De genezing van de maanzieke jongen en het ongeloof van de discipelen

This entry is part 1 of 9 in the series Exegese

De preek van aanstaande zondag 19 februari gaat over “Sola Fide”. Als ondersteunende tekst koos ik voor Matteus 17:14-21. In deze video geef ik de exegese daarvan met het oog op die preek, die as. maandag D.V. zal worden gepubliceerd.

[embedyt] http://www.youtube.com/watch?v=hdcoCWlZTdw[/embedyt]

Johannes (24) – Genade afgewezen

Joh. 5:10-18

We komen nu aan het meest dramatische deel van het verhaal over de verlamde in Bethesda. We hebben al gesproken over het merkwaardige bijgeloof van de menigte zieken in Bethesda. Als vers 4 tot de oorspronkelijke tekst behoort, dan zou het gaan om een engel die van tijd tot tijd neerdaalde in het badwater. De beste handschriften waarover wij beschikken laten dat vers echter weg. Het is mogelijk dat een kopiist van de bijbel dit vers heeft toegevoegd in de marge om het verhaal begrijpelijk te maken voor zijn tijdgenoten. En latere kopiisten hebben deze aantekening in de marge toen opgenomen in onze tekst. Dat maakt wel enig verschil, namelijk op twee punten. In de eerste plaats vertelt vers 4 dat het om een engel zou gaan die het badwater in beweging brengt. De zieke man zegt daar niets over in vers 7, dus dat kan een toevoeging zijn. In de tweede plaats zegt vers 4 dat alleen de eerste die in het water afdaalt gezond werd. De zieke zegt in vers 7 alleen maar dat een ander vóór hem zal afdalen, met de suggestie dat hij te traag is om het water te bereiken binnen enige tijd. Ook als het een toevoeging is van een kopiist, kunnen we ons de situatie best zo voorstellen. De toevoeging is zo gek nog niet.

Welk bijgeloof hier ook aanwezig was, de geboden van Jezus zijn duidelijk. Sta op, neem je ligmat op en ga lopen. Hij wil een discussie uitlokken met de farizeeën over de strekking van de sabbat. De Joden zien het wonder niet, hebben geen belang bij de genezing, maar zien wel de overtreding van hun sabbatregel. Dat is de situatie in vers 9. Nu moeten we zien hoe dit verhaal verder gaat.

De discussie met de farizeeën die Jezus wilde uitlokken, vindt niet plaats. Blijkbaar wordt er gewacht tot Jezus de badplaats heeft verlaten, en alleen de genezene wordt aangesproken. Met volle autoriteit wordt tegen hem gezegd, dat het hem niet geoorloofd is de ligmat te dragen. We hebben al gezien dat dat een rabbijns voorschrift is, want het Oude Testament verbood alleen maar het normale werk op de sabbat, en verbood om die reden het dragen van goederen van de ene ruimte naar de andere, omdat dat handel uitsloot, of althans voorbereiding op de handel. Wel zien we iets heel bijzonders in het gedrag van deze man. Wanneer de rabbijnen tegen hem zeggen, dat het niet geoorloofd is om de ligmat te dragen op de sabbat, geeft hij de schuld aan Jezus. Hij verwijst ook nog een keer naar het wonderlijke feit dat hij gezond geworden is. Met deze dubbele strategie weert hij de aanklacht af dat hij de sabbat zou hebben geschonden. Hij noemt eerst Jezus, “Die mij gezond gemaakt heeft.” Op dat punt zouden de farizeeën moeten weten dat hier iemand heeft gesproken met Messiaanse gezag. De macht over de ziekte is het bewijs van het gezag over de wet, omdat het een bewijs levert van de status van Jezus. Alleen de Messias kan op het gezag van zijn woord zieken genezen. Blijkbaar is dat wel in de gedachte van de genezene geweest. Daarom citeert hij vervolgens de woorden van Jezus: “Die heeft tegen mij gezegd: ‘Neem uw ligmat op en ga lopen.'” Kortom, hij zegt tegen de farizeeën, dat de Messias Jezus die hem gezond gemaakt heeft, hem de opdracht heeft gegeven om zijn ligbed te dragen. De farizeeën moeten in ieder geval begrepen hebben, dat Jezus dus opzettelijk een rabbijns voorschrift heeft laten overtreden. Maar ook dat Hij tegelijkertijd het bewijs van Zijn gezag over de wet heeft gegeven door de man te genezen.

Onmiddellijk beginnen de farizeeën een onderzoek. Ze vragen aan de genezene wie die mens is, die het bevel heeft gegeven om rond te lopen met de ligmat. Ze krijgen daarop geen antwoord, de genezene weet niet wie het was en kan Hem ook niet aanwijzen. Jezus heeft zich “ongemerkt verwijderd” en de reden wordt meteen gegeven. Er is een grote menigte op die plaats aanwezig, en dan mogen we aannemen dat Hij geen publieke confrontatie over deze kwestie wilde. Geen opstootje. Dat is dus de situatie. De man is genezen, de farizeeën zijn woedend over de overtreding van de sabbatregels, en ze zijn een formeel onderzoek begonnen. We horen niet dat de man Jezus verdedigt, zoals in het geval van de genezing van de blindgeborene. Het zal later blijken dat dat heel belangrijk is.

Dan vinden we vervolgens de man in de tempel. Dat lijkt wel een bewijs van de vroomheid van deze man, als hij vanwege zijn wonderbare genezing onmiddellijk een offer in de tempel heeft willen brengen. Het heeft er tot nu toe alle schijn van, dat deze man zijn genezing aan de Messias toeschrijft, Zijn gezag erkend heeft, en zich aan de wet van Mozes wil houden. Maar dan komt Jezus hem tegen in de tempel. “Zie,” zegt Hij, “U bent gezond geworden, zondig niet meer opdat u niet iets ergers overkomt.” Wat betekent dat?

Er zijn twee mogelijkheden. Het kan zijn dat Jezus met deze zonde de oorzaak van de verlamming aanduidt. We weten uit de geschiedenis van de blindgeborene, dat Jezus het vooroordeel van de farizeeën tegenspreekt dat ziekten of misvormingen aan het lichaam altijd als een straf voor de zonde beschouwd moeten worden. Wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders? Dat zeggen de farizeeën immers tegen Jezus. Voor de farizeeën stond het vast dat de ziekte van deze man, die 38 jaar lang niet kon lopen, aan een of andere zonde moest worden toegeschreven. Het is misschien juist om die reden dat ze hem letterlijk links laten liggen. Met een zondaar wil je immers niets te maken hebben. Het zou ook nog kunnen, dat ze het morele gezag van Jezus in twijfel trekken, omdat Hij als het ware Gods straf tegenwerkt. Door de verlamde te genezen, onderbreekt Hij  de levenslange straf die God hem voor zijn zonden heeft laten dragen. Maar betekent dat nu dat er geen ziekte is als een gevolg van zonde? Er is toch zeker ook ziekte die een gevolg is van een verkeerde levensstijl, dan maak ik mijzelf ziek. Maar er is ook ziekte die God iemand te dragen geeft om Zijn doel te bereiken, zoals bijvoorbeeld de “doorn in het vlees” die Paulus te dragen had. Misschien wel een zware hoofdpijn of andere lichamelijke, chronische klachten. Paulus zelf omschrijft het als” een engel van de satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen.” En bij die gelegenheid, toen Paulus bad dat deze kwaal van hem zou worden weggenomen, kreeg hij te horen: “Mijn genade is voor u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” Maar er is ook ziekte die voortkomt uit een verkeerde verhouding tot God. “Wie op onwaardige wijze het avondmaal gebruikt,” zegt Paulus, en “het lichaam van de Heere niet onderscheidt” – niet als heilige maaltijd van de gedachtenis benadert – kan dat ervaren. Daarom zegt Paulus: “zijn er onder u veel zwakken en zieken, en velen zijn ontslapen.” (1 Kor. 11:30) Geestelijke gezondheid, ook in samenhang met lichamelijke kwalen, heeft wel degelijk te maken met onze, laat ik zeggen religieuze gezondheid.

Betekent dat dan, dat elke ziekte een aanwijsbare religieuze oorzaak zou moeten hebben? Een straf van God is? Juist in het gesprek over de blindgeborene maakt Jezus duidelijk dat dat in het geheel niet het geval is. We weten tegenwoordig wel heel goed, dat elke lichamelijke ziekte ook een psychologische component heeft. Het is evenzeer waar dat elke psychologische toestand een religieuze component heeft. God gebruikt in het leven van een christen allerlei instrumenten om iemand naar Zijn doel te brengen. Zwakte en ziekte kunnen middelen zijn die God gebruikt om de religieuze gezondheid van iemand uiteindelijk te bevorderen. Iemand te herinneren aan Zijn aanwezigheid, iemand gelegenheid te geven om in relatieve rust over het eigen leven na te gaan denken, de eventueel verbroken of verminderde relatie met God weer te herstellen. Daaruit volgt voor ons als simpele vuistregel, dat we bij elke ziekte mogen aannemen dat er ook een goede kant aan zit. Minstens dat God bereid is om ons te troosten, zelfs wanneer wij door eigen schuld onze gezondheid hebben geschaad. Maar de simpele rekensom van de farizeeën, dat elke kwaal een directe straf van God is, vergeet dat deze schepping bedorven is, en dat gelovigen net als alle andere mensen gevoelig zijn voor lichamelijke zwakten en kwalen, slachtoffer kunnen worden van epidemieën en verkeerde medische behandelingen. Ziekte kán door God worden gebruikt, maar dat wil niet zeggen dat Hij ons die ziekte laat overkomen. Hij laat toe, maar veroorzaakt niet. De grootste ketterij op dat punt in onze tijd, is de leer van Christian Science, die zegt dat elke ziekte door een demon wordt veroorzaakt, en demonen alleen toegang tot ons krijgen door een verkeerde geestelijke instelling. Dan zijn we rechtstreeks verantwoordelijk voor alles wat ons overkomt.

In dit bijzondere geval, heeft de verlamming van deze man wel iets te maken met zonde. Zondig niet meer, zegt Jezus. En Hij kan daarmee gezegd hebben: Keer niet terug naar je oude levenswandel. Niet omdat God dan opnieuw zou “straffen” met verlamming, maar omdat dan de herstelde relatie met God weer bedorven zou raken. Dat is wat bedoeld wordt met “iets ergers” dat hem dan zou overkomen. Jezus zeg dus, dat deze genezing van de man ook een daad van vergeving is geweest. Jezus draagt zijn straf, dat wil zeggen Hij neemt de gevolgen weg van de zonde van deze man en vergeeft die zonde. De man is dus hersteld in zijn relatie met God, kent Jezus als zijn verlosser, en is weer gezond geworden. Maar blijkbaar heeft hij iets in de woorden van Jezus gehoord dat hem geprikkeld heeft om een heel andere weg in te slaan. Net als bij de Samaritaanse vrouw spreekt Jezus de man aan op de zonde. De man staat echter in de tempel, om het voorgeschreven offer te brengen. Is het denkbaar dat hij zo vol overtuiging is van zijn eigen onschuld, dat hij zijn ziekte in het geheel niet aan de zonde verbindt die in zijn leven geheerst heeft? Zijn volgende actie lijkt dat wel duidelijk te maken.

Maar er is een eenvoudige tweede mogelijkheid. Je kunt hier ook nog een andere weg inslaan. Is het denkbaar dat Jezus hem niet aanspreekt op een zonde die de oorzaak was van zijn ziekte, maar op een zonde die hij heeft begaan ná zijn genezing? Die zonde kan zijn dat hij niet tot een gelovig getuigenis komt over Jezus, maar zich tegenover de farizeeën alleen wil verontschuldigen voor de overtreding van de sabbat, Jezus daarom de schuld daarvan geeft, het blijkbaar met de farizeeën eens is dat hij door Jezus tot een zonde gebracht is. Dat zou betekenen dat hij niet tot de erkenning was gekomen, dat Jezus die hem genezen had ook gezag had, als Messias, over de sabbat. Is dat de zonde die Jezus bedoelde? Op die manier kunnen we de ingewikkelde theologie van de oorzaak van zwakte en ziekte in het geheel achter ons laten. Dan zou Jezus zich distantiëren van de opvatting van de farizeeën dat ziekte een gevolg is van de zonde.

Wat doet de man? Of Jezus nu met de zonde zijn vroegere levenswandel als oorzaak van de verlamming, of zijn aarzelende, en verraderlijke houding tegenover de farizeeën bedoelde, in ieder geval verraadt de man Jezus aan de Joden. De farizeeën waren naar Hem op zoek. En dan lezen we: “de man ging weg en berichtte de Joden dat het Jezus was Die hem gezond gemaakt had.” Dat is dankbaarheid! Hij wist dat de farizeeën Hem zochten, en niet om Hem te eren voor Zijn daad van genezing, maar omdat Hij opdracht had gegeven om de sabbat te schenden. Misschien zijn zij het wel geweest, de farizeeën, die de genezene de opdracht hebben gegeven om een offer te brengen in de tempel vanwege de schending van de sabbat. En dan is het geen vrome reactie van de genezene op de daad van Jezus, maar het uitvoeren van een opdracht van de rabbijnen om zijn straf te ontlopen. Dat kunnen ze tegen hem gezegd hebben. “Die man die jou zogenaamd genezen heeft, is niet goed wijs. Je hebt de sabbat geschonden. God zal je straffen als je dat doet. Pas op dat je niet opnieuw verlamd raakt. Breng in de tempel het voorgeschreven offer bij een overtreding van de sabbat. Deze man is een leugenaar en een bedrieger.” Zo hebben ze waarschijnlijk op hem ingepraat. En nu komt hij ze vertellen dat het Jezus was, die hem gezond had gemaakt, maar dus ook Jezus die hem de opdracht had gegeven om rond te lopen met zijn ligbed. De man die jullie zoeken om hem te straffen, die heet Jezus! Dat is voldoende aanleiding voor de joodse autoriteiten – op het getuigenis van één man, dus in strijd met hun eigen wet – om Jezus nu te gaan vervolgen. Vers 16 “En daarom vervolgden de Joden Jezus en probeerden zij Hem te doden, omdat Hij deze dingen op de sabbat deed.” Deze dingen – dat is de genezing én dat is de opdracht om het ligbed te dragen. Wie een ander aanspoorde om de sabbat te schenden, werd nog zwaarder gestraft dan degene die per ongeluk een voorschrift overtrad. En Jezus deed beide, door te genézen op de sabbat, en door deze opdracht aan de genezene te geven.

De Joodse autoriteiten hebben nu al besloten om Hem te doden. Blijkbaar confronteren zij Jezus met hun aanklacht, want in vers 17 horen we dat Jezus antwoord geeft. Het is een korte weergave door Johannes van een vermoedelijk lang gesprek over de betekenis van de sabbat. Ze voeren dat gesprek misschien ook wel, omdat ze nog alleen maar het getuigenis hebben van de genezene. Alleen wanneer Jezus dat getuigenis bevestigt, kunnen ze Hem grijpen en straffen. Maar het antwoord van Jezus onttrekt zich aan het juridische steekspel, en is een soevereine verklaring van de Messiaanse koning. “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.” Dat is wezenlijk hetzelfde antwoord als in Markus 2:28: “de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.” Dat antwoord berustte op de Messiaanse status van Jezus. Maar hier wordt nog meer gezegd dan dat. In Gods omgang met een bedorven Israël is er geen voorgeschreven rustdag. God werkt ook op de sabbat door, en dat is niet vreemd want Hij staat boven de wet. Maar zo is het ook niet vreemd voor Jezus. Jezus werkt samen met zijn hemelse Vader, Hij en de Vader zijn één. Vader en Zoon hebben permanent dienst. En zolang de Vader werkt in de hemel op de sabbat, zo mag ook de Zoon werken op aarde op de sabbat. Wanneer Jezus God Zijn eigen Vader noemt, is het inderdaad duidelijk dat Hij zichzelf met God gelijkstelt. Voor Johannes is het helder dat Jezus’ optreden op de sabbat een gevolg is van het feit dat Hij de Zoon van God is. Voor de Joden zijn het twee verschillende zaken: de schending van de sabbat is het ene, de uitspraak waarmee hij God lasterde – en dat zou het ook geweest zijn, als Jezus niet God was – dat is het andere. Voor een gewoon mens is het inderdaad een doodzonde om zichzelf gelijk te stellen met God. Gods oordeel treft allen die dat gewaagd hebben. De farao van Egypte volgens Ezechiël 19. De prins van Tyrus volgens Ez. 28, en de koning van Babel volgens Jes. 14.

Jezus heeft veel meer wonderen verricht dan in de evangeliën zijn opgetekend. Het was in zekere zin Zijn dagelijkse werk. Hoeveel mensen zijn daardoor tot bekering gekomen? Het moeten er maar zeer weinigen geweest zijn. En hier zien we dat het Joodse religieuze systeem het een mens onmogelijk maakte om de genezing te aanvaarden als een wonder van de Messias, als een wonder van vergeving en heling tegelijkertijd. Hier zien we hoe een religieuze systeem het optreden van de Zoon van God kan reduceren tot een overtreding van een regel en een aanklacht van godslastering. Vanuit hun gezichtspunt hebben ze nog gelijk ook. Het optreden van Jezus als Zoon van God dwingt ons dan ook tot een radicale keuze. Tot een verandering van perspectief. Als Hij de Zoon van God is, dan toont Hij hier zijn genezende macht én Zijn goddelijk gezag. Als hij slechts een mens is, dan is hij een zondaar die de wet overtreedt en anderen aanmoedigt dat ook te doen; dan is de genezing toevallig, of een trucje, en dan is de aanklacht terecht dat Hij God gelasterd heeft. Zoals vaak in het evangelie van Johannes worden we gedwongen om een radicale keuze te maken. Jezus is de Zoon van God en Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Of: Jezus is een bedrieger,en een leugenaar en God blijft een ondoorgrondelijk mysterie waar mensen in al hun verschillende religies vergeefs iets van proberen te begrijpen. De weg van de Zoon of de weg van de religie. Welke weg kies jij?

Johannes (23) – De genezing op sabbat

Joh. 5:1-10

We komen nu bij een gedeelte dat uit twee hoofdstukken bestaat, waarin we horen over het groeiende verzet tegen Jezus. Eerst in hoofdstuk vijf het verzet tegen Jezus in Jeruzalem, en dan in hoofdstuk zes het verzet tegen Jezus in Galilea.

Het doel van het evangelie naar Johannes is het bewijs te leveren dat Jezus de Zoon van God is. Vandaar het theologisch getuigenis van Johannes in de proloog van het evangelie, de verzen 1-18 van het eerste hoofdstuk. Vandaar het bericht over het getuigenis van Johannes de Doper vanaf 1:19 – 34. Daarna het getuigenis van discipelen van de Doper die nu volgelingen van Jezus worden. Andreas, Simon, Johannes, Filippus, Nathanaël en vermoedelijk ook nog Jacobus de broer van Johannes. Samen met Johannes de Doper zijn dat zeven getuigenissen. En dan vinden we in hoofdstuk 2 – 4 het getuigenis van Jezus zelf: de tekenen in Kana en in de tempel, de gesprekken met Nicodemus en de Samaritaanse vrouw, en dan het tweede wonderteken: de genezing van de zoon van de hoveling.

Maar Johannes heeft ook nog een ander, hieraan ondergeschikt thema. Hij wil ook laten zien hoe dit getuigenis over Jezus als de Zoon van God door mensen is ontvangen. Wat hebben de mensen dan gedaan toen ze deze wondertekenen zagen, Zijn woorden hoorden, en met Zijn persoon werden geconfronteerd? In dit evangelie is Jezus het vleesgeworden Woord, God is mens geworden. En zoals hij al in de proloog gezegd heeft, dit vleesgeworden Woord kwam tot het Zijne, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar hoe is dat dan mogelijk, als Jezus waarachtig de Zoon van God is? Hoe is het mogelijk dat mensen een houding van ongeloof aannemen tegenover deze Zoon van God?

In het algemeen heeft Johannes die vraag al beantwoord: mensen hebben de duisternis liever dan het licht. (3:19) Aan de feestgangers in Kana gaat de betekenis van het wonder geheel en al voorbij. De dienaars die wijn geschept hebben uit de watervaten komen ook niet tot geloof. Nicodemus kan zijn religieuze systeem niet verlaten en begrijpt daarom niet wat wedergeboorte betekent. Toch is het niet onmogelijk dat mensen in Jezus gaan geloven. De Samaritaanse vrouw en de stad Sychar komen tot geloof door het bewijs van Jezus’ alwetendheid, op grond dus van Zijn woorden. En de hoveling en zijn huis komen tot geloof door het inzicht in de almacht van Jezus, gedemonstreerd in de genezing van de zoon van de hoveling door het woord van Jezus alleen. En de discipelen hebben ongetwijfeld, behalve de antwoorden die Jezus uit de Schriften heeft gegeven op al hun vragen,  ook een motivatie tot geloof gekregen in de confrontatie met de persoonlijkheid van Jezus zelf.

De volgende twee hoofdstukken maken nu duidelijk, dat een wonderteken niet automatisch tot geloof leidt, – wanneer wel het wonder wordt gezien, maar het teken niet wordt begrepen – en dat het woord van Jezus ook op tegenspraak, minachting en verwerping stuit. Aan het einde van hoofdstuk zes vinden we daarom vlakbij elkaar twee mededelingen. De eerste is dat velen van zijn discipelen zich terugtrokken en niet meer met Hem mee gingen. (6:66) De tweede is, dat Simon Petrus namens de 12 discipelen de belijdenis uitspreekt, dat Jezus de Christus is, de Zoon van de levende God. Johannes kan het niet laten om meteen erbij te zeggen, dat een van deze twaalf de verrader Judas Iskariot is.

De eerste passage in hoofdstuk 5 laat in het bijzonder zien hoe scherp de vijandschap intussen geworden is. We krijgen eerst te maken met het wonder zelf in de verzen 1 – 9. Daarna horen we over de vervolging van Jezus in de verzen 10 tot en met 16. In de laatste twee verzen, 17 en 18, horen we over een complot om Jezus te doden.

“Hierna”, dat wil zeggen na alles wat er in Galilea gedaan en gezegd was, gaat Jezus weer terug naar Judea, naar Jeruzalem. Waarschijnlijk is zijn komst in Jeruzalem alleen gemotiveerd door het “feest van de Joden” waar Hij bij aanwezig moest zijn. Dat kan het Paasfeest zijn geweest in april of het Loofhuttenfeest in oktober. In Jeruzalem is er bij de Schaapspoort een badwater – Johannes schrijft dit aan het eind van de eerste eeuw, ongeveer 25 jaar na de verwoesting van Jeruzalem, maar hij kan dus heel goed weten dat deze badplaats er nog steeds is, vandaar dat hij niet zegt dat er een badwater was, maar dat er een badwater is. Dat badwater had de naam Bethesda gekregen, dat is Aramees voor “Huis van erbarmen” (beth chisda). Een menigte zieken, blinden, kreupelen en verlamden wachtte daar het moment af dat het water in beroering zou komen, en alleen de eerste van hen die het water bereikte werd gezond. Het volksgeloof zei, dat het water door een engel in beweging werd gebracht. De bron van dit badwater zal geen continue waterstroom zijn geweest, en dus zal af en toe het water gekolkt hebben wanneer er vers water bijkwam.

Wanneer Jezus bij het badwater komt – en denk er even aan dat Hij nu niet in de tempel is voor het Loofhuttenfeest, maar deze menigten van zieken et cetera opzoekt – richt Hij Zijn aandacht op een man die al 38 jaar ziek was. En Hij stelt hem deze wonderlijke vraag: “wilt u gezond worden?” Ligt het niet voor de hand dat deze man daar alleen maar is om gezond te worden? Maar is het wel zo’n wonderlijke vraag? Jezus had toch moeilijk een conversatie kunnen beginnen door tegen hem te zeggen dat het buiten zo mooi weer was. Hij spreekt hem aan door naar de bekende weg te vragen, maar zo de man de gelegenheid te geven om zichzelf uit te spreken. Het laat zien dat Jezus belang stelt in zijn conditie en hem de gelegenheid wil geven om over zijn ziekte te spreken. Jezus moet ook geweten hebben of deze man innerlijk alle hoop had laten varen, en nu misschien alleen nog maar op deze plaats lag omdat hij tenminste beschut was en te eten kreeg.

In vers 7 horen we het hopeloze antwoord van de man. Meneer, zegt hij, er is niemand hier die het voor mij opneemt. “Ik heb geen mensen om mij in het badwater te werpen wanneer het water in beroering gebracht wordt.” Hij is met zijn ziekte door alles en iedereen in de steek gelaten, ook van zijn familie horen we niets. Er was dus een soort competitie gaande tussen deze zieke mensen, alleen de eerste werd genezen. Iedereen moest zichzelf maar proberen te redden. Dat was de situatie van deze man. Het huis van erbarmen, Bethesda, toonde in het geheel geen erbarmen. Het was niet gericht op de barmhartige God in de hemel, maar, volgens het volksgeloof, op een engel zonder naam die vanuit het bronwater heel even een wonder verrichtte voor degenen die de race naar het badwater won.

In scherp contrast met heel deze manier van denken, spreekt Jezus drie geboden uit. Sta op – de verminking aan zijn ledematen is weggenomen. Neem uw ligmat op – zijn kracht is weer hersteld. Blijf lopen – ga weg van hier en pak je leven weer op. De genezingen van Jezus stellen geen voorwaarde. De man gelooft niet in Jezus, en heeft hooguit een wankelend vertrouwen in het volksgeloof. Jezus verrichtte dit wonder dan ook niet om de man tot bekering te brengen, zoals in andere gevallen. Dit is een wonderteken dat misschien wel een antwoord is op de voortdurende vraag van de Joodse elite, “Welk teken laat U ons zien et cetera” (2:18) In de joodse religie van die dagen werd deze gang van zaken in Bethesda getolereerd. Het volksgeloof werd niet uitgebannen, en er werd geen barmhartigheid bewezen in het huis van de barmhartigheid. Is dat dan geen aanklacht tegen het toenmalige Joodse systeem? De tempel functioneerde niet als het huis van de verzoening, als het huis van de aanbidding ook voor de volkeren. Maar Bethesda functioneerde ook niet als het huis van de barmhartigheid. Als Jeruzalem faalt in de aanbidding tegenover haar God, en ook faalt in de zorg voor de naaste, is het verantwoordelijk deel van Israël van die dagen dan niet volkomen trouweloos geweest tegenover God? Misschien is het ook wel significant – anders is het een historisch detail – dat Bethesda vijf zuilengangen heeft. En ik bedoel dan niet in de numerologische zin waarmee sommigen spreken over vijf als het getal van de verantwoordelijkheid. Maar misschien als een verwijzing naar de vijf boeken van Mozes, of naar de vijf plichten tegenover de naaste in het 6e tot en met het 10e gebod. Op een of andere manier wordt in Bethesda het falen van de Joodse elite zichtbaar. En het is om die reden dat Jezus daar dit wonder verricht aan een man die binnen dit systeem volkomen hopeloos en uitzichtloos is: er is voor hem geen wonder, geen zorg, geen aandacht.

Vers 9 vermeldt, dat de man meteen gezond werd. Maar zelfs dan nog is het bijzonder dat hij er onmiddellijk toe komt om het gezag van Jezus te aanvaarden. Het opnemen van de ligmat, en het rond lopen met die ligmat, is immers geen deel van de genezing. Hij had ook kunnen zeggen, dank je wel, maar ik denk dat ik nog even blijven liggen, misschien kan ik nog een paar andere mensen helpen. Dat zou nog niet eens zo’n beroerd idee geweest zijn. Maar de situatie ligt toch anders. De man is alleen maar gezond geworden, om het bevel van Jezus te kunnen uitvoeren. Het wonder van zijn genezing moet je verbinden met de overtreding van de wet op de sabbat zoals de rabbijnen die hadden opgesteld. Daar zien de Joden iemand de regels van de sabbat verbreken. Maar ze zien ook iemand die 38 jaar lang in een hopeloze toestand heeft verkeerd, maar die nu op wonderbare wijze genezen is. Het is alsof Jezus ze voor een keuze plaatst. Of je valt over de overtreding van een van de gedetailleerde regels van de sabbat, of je raakt onder de indruk van het gezag dat Jezus heeft over de ziekte. De kreupele die werd genezen, is het wonder, het rondlopen met de ligmat is het teken. Het is een rechtstreekse uitdaging aan het gezag van de rabbijnen.

Tussen haakjes: Waarom heeft Jezus niet met een enkel woord alle zieken, blinden, kreupelen en verlamden genezen die daar op de grond lagen? In de eerste plaats omdat de genezing van deze man dan geen teken was geweest om een discussie met de farizeeën uit te lokken. Maar in de tweede plaats laat het ons ook zien op welke manier God de verlossing aanreikt. We lezen in vers 21: “zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil.” De genezing in Bethesda maakt duidelijk dat Christus de verlossing geeft aan een enkeling. Temidden van al die zieken en verlamden, richt Hij Zijn aandacht op die ene. God werkt niet met een grote kwast, zodat hele gezinnen, families en volkeren verlost zouden zijn maar met een fijn penseel. Iedereen krijgt op een bepaald moment de mogelijkheid de Zoon te aanvaarden. Maar voor iedereen is dat weer een ander moment, in andere omstandigheden.

De sabbat is een van de grote geschilpunten tussen Jezus en de rabbijnen. Om te voorkomen dat de grote geboden uit de thora werden overtreden, hadden de rabbijnen vele voorschriften en regels bedacht. Op de sabbat mocht je geen werk verrichten. De profeet Jeremia scherpt dat nog enigszins aan door te zeggen dat je ook geen goederen, bestemd voor de markt en de handel, door een poort van de stad mocht dragen. (Jer. 17:21) Maar de rabbijnse regel werd nog strenger, zodat je in een openbare ruimte helemaal niets mocht tillen van de ene plaats naar de andere. Wanneer deze man met zijn ligmat naar buiten was gegaan, dan was dat volgens de rabbijnse voorschriften het verrichten van werk op de sabbat, omdat hij iets uit de ene ruimte naar een andere ruimte overgebracht.

Waarom wilde Jezus de farizeeën op deze manier tot tegenspraak prikkelen? Maar dat deed Hij ook al met Nicodemus, door hem meteen met het idee van de wedergeboorte te confronteren. Ook dat raakte het hart van het geloof van Nicodemus. Dat deed Hij ook met de Samaritaanse vrouw, door haar aan te spreken op haar overspel, minstens op het ongehuwd samenwonen en de vele mislukte huwelijken. Elke ontmoeting met Jezus, geeft een schok aan je eigen vanzelfsprekendheden, aan je persoonlijke religie en levensgevoel dat je voor jezelf hebt opgebouwd buiten God om. Wie met het licht in aanraking komt, wordt in zijn duisternis geraakt. Jezus maakt duidelijk dat de thora van God is, en nooit is bedoeld om zoiets eenvoudigs als het dragen van een ligbed onmogelijk te maken. En tegelijkertijd maakt Hij duidelijk, dat de thora in de handen van de rabbijnen niet bij machte is geweest dit volksgeloof weg te nemen, en voor waarachtige genezing te zorgen. Dat kon alleen de Messias, dat kon alleen God zelf. Vandaar dat we aan het einde van de passage ook deze dubbele motivatie vinden voor het complot tegen Jezus: “Daarom dan probeerden de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen het gebod van de sabbat brak, maar ook zei dat God Zijn eigen Vader was, en daarmee Zichzelf aan God gelijk maakte.”

We lezen ook in de andere evangeliën over deze controverse rond de sabbat. In Lucas 6 lezen we eerst dat de discipelen van Jezus op de sabbat door de korenvelden gingen, aren plukten, die met de handen stuk wreven en ze opaten. Bij die gelegenheid spreekt Jezus het beginsel uit: “de Zoon des mensen is Heere, ook van de sabbat.” Dat is een kleine, maar belangrijke variatie op een rabbijnse uitspraak, die zegt dat de sabbat er is voor de mens, en niet de mens voor de sabbat. Jezus gaat daar bovenuit omdat Hij hiermee zegt, dat Hij Zelf boven de thora staat. En dan meteen daarna, op een andere sabbat, is er een man van wie de rechterhand verschrompeld was. Jezus stelt daar de vraag: “wat is geoorloofd op de sabbat: goed te doen of kwaad te doen, een mens te behouden of om te laten komen?” En dan geneest hij de man met een enkel woord, “steek uw hand uit.” En dan komt aan het licht wat de wetten van de sabbat tot gevolg kunnen hebben. Woede bij de rabbijnen over de genezing van de man met de verdorde hand. Want die genezing was niet levensnoodzakelijk en had kunnen wachten. Maar tegelijkertijd op diezelfde sabbat: “zij spraken er met elkaar over wat zij met Jezus zouden doen.” De sabbat verbiedt werk, maar laat toe dat mensen het complot smeden om de Messias te vermoorden? Het is dit contrast dat deze vroege rabbijnse vorm van wetsgetrouwheid ontmaskert, namelijk tussen de toepassing van een veelheid van gedetailleerde regels “tot eer van God, ter wille van Zijne heiligheid”, en de feitelijke minachting voor het welzijn van de naaste. Hier in Johannes 5 zien de farizeeën wel de overtreding van hun eigen sabbatregel, maar niet de liefdevolle aandacht van Jezus voor de kreupele man, waar zij zich 38 jaar lang niet om hebben bekommerd.

Het verzet tegen Jezus heeft nu een aanknopingspunt in de overtreding van de sabbat. Dat vinden we in vers 10 tot en met 18, en daarover de volgende keer.

Johannes (22) – Een koninklijk wonder geneest ongeloof

Joh. 4:43-54

Ongeloof komt in verschillende vormen en soorten. Maar de kern van alle ongeloof is steeds hetzelfde. Dat hebben we gelezen in Joh. 3:19: “de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht.” Elk soort ongeloof is deze weigering om de duisternis te verlaten en in het licht te treden, omdat het licht pijnlijk scherp openbaar maakt wie je eigenlijk bent. De reactie van mensen op de persoon en de prediking van Jezus heeft altijd te maken met het onvermogen om afstand te doen van je eigen overtuigingen, om eerlijk te zijn tegenover jezelf, jezelf te zien in het licht van God. Maar deze duisternis kan verschillende vormen aannemen.

Twee voorbeelden daarvan hebben we nu uitgebreid besproken. De duisternis van Nicodemus is zijn overtuiging dat het volharden in de nauwkeurige naleving van de wet een toegang tot de verlossing zou kunnen geven, terwijl hij in zijn hart weet dat het juist een afstand schept tot God. Zijn wetsbetrachting is een vorm van zelfrechtvaardiging. Hij voelt weliswaar onrust over zijn verhouding tot God, maar het woord van Jezus dat hij een wedergeboorte moet ontvangen, een reiniging door het water van het Woord en een vernieuwing door de heilige Geest, overtuigt hem niet. In zijn duisternis heeft hij het licht niet begrepen dat hem hier wordt aangeboden.

De Samaritaanse vrouw daarentegen ziet het licht vallen op de duisternis van haar eigen leven, en ze krijgt een oordeel te horen over dat leven zonder veroordeling en verwijt. Zo leert ze Jezus kennen als de profeet, die “alles weet wat zij gedaan heeft.” Een bewijs van Zijn alwetendheid, maar bovenal een aanwijzing hoe God met die zonde wil omgaan: Hij wil haar vergeving schenken!  Zij hoort wel degelijk het aanbod van het levende water, dat opwelt tot in het eeuwige leven. Haar onrust bestond daarin, dat ze gevangen was in haar eigen zondige leven en niet wist op welke manier zij daaruit bevrijd zou kunnen worden. Jezus gaat met haar zo ver, dat Hij Zijn eigen identiteit aan haar onthult. Hij zegt tegen haar dat Hij de Messias is, die bij zijn komst alles zou verkondigen en verlossing zou brengen. Hij zal de weg naar de verzoening met God aan de mensen aanbieden. En de Samaritaanse vrouw gelooft in Hem en een heel dorp komt tot bekering. In Israël is dat nog nooit gebeurd. Het is een voorproefje van wat later realiteit zou zijn, namelijk dat Israël de Zoon van God zou verwerpen terwijl de heidense wereld Hem zou aannemen. Daarom sprak Jezus over de oogst die zou komen, en de velden die wit waren zodat je kon zien dat het gewas bijna rijp was. (Omdat we lezen dat de mensen van de stad naar Hem toe gingen in vers 30, en omdat we weten dat ze in die tijd bijna allemaal gekleed waren in lange witte gewaden, moet dat een heel duidelijk beeld zijn geweest. In vers 35 zegt Jezus “Sla uw ogen op en kijk naar de velden, want ze zijn al wit om te oogsten.” Zo zagen die Samaritaanse mannen er ook uit die met hun witte gewaden de stad uitkwamen, Hem tegemoet.)

Ongeloof in soorten en maten

Ongeloof is er in soorten en maten, en de kern is dus de angst voor het licht. Sommige mensen komen tot geloof zoals Johannes de Doper. Zij herkennen Hem. Die herkenning wordt hen vanuit de hemel geschonken, maar zo wordt het dan ook door hen ervaren. De Persoon van Jezus maakt indruk op hen, ze zien, en ze geloven. Sommige mensen komen tot geloof, op grond van de woorden van Jezus. Zo ging het met Andreas en Johannes (de evangelist) die een hele dag met Jezus hebben gesproken. Op grond van wat ze hoorden, kan Andreas tegen zijn broer Simon zeggen: “wij hebben de Messias gevonden.” Er zijn mensen die de Bergrede lezen, of uit andere delen van het onderwijs van Jezus tot de conclusie komen dat er iets bijzonders met deze mens aan de hand is. Ook dat is hen uit de hemel geschonken. Maar dan is het ook deel van hun eigen ervaring. De persoon en de woorden – maar dan ook nog de wonderen. In vers 48 van ons hoofdstuk zegt Jezus tegen de hoveling, maar Hij bedoelt alle mensen in Galilea:” Als u (meervoud) geen tekenen en wonderen ziet, zult u beslist niet geloven.”

Ik denk dat Jezus op Zijn manier met elk van deze vormen van ongeloof omgaat en het weet te overwinnen. Hij vertoont zich aan Johannes de Doper en Zijn discipelen in Kana als Wie Hij is. Hij onderwijst Johannes en Andreas. Bij het wonderteken in Kana staat geschreven dat Hij Zijn heerlijkheid openbaarde door langs bovennatuurlijke weg het feest te redden, en dat de discipelen geloofden. In Kana heeft Hij laten zien dat Hij de gever is van de zegen, van de aardse zegen daar en toen, maar dan ook van de volkomen zegen overal en later. Tegenover de Samaritaanse vrouw spreekt Hij de woorden die haar hart raken, en haar tot geloof bewegen. In de twee dagen die Hij doorbracht in het dorpje Sychar, zijn het Zijn woorden die hebben overtuigd. “Wij geloven… want wijzelf hebben Hem gehoord en weten dat Hij werkelijk de Zaligmaker van de wereld is, de Christus.” (4:42) En in het gedeelte waar we nu over zullen spreken, is er geen getuigenis, maakt Hij met Zijn persoon geen indruk, zijn er geen woorden die tot het hart doordringen. Er is een teken en een wonder nodig om de hoveling tot geloof te bewegen. Maar Jezus wil ook dit ongeloof overwinnen, wil ook in deze duisternis met Zijn licht doordringen.

En dan is er nog een vierde vorm van ongeloof in het evangelie naar Johannes. De Joden van Judea en omstreken hebben de persoon van Jezus aanschouwd, hebben Zijn woorden gehoord, meerdere malen zelfs, en hebben ook Zijn wonderen gezien. En toch hebben zij niet geloofd. Toen Jezus de tempel had schoongeveegd, leeggemaakt, zagen ze een persoon optreden met gezag, die ijver voelde voor het Huis van God. Jezus nam het op voor Zijn hemelse Vader. Ze zagen de macht die Hij uitstraalde, waardoor duizenden mensen rustig gehoorzaamden. Dat was een groot wonderteken, maar het was een wonderteken dat de heerlijkheid van God de Zoon liet zien, zoals Hij dat op menselijke maat wilde tonen. Het was opnieuw de heerlijkheid van de Zoon “vol van genade en waarheid.” En dan toch vragen ze aan Hem: “Welk teken laat u ons zien dat U het recht hebt deze dingen te doen?” (2:18) Jezus verwijst hen dan naar het ultieme wonder, dat de tempel van Zijn lichaam zal worden afgebroken en dat Hij op de derde dag uit de dood zal terugkeren. Dat was het ultieme teken, waaraan iedereen kon zien dat Hij het gezag en de macht had en waarachtig de Zoon van God was, maar we weten uit de geschiedenis dat zij ook dat wonderteken niet hebben geloofd.

Er is nog een vijfde vorm van ongeloof, die in het evangelie van Johannes niet wordt getekend. We kennen die vorm van ongeloof uit andere teksten van de bijbel. Het is het ongeloof dat zich nestelt midden in het geloof. Het is geloof zonder werken – “wat voor nut heeft het, mijn broeders, als iemand zegt – beweerd, belijdt in het openbaar met de mond – dat hij geloof heeft, en hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem zalig maken?” En dergelijk geloof openbaart zich niet rechtstreeks als ongeloof, maar “zonder de werken” zegt Jacobus, zonder gehoorzaamheid aan Jezus, is een dergelijk geloof wel dood.

Er is ook een vorm van ongeloof die zich nestelt binnen het geloof wanneer mensen de houding aannemen die zo typisch was voor de gemeente van Laodicea. Dat is ongeloof dat zichzelf iets wijsmaakt. Dat zegt rijk te zijn en aan niets gebrek te hebben. Dat zijn de mensen die zeggen dat ze het evangelie al lang begrepen hebben en kennen, en er niet mee lastig gevallen willen worden. Het gaat om christenen die lauw zijn, geen enthousiasme meer hebben voor het evangelie, geen verlangen hebben om God en Christus beter te leren kennen, die de deur van hun hart hebben gesloten om de stem van Jezus maar niet te hoeven horen. Tegen die mensen zegt Jezus dat Hij aan de deur staat en klopt. En dan zegt Hij wat Hij zou willen, en wat er met deze mensen dus eigenlijk aan de hand is, wat ze tekort komen. Hij wil bij hen binnenkomen – in het hart, in de kern van het persoonlijke leven – en de maaltijd met hen gebruiken – de maaltijd van de gemeenschap, van het gedeelde leven, maar in het bijzonder natuurlijk de maaltijd van de gedachtenis, waarin het lijden en de liefde van Christus weer centraal staan. (Op. 3:20) Wie deze terechtwijzing van Jezus hoort, en de bestraffing ondergaat, wie beseft eigenlijk “ellendig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt” te zijn, kan aan dat ongeloof een einde maken. Een nieuwe bekering! Een herstel van de oorspronkelijke verhouding van de gelovige met God. Ook dat alles is ongeloof. Maar het is ongeloof dat werkzaam is in een leven dat toch de kenmerken van de gelovige draagt: iemand gaat naar de kerk, leest uit een Bijbels dagboek, noemt zich een christen – “ik probeer ernaar te leven…” Maar het ongeloof, de ontrouw binnen de relatie met Christus, het buitensluiten van Zijn levende presentie in het leven, dat heeft alle kracht uit het geloof weggenomen.

Terug naar Kana

In onze tekst voor vandaag zien we Jezus terugkeren naar Kana, na een verblijf van ongeveer een jaar in Judea. De reis van Judea naar Galilea heeft ook nog wat langer geduurd vanwege het oponthoud van enkele dagen in Samaria. Hier in Kana ontmoet Hij een man, die van de persoon van Jezus niet onder de indruk is, en die geen vertrouwen heeft in de woorden die Hij spreekt. Het is het meest hardnekkige en harde ongeloof. Het enige wat deze man in Kana natuurlijk gehoord heeft, is dat Jezus een wonderdoener is. En zelfs zonder in Hem te geloven, grijpt de man naar een strohalm. Zijn zoon ligt op sterven. Baat het niet dan schaadt het niet. Wie weet wat deze zoon van een timmerman misschien nog doen kan. Op dezelfde manier gaat hij naar Jezus, zoals zoveel mensen naar Jomanda gingen. Ze had een reputatie, deed allerlei claims, en als dat een laatste redmiddel kan zijn dan grijp je het aan. Vooral omdat je niet het gevoel wil hebben, dat je een kans hebt laten liggen. Wie weet? Misschien werkt het. Zo gaat deze hoveling naar Jezus toe.

Jezus is op hem voorbereid. Al meteen in vers 44 horen we dat Jezus aan Zijn discipelen gezegd (getuigd) heeft dat een profeet in zijn eigen vaderstad geen eer ontvangt. Omdat ze menen Hem te kennen als de zoon van de timmerman met wie sommigen van hen opgegroeid zijn, is het voor hen niet makkelijk om te aanvaarden dat Hij tenminste een profeet is. Jezus moet onderweg tegen Zijn discipelen gezegd hebben, dat de waarheid van dit spreekwoord spoedig zou blijken. Maar ook dat was een onderdeel van zijn missie. Zo had Jesaja (53:3) het ook al gezegd: “Gestalte of glorie had Hij niet; als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben. Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen. Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.” En dat blijkt ook meteen. De mensen in Galilea ontvangen Hem. Het is zuinig. Geen feestelijke ontvangst, geen eerbetoon, geen blijk van geloof. “Ontvangen Hem.” Maar erkennen Hem niet. Niet vanwege Zijn prediking, niet vanwege het wonderteken op de bruiloft in Kana. Het getuigenis van Maria, en de dienaars van het feest, en van de familieleden van de eerste discipelen, dat alles heeft geen enkele indruk op hen gemaakt. Ze ontvangen Hem met enige aandacht, met enige verwachting dat er rondom Hem nog wel iets te gebeuren staat, “omdat zij gezien hadden wat hij gedaan had op het feest in Jeruzalem.” (vers 45)

Johannes vertelt hier niet over een verblijf in Nazareth. Jezus blijft blijkbaar niet in Nazareth, maar gaat verder naar het noorden en komt opnieuw in Kana. Slaat Johannes nu een andere geschiedenis over? We weten dat Jezus aan het begin van Zijn zending een bezoek aan Nazareth heeft gebracht. Maar zoals zo vaak, als de andere evangelisten daarover vertellen, dan slaat Johannes het als bekend over. Misschien dat hij precies tijdens deze reis naar Kapernaüm via Kana nog een kort verblijf heeft gehad bij zijn moeder en broers. Misschien is toen in Nazareth wel gebeurd waar het evangelie van Lucas ons over bericht. Lucas vertelt dat Jezus in Nazareth in de synagoge de boekrol van Jesaja opent, en de profetie van de Messias op zichzelf van toepassing verklaart. Daar gebruikt hij hetzelfde spreekwoord: “dat geen profeet welgevallig is in zijn vaderstad.” En de woedende menigte doet daarna een poging om Hem van de top van de berg waarop het dorp gebouwd was, naar beneden te werpen, Hem te vermoorden. Het is allemaal te lezen in Lucas 4:16-30. Is dat dan ook de reden dat hij definitief uit Nazareth wegtrok? Dat Hij in Kapernaüm is gaan wonen weten we weer uit Marcus (2:1): “En na enkele dagen kwam Hij opnieuw in Kapernaüm; en men hoorde dat Hij thuis was.” Dezelfde mensen in Nazareth die in Kana op de bruiloft waren, en het gerucht moeten hebben gehoord over het wonderteken van Jezus, die proberen hun dorpsgenoot nu te vermoorden.

De hoveling en zijn zoon

Onderweg naar Kapernaüm dus komt hij weer in Kana. En daar treft hij de “Koninklijke hoveling” aan. Wat is dat voor een man? Het koninklijke hof waar hij onderdeel van uitmaakt, is het hof van Herodes Antipas. En echte koning is het niet. Hij is een tetrarch, dat wil zeggen dat hij als gouverneur leiding geeft – onder toezicht van de Romeinen – over een viertal gebieden. Hij werd alleen maar koning genoemd door de mensen, omdat zijn vader, Herodes de Grote, wel een koning was. Toen Jezus stierf, werd het gebied verdeeld onder de vier zoons, en Herodes Antipas kreeg toen Galilea en Perea, dat in het zuidoosten lag, aan de oostzijde van de Jordaan. Tot het hof van deze “koning” behoort nu deze hoveling. De man heeft een heel klein beetje vertrouwen in de mogelijkheid van een wonder. Vertrouwen dat is geboren uit wanhoop. Als zijn zoon niet op sterven had gelegen, was hij nooit en te nimmer naar Jezus toe gegaan. Maar de zoon is nu eenmaal ziek, en daarom gaat de hoveling naar Jezus toe. Hij heeft een interessante vorm van ongeloof en geloof tegelijkertijd. Het is moeilijk om uit de tekst precies op te maken wat deze man gedacht heeft, maar je kunt er wel naar raden. Zijn geloof is uit wanhoop geboren, zeker. Het lijkt sterk op de vorm van geloof die veel mensen nu ook nog hebben. Eigenlijk geloven ze het evangelie niet, eigenlijk ontbreekt hen alle zekerheid. Maar ze denken bij zichzelf, “als ik het bij het verkeerde eind heb, dan is het ook niet verloren.” Het lijkt op een weddenschap. Waarop moet ik mijn geld nu inzetten? Op geloof of op ongeloof? Stel dat ik gelijk heb in mijn geloof, dan is alles goed. Stel dat ik ongelijk heb, stel nu eens dat de dood het einde van mijn leven is, en er geen God in de hemel is die mij het eeuwige leven zal schenken et cetera. Wat is er dan verloren? Een gelovig leven is toch zo slecht nog niet. Ook als het onwaar blijkt te zijn. Ik kan dus maar beter “geloven”, want dan kan ik nooit verliezen.

Dat type geloof is net voldoende om tot God te bidden in nood, om te spreken over een “Iets” dat er toch zijn moet, om te spreken over een “dragende grond”, of om te zeggen dat wij “niet helemaal alleen zijn.” Dat soort geloof is net genoeg om aan Jezus te vragen om zijn kind te genezen. Als Jezus het niet doet, dan is niets verloren. Als Jezus het wel doet, dan hebben we daar baat bij gehad. De man is ook in het geheel niet van plan, om in het geval dat Jezus zijn zoon werkelijk kan genezen, met Jezus in een relatie te treden. Hij wil alleen dat zijn zoon geneest. Hij wil dat Jezus hem daarna gewoon weer met rust laat. Is dat niet het geloof van velen in onze tijd? God komt in het gezichtsveld in tijden van nood. Baat het niet, dan schaadt het niet. Voorbede in de gemeente kan in ieder geval geen kwaad, en wie weet. Maar een relatie opbouwen met die God? Je geloof laten groeien door kennis te nemen van Gods openbaring in Christus? Dat is voor velen te veel gevraagd. Let er ook op dat de hoveling Jezus wil vragen om de zoon te redden terwijl hij nog leeft. Hij zoekt niet naar onderwijs over verlossing van schuld zoals Nicodemus, hij wil niet van zijn schuld genezen? Hij zoekt een herstel van het aardse leven van zijn zoon. Dat hij overleeft is alles wat hij wil en weet.  Niet verkeerd, maar wel tekort. Dat is net als wat Martha tegen Jezus zegt, als haar broer Lazarus is overleden. Als U erbij was geweest, Heere, dan was mijn broer nog in leven! Ziet u het punt? Dat Jezus iets kan bijdragen aan de genezing, dát is nog wel te geloven, dat is een redelijke en menselijk verlangen; maar dat Hij de macht heeft over de verlossing van de schuld, en dat Hij verzoening met God schenkt en eeuwig leven kan geven, en dat Hij de dood overwint, dat gaat voor ons halfslachtige geloof veel te ver. Wie op die manier gelooft, stuit op de harde grens van de dood. Nu heeft het geen zin meer om Jezus te vragen om redding en genezing. Het is allemaal te laat. Wij geloven wel dat het zinvol is om te bidden in onze nood, maar als het te laat is dan heeft de dood overwonnen en dan heeft het geen zin meer Jezus iets te vragen. Zo ziet de hoveling Jezus. Als iemand die voor het tijdelijke kan zorgen; over het eeuwige echter – het domein van Jezus Zelf, Zijn thuis – wille we niets weten. Daar weten we ons geen raad mee.

Een koninklijk wonder

In vers 50 horen we Jezus antwoorden op de vraag van de hoveling. “Ga heen, uw zoon leeft.” De timmerman uit Nazareth spreekt koninklijker dan Herodes Antipas. Maar het is die taal die indruk maakt op de hoveling, alleen dát kan hem op andere gedachten over Jezus brengen. Jezus gebiedt.  Jezus laat zien dat Hij in staat is om met Zijn Koninklijke woord de afstand van 20 km tussen Kana en Kapernaüm te overbruggen, en de ziekte van zijn zoon is blijkbaar een deel van Zijn machtsgebied. Ziekte en dood staan onder Zijn gezag. Daarom: “de man geloofde het woord dat Jezus tegen hem zei, en ging heen.” (vers 50) En de slaven komen hem dan tegemoet om hem te vertellen dat zijn kind inderdaad aan de dood is ontsnapt. Toch was ook dat nog niet voldoende om tot geloof in Jezus te komen. Wanneer is dan de beterschap ingetreden? De slaven geven hem het antwoord: gisteren op het zevende uur. Nu begrijpt hij dat er geen sprake kan zijn van toeval. Precies op het moment dat Jezus zei dat zijn zoon leefde, trad de beterschap in. De macht van Jezus werkt dus onmiddellijk, is onbetwijfelbaar, want het is de macht van de schepper zelf. Hier is geen gebedsgenezer die tegen je zegt dat het soms wel en soms niet werkt, afhankelijk van de hoeveelheid geloof je hebt. Hier is geen televisie dominee, die zegt dat God jouw geloof afmeet aan je bijdragen in de collecte, en alleen door dat bewijs van trouw zich laat vermurwen om genezing te schenken. Hij is werkelijk de Zoon van God, aan Wie alle macht is geschonken in de hemel en op aarde.

Dat is het wat deze hoveling, die als geen ander begrijpt hoe Koninklijke macht werkt, tot geloof brengt. Jezus geneest op de kracht van zijn woord, er zijn geen dienaren nodig om Zijn wil te doen. Jezus geneest zonder een tegenprestatie te vragen, zonder verering te eisen, zonder zichzelf angstig te bekommeren of Zijn woord wel effect heeft gehad. Jezus geneest zonder enige bijbedoeling, maar uit liefde voor iemand van wie je mag aannemen dat Hij nog nooit van hem gehoord kan hebben. Maar het tegendeel is waar. Jezus kende deze hoveling en zijn zoon al vanaf de eeuwigheid.

En wat is dan het resultaat van deze vrijmachtige, en overvloedige genade die Jezus aan deze hoveling schenkt? “En hij geloofde, hijzelf en zijn hele huis.” Het aarzelende, wanhopige geloven, in de stemming van ‘baat het niet dan schaadt het niet’, wordt tot een positief zeker geloof. Het steekt anderen aan, die dezelfde gebeurtenis hebben meegemaakt, en nu het wonder van de genezing kunnen voegen bij het getuigenis van de vader. Zo komt deze hoveling dus tot geloof. Eerst geloofde hij een beetje in de wonderen van Jezus. Dan hecht hij geloof aan het woord van Jezus, voldoende geloof in ieder geval om heen te gaan en terug te keren naar Kapernaüm. En tenslotte gelooft hij in de persoon van Jezus – vandaar kortweg de uitdrukking “hij geloofde”. Het (mogelijke) wonder is het begin, het (Koninklijke) woord is het vervolg, en de heerlijkheid van de persoon van Jezus is het eindstation van deze snelle groei van het geloof.