd heeft” – als in een rechtszaak – “en de Almachtige mij kwaad gedaan heeft.”

Orpa accepteert deze voorstelling van zaken en kust haar schoonmoeder ten afscheid. Dat is voorstelbaar en begrijpelijk. Maar tegelijkertijd is dit “gewone” niet het goede. Misschioen nog wel dat zij is teruggekeerd naar haar volk, maar niet dat ze ook is teruggekeerd “naar haar goden”, zoals vers 15 zegt. De schoondochters hebben immers door het leven met hun echtgenoten de God van Israël leren kennen. De naam Heere is hun bekend. De schijnbaar gewone beslissing van Orpa is daarom eigenlijk een ongewone beslissing, een afval van het geloof. Nu het leven moeilijker wordt, heeft zij haar geloof in de God van Israël verloren.

In Moab werd vooral de God Chemosh vereerd, en daarom is het niet nodig te vertalen met “goden” in het meervoud. Blijkbaar is deze God nog steeds “haar” God. Zij heeft zich niet werkelijk in geloof tot de God van Israël bekeert, maar alleen een nieuwe naam voor haar eigen god geleerd bij haar schoonfamilie. We weten dat de God Chemosh onder verschillende namen werd vereerd, en bijvoorbeeld ook als “Baäl-Peor” bekendstond.

Ruth neemt hier een andere beslissing dan haar schoonzuster – die misschien ook haar zuster is. Zij “klampte zich aan haar vast” (vers 14). Zij omhelst haar schoonmoeder en laat niet meer los. Ze is vastbesloten. De uitdrukking “vastklampen” kunnen we begrijpen als een verweer tegen de opzet van Naomi om haar schoondochters terug te sturen naar hun familie . Maar dat zal niet gebeuren.

5. De beslissing – vers 15 – 18

Ruth verbindt nu haar leven met dat van haar schoonmoeder. Dat betekent in de eerste plaats dat ze niet zal terugkeren naar haar familie, maar deze terugreis samen met haar schoonmoeder maken zal. “Waar u heen gaat, zal ik ook gaan.” Ruth beseft dat het een lange reis zal zijn van meerdere dagen, en dat het betekent dat ze ‘s nachts in het open veld moeten verblijven: “waar u overnacht, zal ik overnachten.” Maar dan komen de woorden die niet alleen maar de relatie met de schoonmoeder bevestigen, maar ook vanuit het geloof in de God van Israël gesproken worden. Ze zegt immers: “Uw volk is mijn volk en uw God mijn God” (vers 16). Niet alleen haar persoonlijke relatie met Naomi is dus van belang hier. Ruth handelt hier uit het geloof dat ze bij haar schoonfamilie geleerd heeft.

Vers 17 maakt duidelijk hoe ver Ruth gaan wil in haar “goedertierenheid”. Tot de dood aan toe zal zij met Naomi verbonden zijn. “Waar u sterft, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden” – zelfs in de dood wil zij niet terugkeren naar haar vroegere familie. En dan eindigt ze met een eed. “Moge de Heere mij van het leven beroven of nog erger als ik niet met u zal meetrekken” is ongeveer de inhoud. We moeten goed begrijpen dat geloof in de God van Israël in deze tijd principieel ook betekent dat men zich bij Israël moet voegen. (Wie in onze tijd gelooft in Jezus Christus, is eveneens verplicht om deel te gaan uitmaken van Gods volk op aarde, dat wil zeggen een plaats binnen de gemeente van Christus in te nemen. Er bestaat niet zoiets als een christen buiten de gemeente, al zijn er christenen die in dit opzicht God ongehoorzaam zijn.)

6. De aankomst in Bethlehem – vers 18 – 22

Naomi accepteert de beslissing van Ruth – vers 18. Zo komen die beide uiteindelijk in Bethlehem aan. De mensen herkennen Naomi. Maar Naomi is blijkbaar getekend door haar verdriet en er zijn intussen meer dan 10 jaar verstreken. Vandaar dat we lezen in vers 19, dat de vrouwen zeiden: “Is dit Naomi?” Is zij het wel?

Nu vinden we opnieuw de woorden van Naomi in vers 20 en 21. Het is een grote klacht. God heeft haar “bitterheid aangedaan”, God heeft haar “leeg laten terugkeren”, zij is door God gestraft want “de Heere heeft tegen haar getuigd en haar kwaad gedaan”. Daarom wil zij liever Mara, bitterheid, genoemd worden.

Het is wel opvallend dat Naomi klaagt over haar verleden, maar met geen woord spreekt over de liefdevolle schoondochter die met haar is meegetrokken. Is zij werkelijk leeg teruggekeerd? Maar in haar bitterheid ziet ze Ruth niet meer. Misschien is dat ook wel begrijpelijk. Zij vertrok met een echtgenoot, om een nieuw leven in een ander land op te bouwen. Met alle moeilijkheden vandien. Ze kreeg zoons en schoondochters. Ze waren aan de hongersnood ontsnapt. Maar de drie mannen in haar leven zijn allen vroegtijdig gestorven. Het is zeker begrijpelijk dat zij zegt, dat zij met een leegte is teruggekeerd. Is er bij ons ook niet een leegte in het hart, als wij mensen kwijtraken die wij hebben liefgehad? Is er een grotere tragedie dan het verlies van een kind? Ook al beseft Naomi dat ze in deze tragedie niet schuldeloos is, en dat ze de consequenties heeft moeten ervaren van het trouweloze handelen tegenover God van haar en haar man, is het toch alleen maar te omschrijven als een leegte en bitterheid. Immers, de hemel zwijgt. De herinnering aan de wet van Mozes geeft haar het inzicht dat haar leven onder Gods macht gestaan heeft. De belofte van de toekomst is te ver weg om haar te troosten. En in het heden zwijgt de hemel terwijl zij zo vol zit met verdriet.

Aan het eind van het hoofdstuk horen we alleen maar dat ze in Bethlehem zijn aangekomen aan het begin van de gersteoogst. De oplettende lezer krijgt daardoor een aanwijzing. De gersteoogst is de eerste oogst in de seizoenen van Israël. Dat plaatst haar terugkeer in de tijd van Pasen. Dat is het feest van de herinnering aan de uittocht uit Egypte, en van de hoop op het nieuwe beloofde land. Op een of andere manier hebben Naomi en Ruth opnieuw een uittocht uitgevoerd. Een uittocht uit Moab om dan in Bethlehem weer in het beloofde land te zijn. Zo geeft vers 22 een subtiele aanwijzing dat het ook voor Naomi en Ruth Pasen kan zijn, dat wil zeggen een nieuw begin, een soort opstanding.

(Wordt vervolgd)

KOINONIA LIVE! #10 – Sola Scriptura en de predikant – over D.A. Carson

This entry is part 11 of 73 in the series BROADCAST

Geheel gewijd aan D.A. Carson. Zijn preek over Deuteronomium 17 geeft ons inzicht in het belang van “Sola Scriptura” voor het werk van een predikant. Dat is een opmerkelijke exegese en toepassing van de Koningswet op de praktijk van de prediking.

Hieronder de volledige video van de toespraak van Carson:

[embedyt] https://www.youtube.com/watch?v=qIb1q4ulo34[/embedyt]

Tussen Lamech en Noach – Bijbelse Theologie deel 8

This entry is part 12 of 20 in the series Bijbelse theologie

Deel 8 van de serie Bijbelse Theologie (was: Oude en Nieuwe Verbond).

In deze aflevering gaat het over de voortwerking van de zonde in de familie van volkeren, de beginselen van het kwade die leiden tot de diagnose van Genesis 6:12: “Toen zag God de aarde, en zie, zij was verdorven; want alle vlees had zijn weg verdorven op de aarde.” En daarvoor: “de aarde was verdorven voor Gods aangezicht en de aarde was vol met geweld (6:11)” Immers er was zoiets als het volkomen bederf, “En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en dat al de strevingen van de gedachten van het hart elke dag (ten alle dage) alleen maar boos waren (Gen. 6:5).”

Maar uiteindelijk: “Noach vond genade in de ogen van de HEERE.”

[embedyt] http://www.youtube.com/watch?v=mnc7Ho0H_ic[/embedyt]

Johannes (34) – Woorden van eeuwig leven

Joh. 6:60-71

De menigte is Jezus gevolgd, aangetrokken door Zijn genezingen, gefascineerd door de tekenen die Hij deed, misschien zelfs wel onder de indruk van Zijn persoon. Maar ze zijn gericht op de vervulling van hun aardse behoeften, zoeken vanuit hun persoonlijke theologie een Profeet of koning en zijn niet in staat om twee dingen te doen, die juist bij de ware discipelen horen. In de eerste plaats komen ze niet om Hem eer te geven en Hem te aanbidden. In de tweede plaats erkennen zij niet, dat zij alleen deel kunnen krijgen aan Jezus door Zijn dood heen. (Ze willen niet “eten van Zijn vlees en drinken van Zijn bloed”, in de symbolische taal van Johannes 6. Ze begrijpen dus ook niet dat het nodig was dat Jezus kwam als het Lam Gods, als een zondoffer voor de gehele wereld. )

De confrontatie met deze “misleide” discipelen komt tot een hoogtepunt in vers 60 tot en met 66. In vers 60 horen we: “Dit woord is hard; wie kan het aanhoren?” En dan in vers 66 lezen we dat velen van Zijn discipelen zich terugtrokken en niet meer met Hem mee gingen. Wat is er dan gebeurd in de tussenliggende verzen? Wat is dan om te beginnen dit harde woord? “Hard” betekent zoveel als stijf, rigide, onbuigzaam en in geestelijke zin streng, aanstootgevend. Niet moeilijk om te begrijpen, maar moeilijk om te aanvaarden. Het is ook een hard en onbuigzaam woord: de verlossing is alleen maar in Jezus. Dat is een boodschap die je niet kunt aanpassen zodat het goed ligt in onze moderne tijd. Het is geen tolerant en vriendelijk woord, maar het is de strenge waarheid over Jezus. Jezus zegt van Zichzelf dat hij het levende brood is dat uit de hemel is neergedaald, en dat alleen wie in Hem gelooft eeuwig leven heeft. Dat kunnen we ook afleiden uit vers 62. Jezus heeft (vers 38) gezegd dat Hij uit de hemel neergedaald is. Hoe kan dat zijn?

Daarover, over Zijn claim dat Hij God is en uit de hemel is neergedaald, en Zijn claim dat Zijn dood de verlossing brengt als het zondoffer voor de wereld, ontstaat gemor. Een grimmige ontevredenheid maakt zich van hen meester. En wanneer Hij zegt dat Zijn dood noodzakelijk is om deel te krijgen aan Zijn leven – dat Hij dus het Lam van God is – beginnen ze zelfs te redetwisten. (Vers 52.) Jezus weet dat ze juist aan deze woorden aanstoot nemen. Ze nemen geen aanstoot aan de werken die Hij doet, maar aan de woorden. Aan wie Hij is. Maar daar gaat het nou net om. In het vorige hoofdstuk zegt Jezus in vers 24: “Wie Mijn woord hoort … Die heeft eeuwig leven.” Want het aanvaarden van Zijn woord, is hetzelfde als het aanvaarden van God de Vader die Hem gezonden heeft. God spreekt door Jezus. Hij is het vleesgeworden Woord van God. Uiteindelijk zal iedereen Zijn stem horen (5:28) wanneer Hij komt om te oordelen. Maar men heeft Zijn woord toen niet willen aanvaarden. Dat is in onze tijd nog steeds zo. Niemand neemt aanstoot aan het verhaal van Jezus als iemand die probeerde te genezen, die mensen van duivels bevrijdde, die aardig was voor kinderen en weduwen en uiteindelijk het zielige slachtoffer werd van politieke en religieuze macht in zijn tijd, martelaar werd. Heel veel mensen in deze wereld willen op die manier wel over Jezus spreken. De vriendelijke sociale hervormer, de kampioen van tolerantie. Niemand kan een dergelijke Jezus toch afwijzen? Maar laat Jezus toch maar liever niets zeggen. Het zijn de woorden die mensen van Hem vervreemden. Zodra iemand begrijpt wat Jezus werkelijk heeft gezegd, is het gedaan met Zijn populariteit. Dat is niet de Jezus die mensen kunnen aanvaarden.

Heeft Jezus dan met Zijn woorden hun verwachting en hoop teleurgesteld? De werken die Hij verricht heeft, zijn die nu ineens niet meer belangrijk? Dat is de vraag van Jezus in vers 61: “Neemt u hier aanstoot aan?” Konden ze dan wel geloven, als ze de Hemelvaart hadden kunnen zien? Ze geloven niet dat Hij uit de hemel is neergedaald, zouden ze dan geloven wanneer Hij zou “opvaren naar de plaats waar Hij eerder was?” Maar dat hebben ze niet kunnen meemaken, omdat ze Hem toen al hadden verlaten. De trouwe discipelen waren erbij, zoals we lezen in Handelingen 1. Ze wisten dat Hij uit de hemel was neergedaald, dus mochten zij ook bijwonen dat Hij naar de hemel terugkeerde. Maar Jezus weet wat dit gemor en dit ongeloof betekent. In vers 63 verwijst hij daarom nog eens naar wat Hij al met Nicodemus had besproken. Het is de Geest die levend maakt. Je moet geboren worden uit water en Geest. En dat is juist nodig voor het begrip van het woord van Jezus. Want: “De woorden die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven.” Het vlees – mijn waarnemingen, hun verstand, hun redeneringen – is van geen enkel nut. De Geest schenkt de wedergeboorte in het horen van het woord van Jezus. Waarom?. Omdat alles wat Jezus zegt door God Zelf is gesproken. “Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij gezonden heeft, Hijzelf heeft Mij een gebod gegeven wat Ik zeggen en wat Ik spreken moet.” (Joh. 12:49)

Jezus wist vanaf het begin af wie niet in Hem geloofden. Hij wist van hun ongeloof. En dat ongeloof is geen kwestie van een gebrekkig verstand, het niet begrijpen van het evangelie, want de boodschap over Jezus is eenvoudig en diep tegelijkertijd. Wat ongeloof is, kun je goed omschrijven aan de hand van de gevolgen ervan. Wie niet gelooft, moppert ontevreden in zichzelf met een verhard hart bij het aanhoren van Jezus’ claim dat Hij uit de hemel is neergedaald. Wie niet gelooft, gebruikt zijn verstand om onder de harde waarheid uit te komen dat de dood van Jezus nodig is als verzoening voor de zonden. Ze gaan zelfs redetwisten in vers 52. Ongeloof beschouwt het woord van de bevrijding, van de verschijning van de liefde van God voor alle mensen, als een hard woord. Ongeloof brengt met zich mee, dat we wel geïnteresseerd zijn in een Jezus van eigen fabricaat, maar met een sprekende Zoon van God niets te maken willen hebben. Dan trekken we ons terug en gaan niet meer met Hem mee. Ongeloof is uiteindelijk op zijn hoogtepunt in de daad van Judas Iskariot, die Hem verraden heeft. In Johannes 13:21 horen we dat de geest van Jezus in beroering raakte toen Hij besefte dat een van de discipelen Hem zou verraden. Hoofdstuk 6 van het evangelie naar Johannes is daarom ook het hoofdstuk van de pijn die Jezus moet hebben gevoeld, vanwege al deze vormen en gradaties van ongeloof tegenover Zijn reddende woorden. Zoals Hij pijn voelde over het verraad van Judas, zo moet Hij ook pijn gevoeld hebben bij het zien van deze deserterende discipelen. Er is geen strenge en onverschillige reactie van Jezus tegenover dit ongeloof. Maar Hij kan alleen maar de waarheid spreken. Hij kan Zijn woorden niet minder hard maken, om makkelijker te kunnen worden gehoord, want dat zou een misleiding betekenen. Het is alleen de waarheid die kan redden. En Hij is de waarheid.

Jezus weet dat sommigen niet geloven. Hij wist dat vanaf het begin. En de enige troost die Hij nu heeft, is het vertrouwen in Gods wil. Meerdere malen heeft Hij gezegd, dat niemand tot Hem komen kan, tenzij de Vader hem getrokken heeft, hem naar Jezus toe geleid heeft. Vers 65: “Daarom heb Ik u gezegd dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem door Mijn Vader gegeven is.” Waarom zegt Jezus dat dan? Het is niet de bedoeling om daarmee te zeggen dat God aan sommigen het geloof schenkt en aan anderen ongeloof. God weet en Jezus weet wie in Hem geloven. Maar het blijft de verantwoordelijkheid van de mens om te geloven. Ik denk daarom dat Jezus dit woord spreekt, op dezelfde manier waarop Hij tegen Nicodemus heeft gesproken over de noodzaak van de wedergeboorte. Als ze hadden beseft dat hun ongeloof een zonde is, en dat alleen God de Vader hen het reddende geloof zou kunnen schenken, hadden ze zich dan niet moeten vernederen onder die boodschap? Hadden ze dan niet moet bidden tot de Vader dat Hij hen dat geloof zou schenken? Geloof is geen prestatie van de natuurlijke mens. De natuurlijke mens, wij allemaal zoals wij zijn geboren en opgegroeid zijn, is niet bij machte om in Jezus te geloven. Maar we zijn wel bij machte om in te zien dat God van ons geloof vraagt en eist. Op grond van die boodschap kan zelfs een ongelovige ertoe komen, tot God te bidden en te vragen om dat geloof. En vervolgens dat geloof te ontvangen en te erkennen – Jezus te willen erkennen, in Hem te willen geloven – dat het God Zelf is die het heeft geschonken.

Dan richt Jezus zich tot de twaalf discipelen. “Wilt u ook niet weggaan?” Je voelt hier het verdriet van Jezus over de vele discipelen die zich hebben teruggetrokken en niet meer met Hem meegegaan. Waarom geloven zovelen niet in Hem? Vraagt Hij dan zoveel? Hij vraagt geen daden van berouw, geen ingewikkeld ritueel, geen lange jaren van harde discipline, en Hij geeft de zekerheid dat op grond van het eenvoudige geloof in Hem iemand alles ten deel zal vallen wat God aan een mens kan schenken: verlossing, bevrijding, vervulling, eeuwig leven. En nu is Hij alleen met de twaalf. Gaan jullie dan misschien ook weg vanwege dit harde woord?

Simon Petrus geeft het antwoord. “U hebt woorden van eeuwig leven.” Daar gaat het om, om dat woord, die woorden van eeuwig leven. Petrus gelooft in Jezus niet vanwege de tekenen en wonderen, niet omdat hij in Jezus de vervulling van zijn aardse behoeften ziet, maar omdat Jezus de hemelse waarheid spreekt. De goddelijke waarheid, die alleen God Zelf kan kennen en openbaren. En er is niemand anders die deze woorden spreekt. “Heere, naar wie zullen wij heengaan?” Er is geen ander. Er is geen andere Naam onder de hemel gegeven door wie wij behouden kunnen worden. Handelingen 4:12 “En de zaligheid is in geen ander, want er is onder de hemel geen andere Naam onder de mensen gegeven waardoor wij zalig moeten worden.” En dan komt de belijdenis. Wij hebben geloofd. Wat hebben wij geloofd? Dat God bestaat, en dat Jezus een goed mens is? Nee. Dit is de belijdenis: “Dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God.” Zo staat het in Mattheus 16:16 en in het handschrift waarop de Statenvertaling is gebaseerd, is deze tekst ook in het evangelie naar Johannes opgenomen. Andere oude handschriften hebben hier echter deze woorden: “wij hebben geloofd en erkend dat u bent de Heilige van God.” Heilige van God! Waarom deze titel? Is Jezus niet degene “Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft”? (Joh. 10:36) En zegt Jezus niet over zichzelf in hoofdstuk 17: “En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd zijn in de waarheid”? Door Jezus de Heilige van God te noemen, erkent Petrus heel de bijzondere zending van Jezus, en daarmee bevestigt hij ook de eer van Degene die Hem gezonden heeft.

Waarom blijven sommige discipelen dan wel? Vanwege de woorden van Jezus. Is dat niet het kenmerkende verschil tussen een ware en een valse of misleide discipel? Dit respect voor het Woord van God zelf? Zoals David zegt in Psalm 119: “Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.” (Psalm 119:105) Ook in onze tijd komt het toch aan op de wil om door God onderwezen te worden, om met ontzag en met inzicht in de diepte van het woord van God door te dringen, dat wij hebben in de bijbel. Het is de bijbel die ons Jezus doet kennen, het is de bijbel die ons Gods hart openbaart, het is de bijbel die ons inzicht geeft in onze zonden en ons eigen ongeloof. Wij horen niet rechtstreeks de woorden van eeuwig leven die Jezus tot de discipelen heeft gesproken. Maar die woorden komen tot leven wanneer wij ze lezen in de bijbel. Welk ander boek zullen we dan raadplegen? In de bijbel vinden we woorden van eeuwig leven. In onze tijd wordt het steeds moeilijker. De bijbel wordt steeds minder gelezen en de bijbel wordt steeds oppervlakkiger gelezen. Wie studeert nog echt in de bijbel? Voor velen komt de bijbel nog alleen maar langs als de tekst die aan het begin van de prediking wordt geciteerd, als het hoofdstuk dat wordt voorgelezen – vaak hetzelfde woord en vaak dezelfde tekst. Het moet eenvoudig, het moet direct de praktijk van het leven aanspreken, maar er is geen diepgang, geen werkelijke studie. De bijbel is niet het boek van de profeet en koning die ons af en toe wijze woorden geeft om over na te denken in het dagelijkse leven, maar de openbaring van de Zoon van God die het Lam van God wilde worden. Dit zijn woorden van eeuwig leven! Ze verdienen onze volle aandacht, en wie opmerkzaam leest, ontmoet de Heer Jezus zelf, ontdekt de stem van God in zijn leven. De bijbel onderwijst, maar weerlegt ook onze eigen redeneringen, verbetert onze morele ingevingen en geeft ons een waarachtige opvoeding in de rechtvaardigheid zoals God die ziet. Het is de bijbel die ons toerust tot de goede werken die wij verlangen te doen. Het zijn woorden van eeuwig leven. Daarbuiten vinden we alleen maar de woorden die het gehoor strelen en die de eigen begeerten vervullen. Er komt een tijd zegt Paulus, dat mensen “hun gehoor van de waarheid afkeren en zich keren tot verzinsels.” Er is geen ander boek. Wij horen te leven in en met de “heilige Schriften… Die ons wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof dat in Christus Jezus is.” (2 Tim. 3:15)

Wat voor een gelovige bent u dan? Zoekt u de woorden van eeuwig leven in de bijbel die getuigen van Jezus de Zoon van God? En doet u dat omdat u hebt geloofd en erkend dat deze Jezus de “heilige Gods” is? Of gaat u ontevreden mopperen als u de woorden van Jezus hoort over zichzelf? Zegt u bij uzelf, dat het woord van de prediking hard is, omdat die prediking ernstig neemt en voor waar houdt wat Jezus tot ons gezegd heeft? Of begint u te redetwisten als de prediking op de bijbel is gebaseerd en de behoefte en begeerten van het dagelijks leven niet aan de orde komen? Misschien ontstaat dan bij u de neiging om u terug te trekken en niet meer naar de kerk te gaan. Maar dat komt dan, omdat u al veel eerder hebt besloten, niet meer een discipel van Jezus te zijn. Wie bij Jezus wil horen, zal Zijn woorden van eeuwig leven moeten horen en gehoorzamen. Zal Hem moeten belijden als de Christus, de Zoon van de levende God, die door de Vader geheiligd werd om het zondoffer voor de hele wereld te zijn. Wie Zijn vlees niet eet en Zijn bloed niet drinkt, is een buitenstaander. Die heeft geen leven in zichzelf. En dat is zeker een hard woord voor wie niet geloven wil. Maar waarom zou je Jezus niet vertrouwen? Waarom zou je het woord van Jezus niet in je opnemen en aanvaarden en erkennen dat Hij het Woord van God spreekt? Naar wie moet je anders heengaan? Wie heeft dan wel woorden van eeuwig leven?

Nieuwe bijbels – voor mij dan…

Deze week heb ik maar liefst drie nieuwe bijbels in handen gekregen. Ze staan nu broederlijk-zusterlijk in mijn kast. De Bijbel in Gewone Taal, Het Leven, Praktische lessen uit Het Boek (NT), en de studieuitgave van de Herziene Statenvertaling.

Als ik al mijn bijbels op een rijtje zet heb ik:

  1. Statenvertaling
  2. Statenvertaling editie Jongbloed
  3. Statenvertaling met Kanttekeningen
  4. Nederlands Bijbelgenootschap 1951
  5. Het Boek (OT en NT)
  6. Petrus Canisiusvertaling
  7. Willibrord 1995
  8. Voorhoeve NT
  9. Telosvertaling NT
  10. Nieuwe Bijbelvertaling
  11. Herziene Statenvertaling

En uiteraard verschillende edities van het Hebreeuwse Oude Testament en het Griekse Nieuwe Testament.

Plus de drie die ik hierboven noemde. (De engelse, franse en duitse vertalingen laat ik maar even weg.)

Het is alweer lang geleden dat ik in de Vergadering van Gelovigen twee bijbels had:  de Statenvertaling en het Nieuwe Testament van Voorhoeve (thans Telosvertaling en niet langer in druk.) Iedereen had deze. Iedereen gebruikte dezelfde tekst. Heel soms vertelde iemand dat in het Hebreeuws of Grieks de tekst toch net een beetje anders, rijker, was dan de vertalingen die we gebruikten. Maar we wisten wat we bedoelden wanneer we een Bijbeltekst citeerden en iedereen die een tekst opzocht vond dezelfde woorden.

Als ik nu tegen iemand zeg: “Uw gastvrijheid zij iedereen bekend.” Krijg ik als antwoord: “Er staat in ‘mijn’ bijbel “vriendelijkheid” en niet gastvrijheid… Je hebt een uur nodig om uit te leggen dat in de context deze “vriendelijkheid” toch op gastvrijheid slaat.

Gewoon citeren is er niet meer bij.

Een verrijking noemde Arjan Plaisier de komst van de Bijbel in Gewone Taal. Voor mij ook. De boekenkast wordt voller, en er is meer te lezen wanneer je studeert op Gods Woord.

Verwarrend noem ik het echter, met het oog op de gemeente. Hoewel deze voor het grootste deel gewoon de NBG leest of op de NBV is overgestapt. En die vind ik nou net weer onbetrouwbaar en daarom nutteloos.

Ik ga voor de Herziene Statenvertaling met Kanttekeningen, náást de Statenvertaling met Kanttekeningen.

En als ik weer een beetje tijd heb, laat ik die allemaal in de kast staan en doe wat we eigenlijk allemaal hadden moeten doen. De Bijbel “gewoon” lezen, d.w.z. in de talen waarin ze is geschreven.