KOINONIA LIVE! #1 (2018) – Over Psalm 10 en Mattheus 6.

This entry is part 70 of 73 in the series BROADCAST

De eerste echte KOINONIA LIVE! van het nieuwe jaar. Dit keer over de “vier gedachten van de goddelozen” en de kritiek op publiek religieus gedrag in Mattheus 6:1-13.

Hebt u in uw stille tijd een bijzondere tekst in uw hart gekregen? Wilt u daar iets over vertellen? Of wilt u dat ik iets over die tekst vertel? Laat het me dan weten via raveen1956@hotmail.com, en wie weet krijgt u een plaats in KOINONIA LIVE!

Oproep aan de ballingen – Jesaja 46 – deel 8

This entry is part 35 of 73 in the series BROADCAST

Bespreking van Jesaja 46.

A. De goden van Babel zijn nutteloze voorwerpen (1-2)
B. Oproep (1) – God draagt het volk, Hij alleen (3-8)
C. Oproep (2) – Gedenk, geloof de profetie en de belofte (9-11)
D. Oproep (3) – Gerechtigheid, heil en heerlijkheid (12-13)

De dwaasheid van de afgoderij – Jesaja 44 (deel 6)

This entry is part 30 of 73 in the series BROADCAST

Bespreking van Jesaja 44.

A. De belofte van toekomstige zegen door de Geest (1-5)
B. De eeuwige God is de enige God (6-8)
C. De nutteloosheid van de afgoden (9-20)
D. God zal ook de zonden vergeven als Israël tot Hem terugkeert (21-23)
E. God roept Kores als het middel van bevrijding (24-28)

Ruth – tussen herinnering en verwachting (1)

Verslag van de Bijbelbespreking op maandag 27 maart 2017

Inleiding

De gebeurtenissen in het boek Ruth spelen zich af in de tijd van de Richters, ergens tussen 1400 en 1100 v.Chr. Omdat het boek geen naam geeft van een van de richters, moet de hongersnood hebben plaatsgevonden in een periode zonder leider in Israël. Sommigen (De joodse schrijver Flavius Josephus uit de eerste eeuw) zeggen dat het gebeurd moet zijn in de tijd van de Hogepriester Eli, die we kennen uit het begin van 1 Samuel. Het thema van dit boek is in één woord samen te vatten als Terugkeer. Het boek getuigt van Gods bijzondere voorzienigheid die op de achtergrond van het gewone leven werkzaam is. Hij leidt alles uiteindelijk naar Zijn doel.

1. Het boek Ruth in de kerk van Christus

Het boek Ruth neemt in de kerk een bescheiden plaats in. Dat komt misschien omdat het vol is van het gewone leven. Er zijn geen profeten die Gods Woord spreken. Er zijn geen wonderen en tekenen en zelfs geen dromen. We lezen niets over de tabernakel, en het vertelt niets over het handelen van God. Het gaat over het gewone, dagelijkse leven. Over de strijd van mensen en hun lijden gaat het, in een wereld waarin God heel ver weg lijkt te zijn.

Nu is de openbaring van God in dit boek wel voorondersteld. Het is een verre herinnering geworden. Op de berg Sinaï gaf de Heere God aan Zijn volk de Thora. De voorschriften van de Thora spelen wel een rol in het leven van deze gewone mensen. Maar dat was toen. Het Woord van God lag in de herinnering. In het heden echter is de Heere God zwijgzaam. Het is stil geworden. En dan is de vraag hoe we dat gewone leven moeten opvatten.

Nu ligt in de Thora ook nog de verwachting. Van de profeet bijvoorbeeld die na Mozes komen zou. De belofte van Abraham en de roeping van Israël en de komst van de Messias aan het eind van de tijden, dat alles is verwachting. Maar ook die verwachting is in het boek Ruth niet sterk aanwezig. Wel bij ons, die al weten dat uit het nageslacht van Ruth ook koning David zou komen en hij de voorvader zou zijn van de Messias Jezus. Dat alles is echter bij deze gewone mensen niet bewust aanwezig. Zo is het dan echt stil. De herinnering aan Gods openbaring is nog maar vaag; de verwachting van Gods toekomst speelt geen rol. God heeft gesproken en Hij zal ook wel weer spreken, maar in het leven van vandaag hebben we voornamelijk met onze eigen stemmen te maken.

Wij herkennen dat. Juist ook in deze tijd van Pasen. In onze kerkelijke herinnering zijn we verbonden met de dag van de opstanding. Maar dat is meestal een vaag en ver geluid. We weten dat Christus de eersteling is en de opstanding zich triomfantelijk in de toekomst herhalen zal, maar dan voor allen. Maar ook dat is geen gespannen verwachting, maar een woord dat nauwelijks tot ons doordringt. Het gewone leven lijkt de schemering te zijn tussen de dag van gisteren en de dag van morgen.

Wat we lezen we bij Ruth is dus aan de ene kant heel gewoon. Maar juist in dat gewone kunnen we het ongewone, het wonderlijke vinden. Kijk maar naar de beslissingen die mensen lijken te nemen zonder de uitkomst te kennen. De beslissing van Orpa om weer naar haar familie en haar oude God terug te keren. De beslissing van Ruth en Naomi om het te wagen in Jeruzalem. Het effect van Gods bevel om de armen te ontzien, zodat Ruth bij het arenlezen Boaz ontmoeten kan. En dan natuurlijk de trouw van Boaz aan de Wet van Mozes die uiteindelijk Ruth tot de voormoeder van David zal maken.

Dat is de les van het boek Ruth. In de stilte tussen de herinnering en de verwachting, in het gewone leven, handelen wij zonder de uitkomst te kennen. Maar wie dan probeert om trouw te zijn, om uit liefde te handelen, om het belang van anderen te zoeken, die kan worden ingevoegd in de geschiedenis die door God geleid wordt. Het gewone wordt dan het middel dat God gebruikt om het bijzondere tot stand te brengen.

Terwijl wij denken dat ons gewone leven niets voorstelt, omdat er zoveel buitengewone krachten in de wereld zijn die de aandacht in het heden voor zich opeisen. Je zou er bijna wanhopig van kunnen worden. Sommigen gaan dan inderdaad zoeken naar een manifestatie van dit buitengewone. We zoeken het spektakel, we zoeken het teken en het wonder omdat we het gewone leven niet meer kunnen verdragen. Daarom hebben we het boek Ruth nodig, om te zien hoe buitengewoon het gewone leven is, als we het leven in overeenstemming met Gods gebod en met een hart waarin liefde woont.

2. Het vertrek uit Israël – vers 1 – 5

Het boek begint echter met een ongewone beslissing. Elimelech emigreert naar Moab omdat er hongersnood is in Israël. Dat lijkt heel vanzelfsprekend. Wij kunnen ons bij die beslissing iets voorstellen. Hij wilde toch gewoon zichzelf en zijn gezin redden van de hongersnood? In de Hebreeuwse vertelkunst moet je letten op kleinigheden. Bovendien moet je proberen aan te vullen met behulp van je kennis van de geschiedenis, wat een lezer in die tijd onmiddellijk zou weten. De man vertrekt immers uit Bethlehem. Maar van alle plaatsen in Israël waar de hongersnood zou kunnen toeslaan, ligt Bethlehem het meest gunstig. De kans is groot dat deze man door de hongersnood niet in gevaar is gekomen. Zoals later zal blijken, beschikte hij daar over land. Dat land zou nog wel enige opbrengst kunnen geven. Dus waarom vertrekt hij uit Israël? Waarom blijft hij niet solidair met zijn volk om gezamenlijk de hongersnood te doorstaan? Heeft hij dan geen vertrouwen meer gehad in de zorg van de God van Israël om Zijn volk in leven te houden?

Een manier om het te lezen is, dat Elimelech uit Israël wegtrekt, omdat hij niet geneigd is om zijn rijkdom te delen met de armen. Liever rijk en zelfstandig in Moab, dan solidair en arm met het volk in Juda. Zonder dat het rechtstreeks wordt gezegd, kun je dat ook vermoeden aan het harde lot dat hen treft. Is dat niet een “bezoeken” van de Heere van de zonde van de vader aan de kinderen? Dat wil zeggen: God neemt de consequenties van het verkeerde handelen van Elimelech niet weg. (Dat is helemaal duidelijk als we de interpretatie volgen die zegt, dat Machlon en Chiljon door geweld om het leven zijn gebracht, omdat ze als “buitenlanders” door de Moabieten gehaat werden.) De man sterft, en twee zonen blijven achter met de weduwe. In plaats van vrouwen te zoeken in Israël, krijgen deze zoons op last van hun ouders twee vrouwen uit Moab. (De goede vertaling van het vierde vers moet zijn: “en zij”, dat zijn de ouders, “gaven Moabitische vrouwen aan hen”, dat zijn de zoons.) Maar ook deze twee zoons sterven. In het vijfde vers zien we dan het trieste eindresultaat: “zo bleef de vrouw achter, zonder haar twee zonen en zonder haar man.”

3. De terugkeer van Naomi – vers 6 – 10

Naomi besluit terug te keren. Ze heeft gehoord dat de hongersnood in Israël voorbij is. De Heere heeft Zijn volk brood gegeven. Zij kwamen uit het Broodhuis (Bethlehem) en nu geeft de Heere weer brood. Het gaat nu om de terugkeer. Het woord terugkeren komt maar liefst 12 keer voor in dit eerste hoofdstuk. En dat is ook het thema: de geestelijke terugkeer van Naomi naar het land maar ook naar de God van Israël.

Naomi roept ook de twee schoondochters op om terug te keren. Maar voor hen betekent dat “ieder naar het huis van haar moeder” moet terugkeren (vers 8). Zij kunnen immers opnieuw beginnen en een andere man vinden. En in eerste instantie horen we in vers 10 dat beide vrouwen van plan zijn om met Naomi terug te keren. Je kunt dan de vraag stellen waarom zij dat willen? Er zijn twee aanwijzingen. In de eerste plaats moet de verhouding tussen Naomi en haar schoondochters heel goed zijn geweest. Daarom lezen we in vers 8 over de goedertierenheid die zij “bewezen hebben aan hen die gestorven zijn, en aan mij,” dat is Naomi. In de tweede plaats is het opvallend dat Naomi de naam Heere gebruikt, tot twee keer toe. Wanneer iemand in Israël spreekt tot een buitenstaander, wordt meestal gewoon de naam “God” gebruikt, of “Schepper”. Dat Naomi hier de Naam van God kan gebruiken, Jahweh dus of Heere, moet betekenen dat beide vrouwen de godsdienst van hun schoonfamilie hebben aangenomen. De vraag is alleen hoe ver die “bekering” gegaan is.

4. Het afscheid van Orpa – vers 11 – 14

Alle overwegingen in dit gesprek tussen Naomi en haar schoondochters, berusten op overwegingen van het gewone leven. En toch zit er op de achtergrond een echo van de Wet van Mozes. In vers 11 legt Naomi uit dat het zinloos is dat de schoondochters met haar mee terugkeren. “Heb ik nog zonen in mijn lichaam, die jullie tot mannen zouden kunnen worden?” Dat duidt op het voorschrift, dat we vinden in Deuteronomium 25, over het zogenaamde Leviraatshuwelijk. Wanneer een man sterft zonder dat hij een zoon heeft gekregen, dan moet de ongetrouwde broer die vrouw tot echtgenote nemen. Dat is de “zwagerplicht.” Naomi legt uit dat het zinloos is om te wachten op de geboorte van een zoon. De schoondochters zouden dan toch moeten wachten tot zij groot geworden waren. Met andere woorden de toekomst van deze schoondochters ligt niet bij Naomi. De familieband moet dus nu wel verbroken worden.

Het is bovendien veel beter voor de schoondochters om weg te gaan, omdat het duidelijk lijkt te zijn dat de Heere deze tragische gebeurtenissen beschikt heeft. In vers 13 maakt Naomi duidelijk dat in haar beleving de Heere een oordeel heeft uitgevoerd: “de hand van de Heere is tegen mij uitgestrekt”, en in vers 20: “de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan”. En dan nog eens in vers 21: “maar de Heere heeft mij leeg laten terugkeren.” En het is werkelijk een oordeel: “nu de Heere tegen mij getuigd heeft” – als in een rechtszaak – “en de Almachtige mij kwaad gedaan heeft.”

Orpa accepteert deze voorstelling van zaken en kust haar schoonmoeder ten afscheid. Dat is voorstelbaar en begrijpelijk. Maar tegelijkertijd is dit “gewone” niet het goede. Misschioen nog wel dat zij is teruggekeerd naar haar volk, maar niet dat ze ook is teruggekeerd “naar haar goden”, zoals vers 15 zegt. De schoondochters hebben immers door het leven met hun echtgenoten de God van Israël leren kennen. De naam Heere is hun bekend. De schijnbaar gewone beslissing van Orpa is daarom eigenlijk een ongewone beslissing, een afval van het geloof. Nu het leven moeilijker wordt, heeft zij haar geloof in de God van Israël verloren.

In Moab werd vooral de God Chemosh vereerd, en daarom is het niet nodig te vertalen met “goden” in het meervoud. Blijkbaar is deze God nog steeds “haar” God. Zij heeft zich niet werkelijk in geloof tot de God van Israël bekeert, maar alleen een nieuwe naam voor haar eigen god geleerd bij haar schoonfamilie. We weten dat de God Chemosh onder verschillende namen werd vereerd, en bijvoorbeeld ook als “Baäl-Peor” bekendstond.

Ruth neemt hier een andere beslissing dan haar schoonzuster – die misschien ook haar zuster is. Zij “klampte zich aan haar vast” (vers 14). Zij omhelst haar schoonmoeder en laat niet meer los. Ze is vastbesloten. De uitdrukking “vastklampen” kunnen we begrijpen als een verweer tegen de opzet van Naomi om haar schoondochters terug te sturen naar hun familie . Maar dat zal niet gebeuren.

5. De beslissing – vers 15 – 18

Ruth verbindt nu haar leven met dat van haar schoonmoeder. Dat betekent in de eerste plaats dat ze niet zal terugkeren naar haar familie, maar deze terugreis samen met haar schoonmoeder maken zal. “Waar u heen gaat, zal ik ook gaan.” Ruth beseft dat het een lange reis zal zijn van meerdere dagen, en dat het betekent dat ze ‘s nachts in het open veld moeten verblijven: “waar u overnacht, zal ik overnachten.” Maar dan komen de woorden die niet alleen maar de relatie met de schoonmoeder bevestigen, maar ook vanuit het geloof in de God van Israël gesproken worden. Ze zegt immers: “Uw volk is mijn volk en uw God mijn God” (vers 16). Niet alleen haar persoonlijke relatie met Naomi is dus van belang hier. Ruth handelt hier uit het geloof dat ze bij haar schoonfamilie geleerd heeft.

Vers 17 maakt duidelijk hoe ver Ruth gaan wil in haar “goedertierenheid”. Tot de dood aan toe zal zij met Naomi verbonden zijn. “Waar u sterft, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden” – zelfs in de dood wil zij niet terugkeren naar haar vroegere familie. En dan eindigt ze met een eed. “Moge de Heere mij van het leven beroven of nog erger als ik niet met u zal meetrekken” is ongeveer de inhoud. We moeten goed begrijpen dat geloof in de God van Israël in deze tijd principieel ook betekent dat men zich bij Israël moet voegen. (Wie in onze tijd gelooft in Jezus Christus, is eveneens verplicht om deel te gaan uitmaken van Gods volk op aarde, dat wil zeggen een plaats binnen de gemeente van Christus in te nemen. Er bestaat niet zoiets als een christen buiten de gemeente, al zijn er christenen die in dit opzicht God ongehoorzaam zijn.)

6. De aankomst in Bethlehem – vers 18 – 22

Naomi accepteert de beslissing van Ruth – vers 18. Zo komen die beide uiteindelijk in Bethlehem aan. De mensen herkennen Naomi. Maar Naomi is blijkbaar getekend door haar verdriet en er zijn intussen meer dan 10 jaar verstreken. Vandaar dat we lezen in vers 19, dat de vrouwen zeiden: “Is dit Naomi?” Is zij het wel?

Nu vinden we opnieuw de woorden van Naomi in vers 20 en 21. Het is een grote klacht. God heeft haar “bitterheid aangedaan”, God heeft haar “leeg laten terugkeren”, zij is door God gestraft want “de Heere heeft tegen haar getuigd en haar kwaad gedaan”. Daarom wil zij liever Mara, bitterheid, genoemd worden.

Het is wel opvallend dat Naomi klaagt over haar verleden, maar met geen woord spreekt over de liefdevolle schoondochter die met haar is meegetrokken. Is zij werkelijk leeg teruggekeerd? Maar in haar bitterheid ziet ze Ruth niet meer. Misschien is dat ook wel begrijpelijk. Zij vertrok met een echtgenoot, om een nieuw leven in een ander land op te bouwen. Met alle moeilijkheden vandien. Ze kreeg zoons en schoondochters. Ze waren aan de hongersnood ontsnapt. Maar de drie mannen in haar leven zijn allen vroegtijdig gestorven. Het is zeker begrijpelijk dat zij zegt, dat zij met een leegte is teruggekeerd. Is er bij ons ook niet een leegte in het hart, als wij mensen kwijtraken die wij hebben liefgehad? Is er een grotere tragedie dan het verlies van een kind? Ook al beseft Naomi dat ze in deze tragedie niet schuldeloos is, en dat ze de consequenties heeft moeten ervaren van het trouweloze handelen tegenover God van haar en haar man, is het toch alleen maar te omschrijven als een leegte en bitterheid. Immers, de hemel zwijgt. De herinnering aan de wet van Mozes geeft haar het inzicht dat haar leven onder Gods macht gestaan heeft. De belofte van de toekomst is te ver weg om haar te troosten. En in het heden zwijgt de hemel terwijl zij zo vol zit met verdriet.

Aan het eind van het hoofdstuk horen we alleen maar dat ze in Bethlehem zijn aangekomen aan het begin van de gersteoogst. De oplettende lezer krijgt daardoor een aanwijzing. De gersteoogst is de eerste oogst in de seizoenen van Israël. Dat plaatst haar terugkeer in de tijd van Pasen. Dat is het feest van de herinnering aan de uittocht uit Egypte, en van de hoop op het nieuwe beloofde land. Op een of andere manier hebben Naomi en Ruth opnieuw een uittocht uitgevoerd. Een uittocht uit Moab om dan in Bethlehem weer in het beloofde land te zijn. Zo geeft vers 22 een subtiele aanwijzing dat het ook voor Naomi en Ruth Pasen kan zijn, dat wil zeggen een nieuw begin, een soort opstanding.

(Wordt vervolgd)