Ruth – tussen herinnering en verwachting (1)

Verslag van de Bijbelbespreking op maandag 27 maart 2017

Inleiding

De gebeurtenissen in het boek Ruth spelen zich af in de tijd van de Richters, ergens tussen 1400 en 1100 v.Chr. Omdat het boek geen naam geeft van een van de richters, moet de hongersnood hebben plaatsgevonden in een periode zonder leider in Israël. Sommigen (De joodse schrijver Flavius Josephus uit de eerste eeuw) zeggen dat het gebeurd moet zijn in de tijd van de Hogepriester Eli, die we kennen uit het begin van 1 Samuel. Het thema van dit boek is in één woord samen te vatten als Terugkeer. Het boek getuigt van Gods bijzondere voorzienigheid die op de achtergrond van het gewone leven werkzaam is. Hij leidt alles uiteindelijk naar Zijn doel.

1. Het boek Ruth in de kerk van Christus

Het boek Ruth neemt in de kerk een bescheiden plaats in. Dat komt misschien omdat het vol is van het gewone leven. Er zijn geen profeten die Gods Woord spreken. Er zijn geen wonderen en tekenen en zelfs geen dromen. We lezen niets over de tabernakel, en het vertelt niets over het handelen van God. Het gaat over het gewone, dagelijkse leven. Over de strijd van mensen en hun lijden gaat het, in een wereld waarin God heel ver weg lijkt te zijn.

Nu is de openbaring van God in dit boek wel voorondersteld. Het is een verre herinnering geworden. Op de berg Sinaï gaf de Heere God aan Zijn volk de Thora. De voorschriften van de Thora spelen wel een rol in het leven van deze gewone mensen. Maar dat was toen. Het Woord van God lag in de herinnering. In het heden echter is de Heere God zwijgzaam. Het is stil geworden. En dan is de vraag hoe we dat gewone leven moeten opvatten.

Nu ligt in de Thora ook nog de verwachting. Van de profeet bijvoorbeeld die na Mozes komen zou. De belofte van Abraham en de roeping van Israël en de komst van de Messias aan het eind van de tijden, dat alles is verwachting. Maar ook die verwachting is in het boek Ruth niet sterk aanwezig. Wel bij ons, die al weten dat uit het nageslacht van Ruth ook koning David zou komen en hij de voorvader zou zijn van de Messias Jezus. Dat alles is echter bij deze gewone mensen niet bewust aanwezig. Zo is het dan echt stil. De herinnering aan Gods openbaring is nog maar vaag; de verwachting van Gods toekomst speelt geen rol. God heeft gesproken en Hij zal ook wel weer spreken, maar in het leven van vandaag hebben we voornamelijk met onze eigen stemmen te maken.

Wij herkennen dat. Juist ook in deze tijd van Pasen. In onze kerkelijke herinnering zijn we verbonden met de dag van de opstanding. Maar dat is meestal een vaag en ver geluid. We weten dat Christus de eersteling is en de opstanding zich triomfantelijk in de toekomst herhalen zal, maar dan voor allen. Maar ook dat is geen gespannen verwachting, maar een woord dat nauwelijks tot ons doordringt. Het gewone leven lijkt de schemering te zijn tussen de dag van gisteren en de dag van morgen.

Wat we lezen we bij Ruth is dus aan de ene kant heel gewoon. Maar juist in dat gewone kunnen we het ongewone, het wonderlijke vinden. Kijk maar naar de beslissingen die mensen lijken te nemen zonder de uitkomst te kennen. De beslissing van Orpa om weer naar haar familie en haar oude God terug te keren. De beslissing van Ruth en Naomi om het te wagen in Jeruzalem. Het effect van Gods bevel om de armen te ontzien, zodat Ruth bij het arenlezen Boaz ontmoeten kan. En dan natuurlijk de trouw van Boaz aan de Wet van Mozes die uiteindelijk Ruth tot de voormoeder van David zal maken.

Dat is de les van het boek Ruth. In de stilte tussen de herinnering en de verwachting, in het gewone leven, handelen wij zonder de uitkomst te kennen. Maar wie dan probeert om trouw te zijn, om uit liefde te handelen, om het belang van anderen te zoeken, die kan worden ingevoegd in de geschiedenis die door God geleid wordt. Het gewone wordt dan het middel dat God gebruikt om het bijzondere tot stand te brengen.

Terwijl wij denken dat ons gewone leven niets voorstelt, omdat er zoveel buitengewone krachten in de wereld zijn die de aandacht in het heden voor zich opeisen. Je zou er bijna wanhopig van kunnen worden. Sommigen gaan dan inderdaad zoeken naar een manifestatie van dit buitengewone. We zoeken het spektakel, we zoeken het teken en het wonder omdat we het gewone leven niet meer kunnen verdragen. Daarom hebben we het boek Ruth nodig, om te zien hoe buitengewoon het gewone leven is, als we het leven in overeenstemming met Gods gebod en met een hart waarin liefde woont.

2. Het vertrek uit Israël – vers 1 – 5

Het boek begint echter met een ongewone beslissing. Elimelech emigreert naar Moab omdat er hongersnood is in Israël. Dat lijkt heel vanzelfsprekend. Wij kunnen ons bij die beslissing iets voorstellen. Hij wilde toch gewoon zichzelf en zijn gezin redden van de hongersnood? In de Hebreeuwse vertelkunst moet je letten op kleinigheden. Bovendien moet je proberen aan te vullen met behulp van je kennis van de geschiedenis, wat een lezer in die tijd onmiddellijk zou weten. De man vertrekt immers uit Bethlehem. Maar van alle plaatsen in Israël waar de hongersnood zou kunnen toeslaan, ligt Bethlehem het meest gunstig. De kans is groot dat deze man door de hongersnood niet in gevaar is gekomen. Zoals later zal blijken, beschikte hij daar over land. Dat land zou nog wel enige opbrengst kunnen geven. Dus waarom vertrekt hij uit Israël? Waarom blijft hij niet solidair met zijn volk om gezamenlijk de hongersnood te doorstaan? Heeft hij dan geen vertrouwen meer gehad in de zorg van de God van Israël om Zijn volk in leven te houden?

Een manier om het te lezen is, dat Elimelech uit Israël wegtrekt, omdat hij niet geneigd is om zijn rijkdom te delen met de armen. Liever rijk en zelfstandig in Moab, dan solidair en arm met het volk in Juda. Zonder dat het rechtstreeks wordt gezegd, kun je dat ook vermoeden aan het harde lot dat hen treft. Is dat niet een “bezoeken” van de Heere van de zonde van de vader aan de kinderen? Dat wil zeggen: God neemt de consequenties van het verkeerde handelen van Elimelech niet weg. (Dat is helemaal duidelijk als we de interpretatie volgen die zegt, dat Machlon en Chiljon door geweld om het leven zijn gebracht, omdat ze als “buitenlanders” door de Moabieten gehaat werden.) De man sterft, en twee zonen blijven achter met de weduwe. In plaats van vrouwen te zoeken in Israël, krijgen deze zoons op last van hun ouders twee vrouwen uit Moab. (De goede vertaling van het vierde vers moet zijn: “en zij”, dat zijn de ouders, “gaven Moabitische vrouwen aan hen”, dat zijn de zoons.) Maar ook deze twee zoons sterven. In het vijfde vers zien we dan het trieste eindresultaat: “zo bleef de vrouw achter, zonder haar twee zonen en zonder haar man.”

3. De terugkeer van Naomi – vers 6 – 10

Naomi besluit terug te keren. Ze heeft gehoord dat de hongersnood in Israël voorbij is. De Heere heeft Zijn volk brood gegeven. Zij kwamen uit het Broodhuis (Bethlehem) en nu geeft de Heere weer brood. Het gaat nu om de terugkeer. Het woord terugkeren komt maar liefst 12 keer voor in dit eerste hoofdstuk. En dat is ook het thema: de geestelijke terugkeer van Naomi naar het land maar ook naar de God van Israël.

Naomi roept ook de twee schoondochters op om terug te keren. Maar voor hen betekent dat “ieder naar het huis van haar moeder” moet terugkeren (vers 8). Zij kunnen immers opnieuw beginnen en een andere man vinden. En in eerste instantie horen we in vers 10 dat beide vrouwen van plan zijn om met Naomi terug te keren. Je kunt dan de vraag stellen waarom zij dat willen? Er zijn twee aanwijzingen. In de eerste plaats moet de verhouding tussen Naomi en haar schoondochters heel goed zijn geweest. Daarom lezen we in vers 8 over de goedertierenheid die zij “bewezen hebben aan hen die gestorven zijn, en aan mij,” dat is Naomi. In de tweede plaats is het opvallend dat Naomi de naam Heere gebruikt, tot twee keer toe. Wanneer iemand in Israël spreekt tot een buitenstaander, wordt meestal gewoon de naam “God” gebruikt, of “Schepper”. Dat Naomi hier de Naam van God kan gebruiken, Jahweh dus of Heere, moet betekenen dat beide vrouwen de godsdienst van hun schoonfamilie hebben aangenomen. De vraag is alleen hoe ver die “bekering” gegaan is.

4. Het afscheid van Orpa – vers 11 – 14

Alle overwegingen in dit gesprek tussen Naomi en haar schoondochters, berusten op overwegingen van het gewone leven. En toch zit er op de achtergrond een echo van de Wet van Mozes. In vers 11 legt Naomi uit dat het zinloos is dat de schoondochters met haar mee terugkeren. “Heb ik nog zonen in mijn lichaam, die jullie tot mannen zouden kunnen worden?” Dat duidt op het voorschrift, dat we vinden in Deuteronomium 25, over het zogenaamde Leviraatshuwelijk. Wanneer een man sterft zonder dat hij een zoon heeft gekregen, dan moet de ongetrouwde broer die vrouw tot echtgenote nemen. Dat is de “zwagerplicht.” Naomi legt uit dat het zinloos is om te wachten op de geboorte van een zoon. De schoondochters zouden dan toch moeten wachten tot zij groot geworden waren. Met andere woorden de toekomst van deze schoondochters ligt niet bij Naomi. De familieband moet dus nu wel verbroken worden.

Het is bovendien veel beter voor de schoondochters om weg te gaan, omdat het duidelijk lijkt te zijn dat de Heere deze tragische gebeurtenissen beschikt heeft. In vers 13 maakt Naomi duidelijk dat in haar beleving de Heere een oordeel heeft uitgevoerd: “de hand van de Heere is tegen mij uitgestrekt”, en in vers 20: “de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan”. En dan nog eens in vers 21: “maar de Heere heeft mij leeg laten terugkeren.” En het is werkelijk een oordeel: “nu de Heere tegen mij getuigd heeft” – als in een rechtszaak – “en de Almachtige mij kwaad gedaan heeft.”

Orpa accepteert deze voorstelling van zaken en kust haar schoonmoeder ten afscheid. Dat is voorstelbaar en begrijpelijk. Maar tegelijkertijd is dit “gewone” niet het goede. Misschioen nog wel dat zij is teruggekeerd naar haar volk, maar niet dat ze ook is teruggekeerd “naar haar goden”, zoals vers 15 zegt. De schoondochters hebben immers door het leven met hun echtgenoten de God van Israël leren kennen. De naam Heere is hun bekend. De schijnbaar gewone beslissing van Orpa is daarom eigenlijk een ongewone beslissing, een afval van het geloof. Nu het leven moeilijker wordt, heeft zij haar geloof in de God van Israël verloren.

In Moab werd vooral de God Chemosh vereerd, en daarom is het niet nodig te vertalen met “goden” in het meervoud. Blijkbaar is deze God nog steeds “haar” God. Zij heeft zich niet werkelijk in geloof tot de God van Israël bekeert, maar alleen een nieuwe naam voor haar eigen god geleerd bij haar schoonfamilie. We weten dat de God Chemosh onder verschillende namen werd vereerd, en bijvoorbeeld ook als “Baäl-Peor” bekendstond.

Ruth neemt hier een andere beslissing dan haar schoonzuster – die misschien ook haar zuster is. Zij “klampte zich aan haar vast” (vers 14). Zij omhelst haar schoonmoeder en laat niet meer los. Ze is vastbesloten. De uitdrukking “vastklampen” kunnen we begrijpen als een verweer tegen de opzet van Naomi om haar schoondochters terug te sturen naar hun familie . Maar dat zal niet gebeuren.

5. De beslissing – vers 15 – 18

Ruth verbindt nu haar leven met dat van haar schoonmoeder. Dat betekent in de eerste plaats dat ze niet zal terugkeren naar haar familie, maar deze terugreis samen met haar schoonmoeder maken zal. “Waar u heen gaat, zal ik ook gaan.” Ruth beseft dat het een lange reis zal zijn van meerdere dagen, en dat het betekent dat ze ‘s nachts in het open veld moeten verblijven: “waar u overnacht, zal ik overnachten.” Maar dan komen de woorden die niet alleen maar de relatie met de schoonmoeder bevestigen, maar ook vanuit het geloof in de God van Israël gesproken worden. Ze zegt immers: “Uw volk is mijn volk en uw God mijn God” (vers 16). Niet alleen haar persoonlijke relatie met Naomi is dus van belang hier. Ruth handelt hier uit het geloof dat ze bij haar schoonfamilie geleerd heeft.

Vers 17 maakt duidelijk hoe ver Ruth gaan wil in haar “goedertierenheid”. Tot de dood aan toe zal zij met Naomi verbonden zijn. “Waar u sterft, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden” – zelfs in de dood wil zij niet terugkeren naar haar vroegere familie. En dan eindigt ze met een eed. “Moge de Heere mij van het leven beroven of nog erger als ik niet met u zal meetrekken” is ongeveer de inhoud. We moeten goed begrijpen dat geloof in de God van Israël in deze tijd principieel ook betekent dat men zich bij Israël moet voegen. (Wie in onze tijd gelooft in Jezus Christus, is eveneens verplicht om deel te gaan uitmaken van Gods volk op aarde, dat wil zeggen een plaats binnen de gemeente van Christus in te nemen. Er bestaat niet zoiets als een christen buiten de gemeente, al zijn er christenen die in dit opzicht God ongehoorzaam zijn.)

6. De aankomst in Bethlehem – vers 18 – 22

Naomi accepteert de beslissing van Ruth – vers 18. Zo komen die beide uiteindelijk in Bethlehem aan. De mensen herkennen Naomi. Maar Naomi is blijkbaar getekend door haar verdriet en er zijn intussen meer dan 10 jaar verstreken. Vandaar dat we lezen in vers 19, dat de vrouwen zeiden: “Is dit Naomi?” Is zij het wel?

Nu vinden we opnieuw de woorden van Naomi in vers 20 en 21. Het is een grote klacht. God heeft haar “bitterheid aangedaan”, God heeft haar “leeg laten terugkeren”, zij is door God gestraft want “de Heere heeft tegen haar getuigd en haar kwaad gedaan”. Daarom wil zij liever Mara, bitterheid, genoemd worden.

Het is wel opvallend dat Naomi klaagt over haar verleden, maar met geen woord spreekt over de liefdevolle schoondochter die met haar is meegetrokken. Is zij werkelijk leeg teruggekeerd? Maar in haar bitterheid ziet ze Ruth niet meer. Misschien is dat ook wel begrijpelijk. Zij vertrok met een echtgenoot, om een nieuw leven in een ander land op te bouwen. Met alle moeilijkheden vandien. Ze kreeg zoons en schoondochters. Ze waren aan de hongersnood ontsnapt. Maar de drie mannen in haar leven zijn allen vroegtijdig gestorven. Het is zeker begrijpelijk dat zij zegt, dat zij met een leegte is teruggekeerd. Is er bij ons ook niet een leegte in het hart, als wij mensen kwijtraken die wij hebben liefgehad? Is er een grotere tragedie dan het verlies van een kind? Ook al beseft Naomi dat ze in deze tragedie niet schuldeloos is, en dat ze de consequenties heeft moeten ervaren van het trouweloze handelen tegenover God van haar en haar man, is het toch alleen maar te omschrijven als een leegte en bitterheid. Immers, de hemel zwijgt. De herinnering aan de wet van Mozes geeft haar het inzicht dat haar leven onder Gods macht gestaan heeft. De belofte van de toekomst is te ver weg om haar te troosten. En in het heden zwijgt de hemel terwijl zij zo vol zit met verdriet.

Aan het eind van het hoofdstuk horen we alleen maar dat ze in Bethlehem zijn aangekomen aan het begin van de gersteoogst. De oplettende lezer krijgt daardoor een aanwijzing. De gersteoogst is de eerste oogst in de seizoenen van Israël. Dat plaatst haar terugkeer in de tijd van Pasen. Dat is het feest van de herinnering aan de uittocht uit Egypte, en van de hoop op het nieuwe beloofde land. Op een of andere manier hebben Naomi en Ruth opnieuw een uittocht uitgevoerd. Een uittocht uit Moab om dan in Bethlehem weer in het beloofde land te zijn. Zo geeft vers 22 een subtiele aanwijzing dat het ook voor Naomi en Ruth Pasen kan zijn, dat wil zeggen een nieuw begin, een soort opstanding.

(Wordt vervolgd)

KOINONIA LIVE! #10 – Sola Scriptura en de predikant – over D.A. Carson

This entry is part 11 of 73 in the series BROADCAST

Geheel gewijd aan D.A. Carson. Zijn preek over Deuteronomium 17 geeft ons inzicht in het belang van “Sola Scriptura” voor het werk van een predikant. Dat is een opmerkelijke exegese en toepassing van de Koningswet op de praktijk van de prediking.

Hieronder de volledige video van de toespraak van Carson:

[embedyt] https://www.youtube.com/watch?v=qIb1q4ulo34[/embedyt]

Het leven van Sara (1)

This entry is part 3 of 20 in the series Bijbelbespreking

Het leven van Sara (1)

 

Verslag van de bijbelbespreking van maandag 30 januari 2017

 

Robbert Veen © 2017

De schrijver van de brief aan de Hebreeën geeft een prachtig getuigenis over Sara. Zo lezen we in hoofdstuk 11:11, “Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht ontvangen om zwanger te worden en een kind te baren, ondanks haar hoge ouderdom, omdat zij Hem getrouw heeft geacht Die het beloofd had.” De geschiedenis van Sara draait dus om deze zwangerschap op hoge leeftijd, en om haar geloof in de trouw van God en Zijn belofte.

 

Wie was Sarai?

We komen Sara voor het eerst tegen in Genesis 11, waar ze nog Sarai heet. In vers 29 lezen we eenvoudig, “de naam van Abram’s vrouw was Sarai.” Namen in de bijbel zeggen ons veel over het karakter en het leven van de personen. Een van de belangrijkste naamswijzigingen is de verandering Jacob (bedrieger) tot Israël (hij die met God gevochten heeft). En steeds werkt het zo: de eerste naam zegt iets over het karakter van de persoon of de hoop die de ouders hebben gekoesterd; de tweede naam zegt iets over de belofte van God in iemands leven. Beloften van God doen iets in ons leven en vormen ons karakter. Jacob wordt gevormd door de ervaringen in zijn leven zodat zijn nieuwe naam naar de belofte van God verwijst maar ook een aanduiding is van een verandering in zijn karakter.

Zo werkt het ook bij Abraham en Sara. Abram is de naam die Terach gegeven heeft aan zijn oudste zoon. Daarbij heeft hij aan zichzelf gedacht, en wilde dat zijn karakter zou overgaan in zijn zoon. Abram (Av = vader; ram = sterk) betekent dus sterke vader. Maar een zoon die in de voetsporen treedt van zijn vader, die zo graag een sterke en roemrijke vader wilde zijn, kan door God niet worden gebruikt. Daarom lezen we in Genesis 17:5, dat God Zelf een andere weg inslaat: “U zult niet meer Abram heten, maar uw naam zal Abraham zijn, (Av = vader; raham = menigte dus:) want Ik zal u vader van een menigte van volken maken.” Dan gaat het nu om Gods belofte van een nageslacht voor Abraham, en niet over de fantasieën van Terach over zijn zoon. Maar dan zien we ook het karakter van Abraham wordt gevormd door de vele ervaringen in zijn leven.

Datzelfde gebeurt met Sarai (sara=prinses; ie = mijn, dus: mijn prinsesje). Eerst is zij het lievelingetje van haar vader, en krijgt ze een koosnaampje dat door haar man wordt overgenomen. Abraham is trouwens negen jaar ouder dan zijn vrouw. Maar wanneer Gods aankondigt dat zij aan Abraham een kind zal baren, verandert ook haar naam: “Verder zei God tegen Abraham: U moet uw vrouw Sarai niet meer Sarai noemen, maar haar naam zal Sara zijn.” Het koosnaampje wordt tot een echte naam. Zij is nu de Prinses uit wie “koningen van volkeren” zullen voortkomen. Daar moet Abraham nogal om lachen, omdat Sara intussen 90 jaar oud is (Gen. 17:17).

Verder was Sara een halfzuster van Abraham. Zij hadden dezelfde vader, namelijk Terach, maar een andere moeder. Dat zegt Abraham dan ook tegen de koning van Gerar, Abimelech, in Genesis 20: “zij is ook echt mijn zuster. Zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder, en zij is mij tot vrouw geworden (vers 12). Een huwelijk met een halfzuster was in deze tijd blijkbaar nog mogelijk.

Tenslotte horen we in deze geschiedenis steeds weer dat Sarai – dus voordat ze 90 jaar is en Sara gaat heten – een mooie vrouw geweest moest zijn. Abraham zegt het tegen haar als ze naar Egypte trekken: “Zie toch, ik weet dat je een vrouw bent die knap is om te zien” (12:11). De Egyptenaren die haar zien, leggen er nog een schepje bovenop: “en het gebeurde… dat de Egyptenaren de vrouw zagen dat ze bijzonder knap was” (vers 14).

Sarai is dus de halfzuster van Abram, en ze is bijzonder knap en het lievelingetje eerst van haar vader en dan van haar man die negen jaar ouder is.

 

De belofte van het nageslacht

In het leven van Sara draait alles de om de vraag hoe God de belofte van nageslacht zal waar maken. Al meteen in Genesis 11 lezen we: “Sarai nu was onvruchtbaar; zij had geen kind” (vers 30). Toch heeft God een belofte gegeven van nageslacht. Al meteen in hoofdstuk 12: “Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken et cetera. Daarom kan Abram  niet anders dan klagen tegen God wanneer vele jaren later Sarai nog steeds kinderloos is. In Genesis 15 spreekt God tegen Abram : “Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot” (vers 1). Abram antwoord op een nogal verstorende toon: “Heere Heere, wat zult U mij dan geven, aangezien hij kinderloos heenga?” – “Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen nageslacht gegeven” (vers ). En dan spreekt God opnieuw een belofte uit namelijk: “iemand die uit uw eigen lichaam voortkomt, die zal uw erfgenaam zijn” (15:4).

 

Op dat moment zegt God nogniet, dat de moeder van dat kind Sarai zal zijn. Nu heeft Abram deze woorden ongetwijfeld aan zijn vrouw doorgegeven. Hoe heeft zij die woorden begrepen? En daarmee stappen we hoofdstuk 16 binnen. Daar zullen we wat nauwkeuriger naar kijken.

Net voordat hoofdstuk 16 begint, hebben we opnieuw kunnen lezen over de belofte van God aan Abraham en over het verbond dat Hij met hen gesloten heeft. Nu is het de belofte van het land: “Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven.” Een wonderlijke belofte omdat in de eerste plaats het land gevuld is met 10 verschillende volkeren, en in de tweede plaats omdat Sarai nog steeds onvruchtbaar is. Maar nu zien we een bijzonder karaktertrekje van Sarai naar voren komen. Zij heeft heel lang geduld gehad en ongetwijfeld gehoopt dat de Heere haar spoedig een kind zou schenken. Abram zal er ook steeds op hebben aangedrongen om rustig af te wachten. Zijn vertrouwen in God was nog steeds heel groot, zoals we ook lezen in hoofdstuk 15:6 na de herhaling van de belofte van een nakomeling, “En hij geloofde in de Heere, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.”

Bij zijn vrouw is echter het geduld op. Sarai neem nu het initiatief. In de eerste plaats doet zij een uitspraak waaruit blijkt dat zij er geen vertrouwen meer in heeft: “Zie toch, de Heere heeft mijn baarmoeder gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen.” Tussen haakjes, in de bijbel beschikt God over drie sleutels: de sleutel van het dodenrijk, de sleutel van de hemel – Hij beschikt over de regen – en de sleutel van de baarmoeder. Met deze uitspraak sluit Sarai de tijd van het geloof in Gods belofte eigenlijk af. Maar nu had de Heere ook alleen maar gezegd tegen Abram dat hij een nakomeling zou krijgen. Over Sarai was toen niet gesproken. Hier zien we dus hoe Sarai die woorden geïnterpreteerd heeft. Niet als een aanwijzing om nog langer geduld te hebben, maar als een aanwijzing om zelf een andere weg te bedenken.

Sarai kan nu gebruik gaan maken van de instituties van het huwelijk die in deze tijd van kracht waren. Een man, en zeker een stamvader zoals Abraham, heerste over een groep mensen met verschillende status. Hij zelf en zijn eerste vrouw stonden bovenaan, dan waren er de bijvrouwen en hun slavinnen; dan ook de slaven en de vrijwillige knechten die zich soms ook met hun gezinnen bij de stamoudste hadden aangesloten. Een dergelijke groep nomaden beschikte dan ook nog over kudden kamelen, ezels, schapen en soms ook runderen. Daarmee trokken ze van weideplaats naar weideplaats.

In Egypte was er een levendige handel in slaven, waarbij je niet moet denken aan de Amerikaanse negerslaaf. De slaven stonden weliswaar onder gezag, maar werden niet geketend en werden goed behandeld. Wanneer ze getrouwd waren en zelf een gezin hadden, mochten ze vaak met een deel van de kudde vertrekken en dan waren ze geheel en al vrij. Het polygame huwelijk van Abraham – die uiteindelijk meerdere vrouwen zou hebben – was in die tijd ook een vorm van bescherming. De vrouw stond eerst onder de hoede van haar vader, en daarna onder de hoede van een man. Dat betekende lang niet altijd dat er ook een seksuele relatie bij te pas kwam.

Tussen haakjes, hoeveel zonen had Abraham? Ik heb lange tijd gedacht dat dat liedje, over vader Abraham met de zeven zonen, niet klopte met de bijbel. Tot ik las in Genesis 25, dat Abraham nog weer getrouwd was met een vrouw die Ketura heette, dat was het tweede huwelijk van Abraham. En dan in het tweede vers vinden we zes kinderen: Zimra, Joksan, Medan, Midian, Jisbak zijn dan de vijf zonen, en Suah is dan de dochter. Izaak en Ishmaël erbij opgeteld en dan kom je op zeven. Overigens zegt vers 6 van datzelfde hoofdstuk, dat Abraham ook nog andere bijvrouwen had die hij wegstuurde met geschenken. Uiteindelijk weten we dus niet precies hoeveel kinderen en hoeveel (bij)vrouwen Abraham gehad heeft.

Sarai nu heeft een Egyptische slavin. We lezen in hoofdstuk 12:16 dat hij deze cadeau heeft gekregen van de Farao: “Omwille van haar deed hij goed aan Abram, zodat hij kleinvee, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen kreeg.” Een van deze slavinnen was Hagar. De uitdrukking “zij had een Egyptische slavin” suggereert dat deze slavin de persoonlijke zorg voor Sarai als taak had. In vers 2 spreekt Sarai ook van “mijn slavin.” Sarai wil nu deze slavin de status van bijvrouw geven. Als Hagar daarmee zou instemmen betekende dat voor haar een grote verhoging van status, en een blijvende plaats in het gezin van Abram. Maar het betekende ook dat een eventueel kind van haar en Abram zou gelden als een kind van de hoofdvrouw, dus een kind van Sarai zou zijn. Wanneer Hagar bij deze gemeenschap zou blijven, zou ze echter in volle zin ook de moeder van haar kind kunnen zijn. Dat kind had dan twee moeders.

Dat is de achtergrond van het verzoek van Sarai aan haar man. “Kom toch bij mijn slavin; misschien zal ik uit haar nageslacht krijgen.” Hiermee zegt ze nog alleen maar, dat Abram bij een slavin een kind kan verwekken. Dat zou echter betekenen dat de zoon of dochter die dan geboren wordt, zelf ook een slaaf of slavin is. Misschien heeft Sarai dat zelf overwogen en is dat de reden van wat we lezen aan het einde van vers 3. Daar lezen we immers dat Sarai haar slavin – opnieuw “haar” wat een bijzondere plaats suggereert – aan haar man geeft, als vrouw voor hem. Zij geeft haar dus niet als slavin, maar als vrouw, zodat Hagar de status van een bijvrouw krijgt. Vandaar ook de uitdrukking in vers 4, dat Abram “kwam bij Hagar”, wat alleen maar voorstelbaar is als Hagar een eigen tent heeft, waarop zij als vrouw nu recht heeft gekregen. (Ik denk dat je Genesis 18:6 dus zo moet begrijpen, dat Abraham naar de tent van Sara holt. En dat hij in vers één van hoofdstuk 18 dus bij de ingang van zijn eigen tent zit.)

Hoe zit het nu met Abram? We vinden dan dat mooie zinnetje aan het einde van vers 2. “En Abram luisterde naar de stem van Sarai.” De sterke vader luistert naar de stem van het prinsesje. Waarom staat er nu niet dat hij luisterde naar de woorden van zijn vrouw? Of gewoon eenvoudig, dat hij luisterde naar Sarai? Een lezer van Genesis heeft intussen begrepen, dat de uitdrukking “luisteren naar de stem”, en “luisteren naar de woorden” niet helemaal hetzelfde betekenen.

Waar kwamen we deze uitdrukking toch eerder tegen? In de eerste plaats lezen we die uitdrukking bij Adam en Eva. In Genesis 3:8 staat te lezen: “En zij hoorden de stem van de Here God… Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich…” Hier hebben Adam en Eva dus geen woorden verstaan, maar een stem gehoord. Die stem betekende de presentie van de Heere, ook zonder dat Zijn woorden begrepen konden worden. Het was genoeg voor Adam en zijn vrouw om zich te verbergen. Maar dan lezen we diezelfde uitdrukking ook in de woorden van God tegen Adam in vers 17 van dat hoofdstuk. “En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw et cetera.” Adam en Eva horen de stem van God zonder woorden te verstaan; Adam luistert naar de stem van zijn vrouw, dat wil zeggen hij is zich vooral bewust geweest van degene die spreekt, en wat zij voor hem betekent. De spreker is belangrijker dan de woorden, wanneer we luisteren naar de stem.

Abram heeft zich in Genesis 16 niet goed afgevraagd wat de gevolgen zouden zijn van de wens van Sarai. Hij heeft die woorden niet overwogen en zijn verantwoordelijkheid niet genomen. Evenmin als Adam. Hij had moeten zeggen dat het nodig was om geduld te oefenen. Hij had haar nog eens moeten vertellen over de sluiting van het verbond – beschreven in hoofdstuk 15 – en hij had moeten proberen om zijn eigen krachtige vertrouwen op zijn vrouw over te brengen. Zodat ook zij kon geloven in de Heere, zodat de Heere God ook haar dat tot gerechtigheid kon rekenen. Maar Abram kan blijkbaar niet tegen haar op. Hij is zijn leven lang gewend om zijn prinsesje alles te gunnen wat maar mogelijk is, en wellicht voelt hij zich nog schuldig over die moeizame episode in Egypte hoe het ook zij, hij luistert naar de stem. Dat wil zeggen hij luistert naar het dringende pleidooi, en de stevige zekerheid waarmee Sarai haar verzoek heeft ingekleed. Haar woorden zijn: kom toch. Dat is een verzoek, met het beleefde woordje “toch” erbij. Maar Abram let op de klank van haar stem, de toon van haar verzoek en op de lichaamstaal van haar gelaat. Hij weet dat hij geen keuze heeft dan zijn vrouw te gehoorzamen. (Tenzij hij in een felle strijd gewikkeld wil zijn.)

 

De gevolgen van de keuze van Sarai

Hagar wordt zwanger. En nu ziet de bijvrouw van Abram haar status nog verder stijgen. Als bijvrouw staat ze lager dan Sarai; maar als de moeder van de kinderen van Abram staat ze hoger dan de onvruchtbare hoofdvrouw. De uitdrukking “verachtelijk” betekent dat Hagar nu minachting voelt voor haar “meesteres” in plaats van respect, en dat blijkbaar ook toont. Het is Sarai in ieder geval niet ontgaan.

Sarai vertoont nu een heftige reactie. In de eerste plaats legt ze de verantwoordelijkheid van dit alles bij Abram. “Het onrecht aan mij (ligt) bij jou.” Zij is blijkbaar van mening dat Abram Hagar niet als slavin heeft behandeld, en teveel als bijvrouw heeft gezien. Maar is dit de schuld van Abram wel?  In de woorden van Sarai legt zij opnieuw de nadruk op de oorspronkelijke status van Hagar. “Ik heb jou zelf mijn slavin in je schoot gegeven” (vers 5). Ik heb gegeven – en uitsluitend in je schoot, dus om nageslacht te verwekken – en het is mijn slavin. Maar dat is geen correcte weergave van de feiten. In de eerste plaats, heeft ze inderdaad gegeven, maar als bijvrouw. Dat wil zeggen dat de verantwoordelijkheid voor Hagar nu geheel en al bij Abram berust. Tussen haar en Abram was nu een andere relatie ontstaan. Hagar is niet langer een slavin waarover Sarai kan beschikken en dat is ze ook voor Abram niet. In de tweede plaats is het wel het motief van Sarai geweest, om “uit haar nageslacht te krijgen”, maar dat bepaalt niet de status van Hagar. Sarai had daarbij een zelfzuchtig doel, namelijk te verhinderen dat de erfgenaam als een kind van een slavin kon worden gezien. Zij kan dus niet volhouden dat ze Hagar alleen maar “in de schoot van Abram” heeft gegeven. De derde fout is dus simpelweg deze, dat zij Hagar nog steeds als slavin wil zien en behandelen.

Opnieuw luistert Abram niet zozeer naar de woorden, maar naar de stem van Sarai. Hij begrijpt heel goed hoe zwaar de vernedering voor Sarai geldt, en de felle uitspraak aan het eind van vers 5 laat hem blijkbaar niet onberoerd. “Laat de Heere oordelen tussen mij en jou.” De vernedering van de slavin wordt gezien als de zonde van Abram tegen zijn vrouw. Abram volgt nu opnieuw de manier van denken van Sarai. “Zie, jouw slavin (!), is in jouw macht.” Hij had moeten zeggen: “zie, zij is mijn bijvrouw en dus in mijn macht.” Vervolgens zegt hij: “Doe met haar wat goed is in jouw ogen.” Hij had moeten zeggen: “ik zal met haar spreken om dit recht te zetten.” In ieder geval had hij moeten doen wat goed was in zijn ogen. En dan de oplossing van Sarai: “Toen vernederde Sarai haar, zodat zij bij haar wegvluchtte.” Zij neemt wraak. Dat wil zeggen, Hagar wordt opnieuw behandeld als slavin en blijkbaar in het openbaar, en de trotse Hagar – die terecht meende dat zij nu als een bijvrouw moest worden behandeld – weet geen andere oplossing meer dan weg te vluchten. Overigens, die vlucht was niet het doel van Sarai, maar een onverwacht gevolg. We hebben de gevolgen van onze daden lang niet altijd in de hand, meestal niet.

Als Abram en Sarai – of wij in ons leven – op een dergelijke chaotische manier omgaan met Gods belofte, als wij in ons leven allerlei schijnbaar verstandige beslissingen hebben genomen buiten God om, en als wij dan moeten vaststellen dat alles anders is afgelopen dan bedoeld, wat dan? Ga maar na. Sarai wil Gods belofte laten uitkomen door zelf nageslacht te regelen bij haar slavin. Dat berust op haar eigenzinnige interpretatie van die belofte en op haar eigen ongeduld. Dat berust op haar idee dat zij immers toch onvruchtbaar is een God daar niets aan doen zal. Dus neemt ze het heft in eigen hand. Maar ze heeft geen rekening gehouden met het karakter van die slavin, noch met de gevolgen van de status die deze slavin als bijvrouw heeft gekregen, noch met haar eigen gekrenkte trots waardoor ze zo boos werd op Abram en wraakzuchtig werd, waardoor ze haar slavin zo diep moest vernederen dat deze moest vluchten. Opnieuw een misrekening. Ze kent God niet, ze kent haar slavin niet en ze beheerst de omstandigheden niet en tenslotte: ze kent ook zichzelf niet. Blijkbaar kunnen wij mensen maar een heel klein beetje van de gevolgen van onze daden overzien. Vooral als er andere mensen met andere gevoelens en voornemens bij betrokken zijn. En we hebben een zeer beperkte kennis van andere mensen en onszelf.

Wat dan? Dat is nu de vraag. En het antwoord is het optreden van de Engel van de Heere. Dat is de Engel van het Verbond. Het is nu de bedoeling om via Hagar een oplossing tot stand te brengen. Hagar krijgt de opdracht om terug te keren en zich aan het gezag van haar meesteres te onderwerpen. Letterlijk staat er: “verneder u onder haar handen.” Dat is eigenlijk onrechtvaardig. Maar de Heere rekent er hier blijkbaar mee, dat deze meesteres niet op andere gedachten kan worden gebracht, en zeker niet door Abram nog kan worden beïnvloed. Hagar is dus de sleutel om deze chaos weer opnieuw te onderwerpen aan Gods bedoelingen en belofte. Dat is wel bijzonder, dat je soms in het leven niet rechtvaardig wordt behandeld maar dat God het toelaat omdat dat Zijn doel dient. En dat van jou gevraagd wordt om je in dat onrecht te schikken. Zo gaat dat hier met Hagar.

Dan geeft de Engel van de Heere aan Hagar de nauwkeurige belofte van het karakter van haar zoon Ismaël. Zijn naam betekent: God hoort. Maar het karakter van deze Ismaël, de stamvader van de Arabieren, is niet erg prettig. Hij is een wilde ezel, zijn hand is tegen allen, en hij zal wonen tegenover al zijn broeders – dus in voortdurende vijandschap. Kan deze wilde ezel worden beteugeld door hem bij zijn vader Abram te laten opgroeien?  Kan hij de nakomeling zijn die God aan Abram beloofd heeft? Dat wordt natuurlijk doorkruist met de geboorte van Izaak. Maar er gaat nog iets mis, want de poging om hem nu bij de familie van Abram te laten blijven, zal later mislukken en dan is het God Zelf die opdracht geeft om Hagar en Ismaël weg te sturen. (Je ziet dat trouwens heel mooi in het verschil tussen het optreden van de Engel van de Heere in Genesis 16 en dan bij het wegsturen van  Ismaël in Genesis 21 lezen we over de Engel van God – in vers 17. De Engel van de Heere is de Engel van het Verbond; de Engel van God is de Engel die beschikt over de hele mensheid ook buiten het Verbond. Over die verdrijving van Ismaël en de rol van Sarah daarbij spreken we de volgende keer.

 

Tot besluit

Het geloof van Sarai in de belofte van God, is gaan wankelen. Zij doet, wat velen van ons ook wel eens doen, namelijk op eigen kracht en met een eigen visie op de toekomst, voor onszelf te leven. Alsof wij voor onszelf moeten leven en van onszelf zijn. Maar wij zijn toch het eigendom van de Heere Jezus? Hij mag toch beschikken over ons bestaan? Zelfs als dat betekent dat een eindeloos geduld van ons gevraagd wordt?

De pogingen van Sarai om met natuurlijke middelen af te dwingen, wat God in Zijn beloften vrijelijk geven kan – omdat je meer acht slaat op wat je zelf denkt dat onmogelijk is – leiden dan ook altijd tot een chaos. Als het nageslacht van Abram uit Hagar had moeten voortkomen, dan had Sarai vanwege haar eigen trots dat al meteen weer onmogelijk gemaakt.

Wat voor karakter heeft nu deze vrouw? Het is zeker een sterke vrouw te noemen, vooral in de omgang met haar man. Zij laat hem goed weten wat zij denkt. En Abram luistert naar haar stem, naar de stem van deze krachtige persoonlijkheid. Maar tegelijkertijd heeft zij een kwetsbare plek, en dat is haar trots. Haar gekrenkte trots is op een bepaald moment belangrijker dan het bereiken van haar doel. De houding van Hagar is voor haar zo onverdraaglijk, dat ze het risico neemt dat haar slavin wegvlucht en de toekomst dus ook voor haar, dat is Sarai, wordt afgesneden.

Misschien is het wel zo, dat elke keer wanneer wij met een halfslachtige geloof berekeningen maken over wat goed is in onze ogen, de Heere een Engel moet sturen om de geschiedenis weer recht te zetten.

De volgende keer zullen wij spreken over de aankondiging van de geboorte van Izaak vanaf hoofdstuk 17:15.

Bijbelbespreking: waarom de kinderdoop?

This entry is part 2 of 20 in the series Bijbelbespreking

Een levendige discussie op de bijbelbespreking van woensdag 4 januari 2017. Waarom de kinderdoop? Zondag 25 van de Catechismus maakt immers duidelijk dat de rechtvaardiging berust op een levendmakend geloof, dat een gave is van de Heilige Geest. Het sacrament van de doop is daarvan het zichtbare teken – namelijk van de toezegging van God om vergeving van zonden te schenken.
Wie deze toezegging en belofte benadrukt komt dan ook uit bij vraag 74: Zal men ook jonge kinderen dopen? Het antwoord is dan JA, omdat deze toezegging ook jonge kinderen geldt. Wie echter benadrukt dat de persoonlijke geloofsbeslissing de conditie is van de doop, zal alleen de volwassendoop overwegen. De vraag is, of we vanuit onze Calvinistische traditie daarin kunnen meegaan – om dus alleen de volwassendoop te accepteren – omdat daarin de eigen werkzaamheid van de mens tezeer wordt benadrukt en de overmacht van God in bekering en geloof uit het zicht raakt.