Oecumene

DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN DE GEMEENTE VAN

 

TER APEL

 

1. Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus door de wil van God, en Timotheus, de broeder, aan de gemeente van God die in Ter Apel is, aan de geheiligden in Christus Jezus,
2. met allen die de naam van onze Here aanroepen: genade zij u en vrede van God, onze vader, en van de Here Jezus Christus, in de gemeenschap van de Heilige Geest.
3. Ik dank mijn God altijd voor u, vanwege de genade van God die u gegeven is in Christus Jezus.
4. U bent immers rijk in Hem, in spreken en kennis in de mate waarin het getuigenis van Christus bevestigd is onder u.
5. God zal u ook bevestigen tot het einde toe, want Hij is getrouw door Wie u geroepen bent tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Here.
6. Maar ik roep u ertoe op, broeders en zusters, door de Naam van onze Here Jezus Christus, dat u eensgezind bent in uw spreken en handelen, en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat u hecht aaneengesmeed bent, één van denken en één van gevoelen.
7. Want mij is over u bekend gemaakt, broeders en zusters, dat er scheuringen onder u zijn. Ik bedoel dit, dat sommigen van u zeggen ik ben van Calvijn, ik van Luther, ik van Benedictus en ik van Christus.
8. Is Christus dan verdeeld? Is Benedictus soms voor u gekruisigd? Of bent u dan in de naam van Calvijn gedoopt?
9. Onder u hebben velen het Evangelie verkondigd, niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus zijn inhoud niet verliest. Wie heeft u dan betoverd om de waarheid niet te gehoorzamen?
10.  U voor wie Jezus Christus gekruisigd is? Dit wil ik dan van u vernemen: hebt u de verlossing ontvangen op grond  van de werken van de wet? Of door de genade van het geloof?
11. U bent met het Evangelie begonnen, gaat u dan nu eindigen met de werken van het vlees?
12.  Broeders en zusters, ik kan u alleen maar overleveren wat ik ook ontvangen heb, dat Christus voor onze zonden gestorven is, en dat hij begraven is en op de derde dag is opgestaan, en dat hij ten hemel is gevaren en nu zijn plaats inneemt aan de rechterhand van de majesteit in de hoge.
13. Als Christus niet is opgewekt uit de doden, dan is alle prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is dan ook uw geloof.
14. Dan zijn uw voorgangers valse getuigen van God. Zij hebben namelijk van God getuigd dat Hij Christus heeft opgewekt uit de doden.
15. Ik zeg het u nog eens. Als Christus niet is opgewekt, is uw geloof zinloos. Maar dan bent u nog in uw zonden.
16. Onderzoek uzelf of u nog in het geloof staat, beproef uzelf. Weet u niet van uzelf dat Jezus Christus in u is? Want zonder geloof in Hem is het onmogelijk God te behagen.
17. Waarom is voor u het eerste onderwijs nog nodig met betrekking tot onze Heere Jezus Christus? Gaat dan voort tot de volmaaktheid, zonder opnieuw het fundament te leggen van het geloof in God en in Zijn Zoon Jezus Christus, van de rechtvaardiging door geloof en van de heiliging door de werking van Zijn Geest.
18. Verzuim dan de onderlinge bijeenkomst niet, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar spoort elkander aan.
19. Laat dan het gebed van uw hart zijn, dat Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en gefundeerd bent, zodat u de liefde van Christus zou kennen, die alle kennis te boven gaat en vervuld zou worden tot heel de volheid van God.
20. Geeft dan eer aan hen die Hij gegeven heeft om onder u te werken: pastoraal werkers en leraars, evangelisten en ouderlingen, om u toe te rusten tot het werk van dienstbetoon, tot de opbouw van het lichaam van Christus, en de eenheid van het geloof en de kennis van de Zoon van God.
21. Verdraagt elkander dan in liefde, in alle nederigheid en zachtmoedigheid, met het geduld van de Geest. Bidt voor elkander.
22. Want zo bent u geroepen: één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen en door allen en in u allen is.
23. Vrede zij u allen, en liefde met geloof, van God de Vader en van de Here Jezus Christus.
24. De genade zij met allen die onze Here Jezus Christus in waarheid liefhebben. Amen.

Die onbegrijpelijke God toch…

Vandaag heb ik zitten bladeren in een boek dat de titel draagt: “de God die ik niet begrijp.” Het is geschreven door een bijbels theoloog. Aan het begin van zijn boek legt hij uit, dat mensen van hem verwachten dat hij antwoord weet te geven op vragen zoals: waarom laat God het lijden toe in deze wereld? Waarom is er kwaad in deze wereld? Is God dan niet heilig en almachtig en goed? Het leek hem goed meteen aan het begin vast te stellen dat ook hij als theoloog de antwoorden op al deze vragen niet had.

Het blijkt verbazing op te roepen van zijn omgeving. “Maar jij hebt als theoloog toch de antwoorden paraat?”

De bijbels theoloog legt uit, dat hij de antwoorden ook niet heeft. God is ook voor hem een mysterie. Zo zitten ze aan de ontbijttafel. Met onbeantwoordbare vragen over het wezen van God, de oorsprong van het kwaad  en waarom de goede God lijden toelaat.

“Het is heel bemoedigend voor mij dat jij er ook niet uitkomt,” zegt een vriend tegen hem. Blijkbaar is hier de hoogst mogelijke troost, dat we geen van allen de antwoorden hebben.

Wij hebben uiteraard altijd sympathie voor nederigheid. Iemand die er voor uit durft te komen dat hij het ook niet weet, vinden wij een prettig mens. Dat is tenminste eerlijk. En wij hoeven ons niet te schamen wanneer we het niet weten.

Bovendien klopt het ook aardig met ons godsbegrip. Natuurlijk is God een mysterie. Zijn bestaan kan niet anders zijn dan een onbegrijpelijk geheim. Wie durft hier te beweren dat je het weet, over geheime kennis beschikt, precies weet te zeggen wat God denkt en wil?

Toch voel ik mij bij deze conversatie niet erg gelukkig. Ik heb altijd het idee gehad dat de vraag waarom God lijden toelaat, juist voortkomt uit de pretentie precies te weten wat Gods goedheid eigenlijk inhoudt. Er zit een redenering achter die zegt: God heeft de eigenschap X en eigenschap Y en daaruit volgt dat de wereld Z zou moeten zijn. Vul maar in. God is goed en God is almachtig, dus moet de wereld in overeenstemming zijn met zijn goedheid. De pretentie om te weten wat God is, maakt de wereld onbegrijpelijk. En omgekeerd, de pretentie om te weten wat kwaad en lijden precies is, maakt het bestaan van God onbegrijpelijk.

Ik geloof dat de vraag die hier met een vrome onwetendheid wordt beantwoord, zelf juist veel te veel pretenties heeft. Hoe kunnen wij weten wat Gods goedheid betekent, als Hij het ons niet zegt? Zijn wij in staat te bedenken en te begrijpen wat Gods almacht in deze wereld inhoudt? Als de naam God ook maar enige betekenis heeft, dan houdt hij voor mij in dat wij niet bij machte zijn om zelf te construeren hoe en wie en wat deze God is.

Natuurlijk erken ook ik het geheimzinnige aan God, want dat is onloochenbaar. Maar dat is voor mij niet het gevolg van de toch al vergeefse poging om uit mijzelf te bedenken hoe het in elkaar zit.

Het geheimzinnige aan God vind ik juist in de bijbel. Dat wil zeggen midden in de openbaring die mij vertelt hoe en wie en wat deze God is, krijg ik te maken met het werkelijke mysterie van God. En dat mysterie is niet het onbegrijpelijke aan gene zijde van mijn verstand. Dat zou betekenen dat er tenminste een groot aantal zaken zijn die ik wel kan begrijpen. Dat ik bij voorbeeld precies kan bepalen wat  zijn goedheid en zijn almacht inhoudt en dat alles in deze wereld toch in overeenstemming met zijn wezen zou moeten zijn. Die stellingen liggen dan binnen de limiet van mijn verstand en daarover kan ik dan met zekerheid spreken.

Ik denk dat hier een grote denkfout gemaakt wordt.

Ik denk dat het mysterieuze van God juist zichtbaar wordt in wat ons verstand tegenspreekt. Niet dat de wereld in strijd is met Gods goedheid, maar dat Gods goedheid in strijd is met ons verstand. Het bijbelse verhaal laat ons keer op keer zien dat Gods mysterie niet aan gene zijde van ons verstand ligt, maar zich voortdurend en in alle aspecten tegen ons verstand verzet.

Ook het zogenaamde onbekende of mysterieuze van God kunnen wij proberen zelf in elkaar te knutselen. En dat geeft dus dit dubbele effect: binnen het vermogen van ons verstand pretenderen we te wijten wat bijvoorbeeld de Gods goedheid en almacht betekent. En dan ligt het mysterieuze van God over ons verstand uit in het feit dat de wereld en ons godsbegrip niet met elkaar in harmonie zijn.Het is waar dat de theoloog niet zomaar alle antwoorden op de vragen kent. Maar misschien is het een van zijn belangrijkste taken om te erkennen wanneer een vraag werkelijk gesteld kan worden, en wanneer zelfs de vraag al zinloos is.

Ik denk dus dat het anders zit.