Johannes (70) – Jezus is de Weg

Joh. 14:1-6

De discipelen hebben in korte tijd veel verwarrende en teleurstellende mededelingen moeten verwerken. Ze hebben met elkaar ruzie gemaakt over de vraag wie van hen de voornaamste plaats zou innemen. Jezus heeft hun houding doorzien en een weg van nederig dienstbetoon aangewezen met de voetwassing. De discipelen die zich de toekomstige meesters maanden, worden hard op hun nummer gezet: tegenover elkaar moeten ze de plaats van een dienaar aannemen. Dan komt het verraad van Judas, dat op dit moment voor hen nog niet eens helemaal duidelijk is. Ze zullen vermoed hebben dat er iets bijzonders aan de hand is. Dan komt de herhaalde aankondiging van Jezus, zoals in 13:33, dat Hij van hen zal heengaan, terwijl zij Hem niet kunnen volgen. Dat horen ze, terwijl ze eigenlijk verwachten dat Jezus ofwel Zijn missie zal vervolgen en zal doorgaan met Zijn prediking, ofwel in deze dagen het Koninkrijk van God zal oprichten. In dat laatste geval rekenden zij erop dat zij aan Zijn rechter- en linkerhand zouden delen in de regeringsmacht van God. En dan krijgt vooral Petrus nog te horen, dat hij niet bij machte zal zijn om Jezus te volgen in de komende tijd, dat hij Jezus zal verloochenen – terwijl hijzelf uitschreeuwt dat hij zijn leven voor Jezus zal geven. Ze zullen ook aan Jezus hebben gezien, dat Zijn geest in beroering was, zoals we lezen in 13:21. Deze avond gaat alles anders, voelt alles anders, lijkt de toekomst geheel anders dan hun verwachting.

Dat zal de reden zijn dat hoofdstuk 14 nu opent met de woorden: “Laat uw hart niet in beroering raken.” Misschien kun je beter vertalen: hou er mee op om in beroering te zijn in je hart. Ze zijn al beroerd in hun hart, ze voelen zich al slechter dan ooit, en daarom is het eerder een oproep om hun angst en onzekerheid te laten wegvloeien dan dat ze die moeten voorkomen. Jezus, die Zelf al innerlijk in beroering is vanwege Zijn naderende dood, treedt nu op als de trooster van Zijn discipelen. En die troost is heel eenvoudig: vertrouw op Mij, zegt Jezus. “U gelooft in God, gelooft ook in Mij.” Het eerste is een vaststelling: jullie geloven in God. Neem dat als het uitgangspunt, zegt Jezus. Je hebt toch vertrouwen in God? God in Zijn wijsheid en almacht kan toch voorzien in al jullie noden ondanks het feit dat Jezus moet heengaan en ze zal achterlaten. Maar dan komt een gebiedende wijs: gelooft ook in Mij. Net zoals je in God gelooft, moet je geloven in de Zoon van God. De Vader en de Zoon zijn één.

Daar zit nog een bijzondere gedachte achter. Zij geloofden in een God die ze niet konden zien. God is Geest (Joh. 5:24) en niemand heeft ooit God gezien (Joh. 1:18). Zij geloofden in God maar zij geloofden ook in de openbaring van deze God door middel van het vleesgeworden Woord. Zij hebben een belijdenis afgelegd: U bent de Zoon van God, de Koning van Israël (Joh. 1:50). En daarom hebben ze gezegd tegen Hem, dat Hij de Heilige Gods is en dat Hij woorden van eeuwig leven heeft (Joh. 6:68, 69). De pointe van de woorden van Jezus is dus deze: zoals jullie geloofd hebben in de onzichtbare God, zo zul je ook in Mij moeten geloven, wanneer Ik onzichtbaar ben geworden, aan je oog onttrokken ben. Op dit moment is hun geloof nog sterk verweven met wat ze zien. Thomas is geenszins de uitzondering, wanneer hij later zegt: ik zal niet geloven tenzij ik Hem zie en mijn vingers in Zijn wonden leg. Zo denken de discipelen allemaal op dit moment. Maar de onzichtbare God is nooit ver weg. “Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en schrik niet voor hen terug, want het is de Heere, uw God, Die met u mee gaat. Hij zal u niet loslaten en u niet verlaten.” (Deut. 31:6) En zo zal ook Christus de Zijnen nooit verlaten, ook al gaat Hij terug naar de Vader en is dan niet langer zichtbaar voor Zijn discipelen. Petrus zou het zelf later schrijven: “Hoewel u Hem niet gezien hebt, hebt u Hem toch lief.” (1 Pe. 1:8a) U verkrijgt “het einddoel van uw geloof, namelijk de zaligheid van uw zielen” – hoewel u Hem nu niet ziet, maar wel gelooft. Dat werd de boodschap van Petrus.

Meteen na deze oproep om al je vertrouwen te stellen in Christus, in dezelfde mate als in God Zelf, komen dan deze bekende woorden. “In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken.” (Vers 2) Wat is precies het “huis van Mijn Vader”? In Johannes 2:16 zegt Jezus: “maak niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.” Daar is het dus de tempel. Dat kan hier niet het geval zijn, omdat Hij al heeft gezegd dat van deze tempel geen steen op de andere zal blijven staan. De schrijver van de brief aan de Hebreeën geeft ons een aanwijzing. Hij schrijft: “Want Christus is niet binnengaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is en dat een tegen beeld is van het ware, maar in de hemel zelf.” (Hebr. 9:23) De tempel is een tegenbeeld, een aardse kopie van een hemelse werkelijkheid, van de hemelse tempel. Het “huis van Mijn Vader” in het tweede hoofdstuk is de kopie van het huis waar Jezus het nu over heeft.

Soms wordt de hemel aangeduid met de uitdrukking “hemels vaderland” omdat het een werkelijk thuis is. In Openbaring 21 is het een stad, omdat er gewoond wordt, en mensen er “burgers” van kunnen zijn. Soms heet het eenvoudig het Koninkrijk van God, omdat Gods wil daar volledig wordt gedaan. Soms heet het een paradijs vanwege de schoonheid ervan, maar hier heet het een Huis omdat het de plaats is waar Gods familie wonen kan. Het huis van de Vader. Een aardse vader bouwde in die tijd voor zichzelf en zijn bruid een huis waar ook zijn kinderen opgroeiden. En als dan een van zijn kinderen volwassen werd en ging trouwen, bouwde die zijn eigen huis aan het huis van zijn vader vast. En zo kon je zeggen, dat dit huis van de vader vele “woningen” had. Zo was het ook met de hemel. En dan zegt Jezus: “als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken.” Met andere woorden, als er geen plaats zou zijn in de hemel – omdat Hij gezegd had “waar Ik heenga kunnen jullie niet komen” – dan zou Jezus dat wel gezegd hebben.

Met een andere versindeling kun je het zo lezen: als dat niet zo was, zou ik jullie dan gezegd hebben: “Ik ga heen” – Ik ga heen tot de Vader met de bedoeling… – “om een plaats voor u gereed te maken?” Jezus maakt Zijn discipelen dus duidelijk dat Zijn heengegaan het doel heeft om voor de discipelen een plaats in de hemel veilig te stellen. En dan zal Hij terugkeren aan het eind van de tijden en “zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben.” (Vers 3) Deze bewoning van de hemel zal dus plaats hebben vanaf het moment dat Jezus terugkeert. In de tussentijd zijn de overledenen met hun ziel in de tegenwoordigheid van de Heere, in de ‘schoot van Abraham’, maar dit gaat over de uiteindelijke hereniging van ziel en lichaam in de hemelse stad Jeruzalem.

Wat is dan de hemel? Het is de plaats waar Christus is en waar elke gelovige in Christus zal worden ontvangen, om daar in een volmaakte persoonlijke relatie met Hem te bestaan. Dat is de belofte die Christus hier aan Zijn discipelen geeft. Hij moet weggaan, zij moeten nog blijven. Hij zal een woning voorbereiden in het huis van Zijn Vader, en daar zal Hij elke gelovige ontvangen.

Jezus zegt dan in vers 4: “En waar Ik heenga, weet u, en de weg weet u.” Thomas antwoordt: “Heere, wij weten niet waar U heen gaat, en hoe kunnen wij de weg weten?” Wisten ze dat niet? In hoofdstuk 7:33 had Jezus al in het openbaar gezegd:” Nog een korte tijd ben Ik bij u en dan ga Ik heen naar Hem Die Mij gezonden heeft.” En wisten ze de weg niet? Maar had Jezus dan niet gezegd: “wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven”? (11:25) In Johannes 10 noemt Jezus Zichzelf de Deur van de schaapskooi. Ze hadden het al kunnen weten. Maar toch komt dan dit prachtige antwoord in vers 6.

“Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.” Dit is de zesde keer dat Jezus zo nadrukkelijk met de uitdrukking “Ik ben” over Zichzelf spreekt. De claim van Jezus is heel duidelijk. Hij is de enige toegangsweg tot God, Hij is de waarheid over God, en Hij is het leven van God zelf. Hij is de Weg – de toegangsdeur zoals in hoofdstuk 10. Hij is de Waarheid – zoals in 1:18, “de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard.” En Hij is het Leven – “In het Woord was het leven” (1:4), Hij heeft “het leven in Zichzelf” (5:26). Niemand anders kan dat claimen. En vanwege deze woorden werden de eerste christenen de mensen van “De Weg” genoemd, omdat hun verkondiging was dat Christus de Weg is en geen ander.

De woorden van Jezus in vers 2 worden vaak misbruikt om het tegendeel te beweren van vers 6. Het Vaderhuis heeft vele woningen gaat dan betekenen, dat iedereen met welke religie dan ook aanvaardbaar zou zijn voor God, als je maar een goed leven leidt. Je komt tot dit goede leven door je verstand te gebruiken, en wanneer je een goed leven hebt gehad kan God jou de rest vergeven. Het is een mooie, aardige, aantrekkelijke, verdraagzame vorm van religie die zich hier meester maakt van een vers uit de Bijbel. Maar er staat heel duidelijk: “Niemand komt tot de Vader dan door Mij.” Als het dan al zo is, dat mensen met een andere religie toch voor God aanvaardbaar zijn – joden, moslims, boeddhisten, hindoeïsten et cetera – dan is hun toegang tot de Vader niet door iemand anders dan door Jezus. Wie tot de Vader komt, moet door de enige Deur gekomen zijn.

Niemand komt tot de Vader door het beoefenen van een religie, ook christenen niet. Onze kerkelijke instituties en rituelen zijn eerder nog hinderpalen dan hulpmiddelen. Religie betekent niets. Alleen het geloof in het vleesgeworden Woord telt. God kennen zoals Jezus Hem geopenbaard heeft: vol van genade en waarheid, vol van licht en leven; een Jezus Die kwam in nederigheid om Zijn leven af te leggen voor allen die in Hem zouden geloven. Niemand komt tot de Vader behalve over de Weg van Jezus, in het licht van de Waarheid van Jezus maar dan ook vol van het Leven van Jezus.

Naar een joodse ecclesiologie?

Kerk, Israël, Staat (26)

De benadering van Jacobus en Petrus blijft daarnaast toch om aandacht vragen. En met de voortgang van de kerkgeschiedenis lijkt het dringender te worden om ons hun zorg voor het joodse karakter van de gemeente weer eigen te maken. Er moeten een aantal harde vragen worden gesteld:

Continue reading “Naar een joodse ecclesiologie?”