Verslag van de bijbelbespreking van maandag 13 maart: Rebecca – deel 2

We kijken nu naar een aantal andere teksten waarin we het karakter en de daden van Rebecca te horen krijgen. Dan gaat het over haar onvruchtbaarheid (Gen. 25:21), de geboorte van de tweeling (22-26), en haar voorkeur voor Jacob. Maar ook over de liefde van Jacob en Rebecca die blijkt uit het gezamenlijke gebed (25:21) en hun liefkozingen (26:8). We horen ook nog over haar moeilijkheden met haar schoondochters, de vrouwen van Ezau (26:35). Maar het hoogtepunt is ongetwijfeld de list die zij met Jacob uitvoert om het eerstgeboorterecht van Ezau weg te nemen in hoofdstuk 27.

1. De geboorte

Net als Sara is Rebecca eerst onvruchtbaar. Izaak en Rebecca bidden nu gezamenlijk om een kind en dat gebed wordt verhoord. Rebecca wordt zwanger. Maar zij wordt zwanger van een tweeling. Dat had ze niet verwacht. In zekere zin krijgt ze nu twee eerstgeborenen, tenminste als beide kinderen mannelijk zouden zijn. Wat is daarvan de bedoeling? Wanneer Rebecca ontdekt dat ze zwanger is van een tweeling, vraagt ze waarom dit haar overkomt. En dan is het mooi te zien dat zij het antwoord bij God zoekt: “En zij ging de Heere raadplegen” (25:22).

Het antwoord van de Heere is, dat deze twee eerstgeborenen niet op hetzelfde niveau zullen staan. Er is niet één eerstgeborene, uit wie uiteindelijk de beloofde nakomelingen – dat ene volk, dat ene nageslacht – zal voortkomen. Er zijn er twee, die stamvader van twee verschillende volkeren zullen zijn. De ene eerstgeborene is de stamvader van het volk Israël, de andere eerstgeborene is uiteindelijk de stamvader van het volk van Edom. Tussen deze volkeren bestaat een scheiding (23a), en het ene zal sterker zijn dan het andere, en de grotere (of de meerdere) zal de kleinere (of de mindere) dienen (23b). Maar het is nog onduidelijk waarin deze sterkte dan ligt, en wat het betekent groot of klein te zijn.

De eerste aanwijzing voor het antwoord krijgt Rebecca al bij de geboorte van de tweeling. Het eerste kind dat tevoorschijn komt is “rossig en helemaal behaard als een haren mantel” (25:25). In die tijd is dat een aanwijzing van een soort aangeboren woestheid. En zo zal later ook het karakter van Ezau zijn. Een dergelijke aanwijzing voor het karakter van Jacob wordt ook zichtbaar bij de geboorte. Als de broer van Ezau tevoorschijn komt, houdt zijn hand de hiel van Ezau vast. Daaraan dankt Jacob zijn naam. Het Hebreeuwse woord voor hiel is namelijk eeqèv. De Hebreeuwse uitdrukking voor bedriegen is: de hiel vastpakken. Daarom krijgt Jacob deze dubbelzinnige naam. Hij is de Hielpakker, maar dat betekent wellicht ook: de Bedrieger. (EEQÈV -> JAÁQOV)

2. Het opgroeien van de tweeling

De tweede aanwijzing ligt in hun gedrag tijdens het opgroeien. Ezau wordt “een man ervaren in de jacht, een man van het veld” (vers 27). De bijbel is niet erg positief over het jagen. Denk maar aan Nimrod in Genesis 10:8-10. Babel komt uit het nageslacht van Nimrod! Uiteindelijk zal God alleen maar het eten van dieren toestaan, die gefokt en verzorgd zijn en gedomesticeerd. Dieren dus die uiteindelijk hun leven te danken hebben aan de mens, mogen dan door de mens gegeten worden. Maar de dieren van het vrije veld zijn niet als voedsel toegestaan. Hier geldt dat verbod nog niet, want Izaak eet van het wildbraad. Het lijkt waarschijnlijk dat Ezau niet alleen maar gejaagd heeft voor het voedsel. Hij is gewend om in het vrije veld te bivakkeren, en als ervaren jager schiet hij ook op dieren gewoon voor de sport.

 

Zijn tweelingbroer Jacob is een heel ander mens. Hij wordt een “oprecht man” genoemd, heel anders dus dan zijn naam van bedrieger deed vermoeden. Misschien kun je zeggen dat deze eigenschap wel in hem zat, maar bij het opgroeien nog niet tevoorschijn kwam. Er was ook geen aanleiding voor. Deze “oprechte man” woonde in tenten, een aanduiding dat hij veel tijd met zijn moeder doorbracht. Jacob krijgt dus nadrukkelijk een opvoeding van een van zijn ouders, van zijn moeder. Maar wie had dit jagen aan Ezau geleerd? Dat kan niet zijn vader zijn geweest, die immers blind aan het worden was. Hij moet het geleerd hebben van een van de knechten van Izaak. Hij heeft een vervangende vader gehad, misschien wel iemand uit het volk van het land. Misschien wel een van zijn latere schoonvaders, Beëri en Elon, de Hethieten (26:34).

Zo trekt Ezau nadrukkelijk een andere kant op dan God gewenst had. Het wordt langzamerhand duidelijk dat hij niet geschikt is om als de eerstgeborene (de “BECHOR” in het Hebreeuws) ook de zegen (“BERACHA”) van Abraham door te geven. Rebecca zit dus met een probleem. Een van de broers moet de stamvader worden van het volk Israël, en de belofte aan Abraham realiseren. Maar deze eerstgeborene heeft niet het vereiste karakter. Jacob, de oprechte, heeft dat wel. Maar hij is de tweede die geboren is en kan daarvoor niet in aanmerking komen. Hoe zal deze spanning worden opgelost? (En Jacob is daarbij zeker niet perfect en zal moeten leren van zijn “ballingschap” in Paddan-Aram – een verwijzing wellicht ook naar de latere ballingschap van Israël.)

3. Het begrijpen van de profetie: wie is de meerdere?

Rebecca heeft nog een ander probleem. Hoe moet zij het woord van de Heere nu begrijpen? God had gezegd dat de meerdere de mindere zou dienen. Is de meerdere nu Ezau, die groter en krachtiger is en bovendien de eerstgeborene? Dan zal de mindere, dat is Jacob, de plaats van zijn tweelingbroer moeten innemen. Izaak had kunnen zeggen, dat Jacob weliswaar in geestelijke zin de meerdere is, maar dat hij toch de mindere, dat is dan Ezau, zal moeten dienen. Ik krijg de indruk dat Izaak en Rebecca hier strijd over hebben gehad. De profetie lijkt dubbelzinnig. Je kunt het uitleggen naar je persoonlijke voorkeur, zoals Izaak overduidelijk ook doet. Het woordje voor groot of meerdere kan zowel op het fysieke als op het geestelijke slaan. En het woordje voor mindere duidt vooral iets aan van kwetsbaarheid en zwakte. Rebecca blijkt hier dieper inzicht te hebben dan haar man.

Rebecca moet nu iets doen, wat ook voor ons van belang is. Zij moet het woord van de Heere interpreteren zodat ze duidelijk voor zich ziet wat haar te doen staat. Ook wij lezen de bijbel om te ontdekken wat de Heere van ons wil. Wanneer wij de Heere raadplegen is dat niet alleen in gebed maar eerst en vooral in het lezen van de bijbel. Uiteraard niet zonder gebed. Rebecca begrijpt de woorden van God nu zo, dat Ezau de meerdere is en dat Jacob dus uiteindelijk het eerstgeboorterecht moet ontvangen. Ezau moet Jakob dienen. En dat vertelt zij ongetwijfeld ook aan Jacob. Vandaar de episode van het verkopen van het eerstgeboorterecht in de verzen 29 tot en met 34.

4. De minachting voor het eerstgeboorterecht bij Ezau

Jacob is listig en wil het eerstgeboorterecht “kopen”. We moeten goed begrijpen dat dat een list is. Het is een test om te zien hoe ver Ezau gaan wil. Om te zien of hij aanspraak zal maken op zijn bijzondere positie. Het eerstgeboorterecht kan niet als een bezit worden gezien dat kan worden gekocht of verkocht. Het is dus maar beeldspraak. Maar Ezau gaat behoorlijk ver. In vers 32 maakt hij duidelijk, dat hij alleen maar zorg heeft voor zijn eigen leven. “Zie, ik ga toch sterven.”

 

Dutch School; Esau Selling His Birthright to Jacob; Durham University; http://www.artuk.org/artworks/esau-selling-his-birthright-to-jacob-47628

 

Zo zien we hoe ongeschikt Ezau is voor zijn bijzondere taak. Het leven van Abraham Isaak en Jakob draait om het doorgeven van de zegen aan hun nakomelingen, dat God vormen zou tot Zijn eigen volk. Op grond van hun geloof keken ze verder dan hun eigen leven. Zij hebben zichzelf in de eerste plaats gezien als erfgenamen van een belofte. Maar niet als degenen die de vervulling van die belofte zouden verkrijgen. Zoals Hebreeën 11:13 het zegt, “Zij hebben de vervulling van de belofte niet verkregen, maar hebben die vanuit de verte gezien en geloofd en begroet.”

Dat geldt overduidelijk niet voor Ezau. Hij is bereid om met het zweren van een eed het eerstgeboorterecht af te staan. Waarom moeite doen voor een nageslacht? Waarom een zegen doorgeven die je niet zelf genieten kunt? En wat dat betekent zegt vers 34: “Zo verachtte Ezau het eerstgeboorterecht.”

5. De liefde van Izaak en Rebecca

Rebecca en Izaak hebben in het begin een goede verhouding met elkaar gehad. Ze hebben samen gebeden om het krijgen van een kind in hoofdstuk 25:21. “Izaak bad vurig tot de Heere in het bijzijn van zijn vrouw.” Geweldig is dat, als je met je partner samen kunt bidden. En ook nadat het conflict over het eerstgeboorterecht een rol gaat spelen, blijft de liefde intact. Als in hoofdstuk 26 over de hongersnood wordt gesproken, blijkt Izaak de les van zijn vader niet goed geleerd te hebben. Wanneer hij naar Gerar trekt, om bij Abimelech, de koning van de Filistijnen om voedsel te vragen, zegt hij dat Rebecca zijn zuster is. Want net als Sara was zij “knap om te zien.” Een teken dat deze Filistijnen al net zo verdorven waren als de Egyptenaren. Maar dan lezen we in vers 8 dat Abimelech er achter komt dat zij zijn vrouw is, toen hij “uit het venster keek en zag, en zie, Izaak was zijn vrouw Rebecca aan het liefkozen.”

Nog een andere zaak waar Izaak en Rebecca het over eens waren, was de ongehoorzaamheid van Ezau bij het vinden van een vrouw. Wanneer Ezau eenmaal 40 jaar oud geworden is, ziet hij de kans schoon om tegen de wil van zijn vader en moeder in te gaan. Hij trouwt met twee Kanaänitische meisjes Judith en Basmath. Judith betekent in het Hebreeuws “de geprezene”, maar de naam komt vermoedelijk uit een taal van de Filistijnen. De naam Basmath betekent zoiets als “de geurige, de welriekende”. Maar ook dat kan in de taal van de Filistijnen een andere betekenis hebben gehad. Later trouwt Ezau ook nog met Machalath, een dochter van Ishmaël. Dat is ook weer merkwaardig. Ezau heeft ontdekt dat de dochters van de Kanaänieten (de Hethieten vormen daar een deel van) “niet deugden in de ogen van zijn vader Izaak”, en daarom neemt hij een dochter van Ishmael tot vrouw. Maar de enige mogelijke vrouw voor de eerstgeborene zou moeten komen uit de verwanten, dus uit dezelfde kringen waarin Jacob nu zijn vrouw gaat zoeken. Alleen deze verwanten geloven in de God van Abraham. De familie van Abraham’s broer Nachor of Haran is geschikt. Ezau kiest dus opnieuw de verkeerde vrouw.

De liefde tussen Izaak en Rebecca is jaren later toch ook weer bekoeld. We zien ze in de hoofdstukken 27 en later niet meer samen optreden of met elkaar spreken. De tweeling en het conflict over het eerstgeboorterecht heeft een diepe scheiding tussen hen teweeggebracht. Misschien is dat ook de reden dat Izaak geen andere kinderen dan deze twee heeft gehad. Na de geboorte van de tweeling heeft ofwel Izaak geen belangstelling meer voor zijn vrouw, ofwel Rebecca is opnieuw onvruchtbaar.

6. Moeder en zoon: list en bedrog

Hoofdstuk 27 spreekt nu over de list van Rebecca en het bedrog van Jacob. De ouderdom van Izaak brengt met zich mee, dat hij nog voor zijn dood de zegen voor de eerstgeborene aan Ezau wil geven. En die zegen is geen geringe zaak. Het is, zoals 27:7 het zegt, een plechtige zegen “voor het aangezicht van de Heere.” Dat betekent dat deze zegening God als getuige heeft, en dus onherroepelijk is en bovendien werkzaam zal zijn. Wat Izaak tegen zijn zoon zal zeggen, heeft de kracht van een profetie omdat God in de hemel die woorden ondersteunt en er de getuige van is.

We kennen het verhaal. Wanneer Ezau gaat jagen om een smakelijk gerecht voor Izaak klaar te maken, neemt Rebecca het heft in handen. Zij zal twee geitenblokjes bereiden als een maaltijd voor Izaak. En dan zal Izaak Jacob zegenen voor het aangezicht van God. Jacob brengt een bezwaar in. Vers 12: “Misschien betast mijn vader mij; dan zal ik in zijn ogen als een bedrieger zijn.” Dan komt de list van Rebecca tot volle ontplooiing. Ze heeft aan alles gedacht. Ze neemt de kostbare kleding van Ezau die ze bij zich in huis had – wonderlijk, want waarom is die kleding niet in de tent van Ezau zelf? De enige reden kan zijn, dat Ezau zijn eigen vrouwen niet eens zijn kostbare kleding toevertrouwd – ze neemt de kleding van Ezau en trekt die Jacob aan. Ze neemt het vel van de geitenbokjes en trekt het over zijn hals en handen. En dan geeft ze het vlees en het brood in zijn handen en stuurt hem naar zijn vader. Op dit punt had Jacob nog kunnen weigeren om mee te doen.

Maar Jacob weigert niet. Hij liegt tegen zijn vader in vers 19: “Jacob zei tegen zijn vader: Ik ben Ezau, uw eerstgeborene.” Jacob vertrouwt het niet want de jacht is nogal snel gegaan – vers 20. Daarom wil Izaak zijn zoon betasten om te zien of het werkelijk Ezau is. En zijn conclusie is dat de stem die van Jacob is, maar de handen die van Ezau. De beharing van Ezau kan worden nagebootst, maar de stem niet. In vers 23 geeft Izaak een algemene zegen aan Jakob. (“En hij zegende hem.”) Maar nogmaals vraagt hij, en dat is de derde keer dat hij twijfelt, of dit echt zijn zoon Ezau is? En opnieuw liegt Jacob met de woorden: “Dat ben ik.”

En dan nog voor de vierde keer heeft Izaak een bevestiging nodig. Maar wanneer hij de geur van de kleren van Ezau ruikt, gaat hij overstag. Nu geeft hij aan Jakob de onherroepelijke en profetische zegen. Het is de zegen van koren en nieuwe wijn, en van de vruchtbaarheid. Maar het is ook de zegen van de geestelijke heerschappij van Israël: “Volken zullen je dienen, naties zullen zich voor je buigen.” Deze heerschappij van Israël zal uiteindelijk worden uitgeoefend door de ene zoon uit Israël, de Heere Jezus Christus. Niet door het volk zelf! Jacob zal geestelijk de heerser zijn over zijn broers. Dat is dan Ezau en zijn nazaten.

7. Rebecca redt Jacob

Wanneer Ezau het bedrog bemerkt en tevreden moet zijn met de zegen voor de andere zoon, is het leven van Jacob in gevaar. Het bijzondere trouwens van de zegen die Ezau ontvangt, is dat het moeilijk voor te stellen is, dat deze tweede zegen voor Jacob bedoeld zou zijn. Woorden als: “van je zwaard zul je leven” en dat hij zal wonen in de “vruchtbare streken van de aarde”, zijn op Jacob en zijn karakter toch zeker niet van toepassing geweest. Van jager wordt Ezau hier bovendien krijger en rover, omdat hij van het zwaard moet leven. Maar tegelijkertijd wordt hij voorgesteld als een dienaar van zijn broer – wat uitsluitend in geestelijke zin verstaan kan worden. Uiteindelijk zullen alle volkeren Gods Woord horen en erkennen. En dan tenslotte zegt Izaak dat Ezau bij machte zal zijn om zich los te rukken van het juk van Jacob. Zoals later inderdaad Edom zich zou losrukken van het gezag van Israël. (Die profetie zou nog eens uitkomen: Koning Herodes die heerste over Galilea rond de geboorte van Jezus, was een Edomiet!)

Om Jacob te redden van de wraak van Ezau stuurt Rebecca hem naar Laban. Daar zal Jacob ook zijn vrouwen vinden. En daarmee verdwijnt Rebecca uit het gezichtsveld van de bijbel.

8. Conclusie

Gods voorzienigheid werkt soms op wonderbare wijze. Pogingen van de mens om Hem dwars te zitten brengen God niet van de wijs. “God is getrouw, Zijn plannen falen niet.” Soms maakt Hij juist gebruik van de zonden van mensen om Zijn reddingsplan door te zetten. Op een of andere wijze moest worden verhinderd, dat Izaak aan de ongeschikte zoon de zegen van de eerstgeborene gaf. Misschien had Rebecca met Izaak kunnen spreken over haar zorgen. Maar hun relatie stond dat blijkbaar niet meer toe. Izaak had misschien verstandiger kunnen oordelen over het karakter van zijn zoons. Maar zijn eigen persoonlijke voorkeur voor die sterke zoon, die zonder angst kon optreden, had hem blind gemaakt. Dat was hij ook letterlijk geworden. Omdat Izaak geestelijk blind is voor het karakter van zijn zoons, is zijn fysieke blindheid erbij gekomen en die is ook de reden dat het bedrog van Jacob uiteindelijk kon slagen.

Rebecca heeft net als Sara gemeend God een handje te moeten helpen. Izaak wordt bedrogen, Ezau wordt beroofd. Vanuit haar gezichtspunt is dat voor het goede doel. En zeker, de Heere maakt er gebruik van. Maar tegelijkertijd ontgaat Rebecca de straf niet. 14 jaar lang zal zij van haar zoon Jacob gescheiden zijn. Omdat we later alleen horen van de hereniging tussen Izaak en Jacob, is het niet ondenkbaar dat Rebecca intussen is gestorven. In dat geval heeft zij haar zoon nooit meer teruggezien. God gebruikt de zonden van Rebecca, maar tegelijkertijd rust er voor haar zelf geen zegen op.

De volgende keer zullen wij met elkaar spreken over het boek Ruth.

Series Navigation<< 1 Johannes (3)Wij weten dat wij Hem kennen – de zekerheid van het geloof in 1 Joh. 2:3-6 >>
Kon je deze post waarderen? Ondersteun dan Robbert Veen op Patreon!
PDF24    Send article as PDF   

Geef een reactie